Toezicht voor- en vroegschoolse educatie

De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van de uitvoering van voorschoolse educatie en de vroegschoolse educatie (groep 1 en 2). Ook houdt de onderwijsinspectie toezicht op de wijze waarop de gemeenten de verplichtingen vanuit het gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (goab), waaronder voorschoolse educatie, nakomen.

De onderwijsinspectie kijkt naar alle aspecten die relevant zijn voor de kwaliteit van voor- en vroegschoolse educatie (vve), waarbij er een onderscheid gemaakt wordt tussen het gemeentelijk niveau en het locatieniveau.

Toezicht voorschoolse educatie bij gemeenten

De Inspectie van het Onderwijs maakt bij het toezicht gebruik van het waarderingskader Voorschoolse Educatie (ve). De onderwijsinspectie heeft ten minste jaarlijks overleg met de gemeente, de houders van instellingen met voorschoolse educatie en de schoolbesturen. Hierin wordt nagegaan of er afspraken zijn gemaakt over wie de doelgroepkinderen zijn, de toeleiding, de doorlopende leerlijn en de resultaten van de vroegschoolse educatie. De uitkomsten van de analyses van de inspectie, verwerkt in een openbaar rapport, kunnen leiden tot een onderzoek op gemeenteniveau of bijvoorbeeld een gesprek.
 

Zowel de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) als de Inspectie van het Onderwijs houden toezicht op voorschoolse educatie. De GGD beoordeelt jaarlijks of locaties voldoen aan de basisvoorwaarden voorschoolse educatie (de wettelijke eisen in de Wet OKE):

  • De omvang (art. 2): Het aanbod voorschoolse educatie is zodanig ingericht dat een kind, vanaf de dag dat het tweeëneenhalf jaar oud wordt, in anderhalf jaar ten minste 960 uur voorschoolse educatie kan ontvangen. Hierbij wordt 'Door de houder gerealiseerde aanbod voorschoolse educatie buiten beschouwing gelaten, voor zover dit meer dan zes uur per dag omvat'. Dit artikel gaat over voldoende vve-tijd (minimaal 10 uur).
  • Basisvoorwaarden voor aantal beroepskrachten voorschoolse educatie en groepsgrootte (art.3): Dit regelt de beroepskracht-kindratio, de groepsgrootte en de inzet van in voorschoolse educatie geschoolde beroepskrachten.
  • Basisvoorwaarden voor kwaliteit van beroepskrachten voorschoolse educatie (art. 4): Dit regelt de scholingseisen en bepaalt dat jaarlijks een opleidingsplan wordt gemaakt en uitgevoerd.
  • Het gebruik van een voorschools educatie-programma (art. 5): Voor de voorschoolse educatie wordt een programma gebruikt waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling.
  • De kwaliteit van de locatie (art. 6): Dit artikel geeft aan dat de voorschoolse educatie plaatsvindt in een kindercentrum.
  • Het opleidingsplan (art. 4, vierde lid): Dit artikel gaat over de verplichting voor houders om jaarlijks een opleidingsplan voorschoolse educatie op te stellen.

    In sommige gemeenten kijkt de GGD ook meer inhoudelijk naar de kwaliteit van de educatie.

    Bekijk het veldinstrument observatie pedagogische praktijk dat de GGD hanteert. 

Ook de Inspectie van het Onderwijs is bevoegd om toezicht te houden op de basisvoorwaarden, maar doet dit alleen in uitzonderlijke gevallen en aanvullend op het onderzoek van de GGD. Naast de basisvoorwaarden kan de inspectie op de locaties met gesubsidieerde voorschoolse educatie, onderzoek verrichten naar:

  • Het informeren van ouders en ouderbetrokkenheid
  • De kwaliteit van de educatie
  • Ontwikkeling, zorg en begeleiding van de kinderen
  • Kwaliteitszorg

De onderwijsinspectie verricht standaard toezicht bij nieuwe locaties met voorschoolse educatie en als er signalen zijn dat de kwaliteit van voorschoolse educatie niet helemaal op orde is.

Toezicht vroegschoolse educatie (scholen)

De Inspectie van het Onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs, waaronder de kwaliteit van vroegschoolse educatie in de groepen 1 en 2. Daarnaast kunnen signalen leiden tot een onderzoek of een andere actie, bijvoorbeeld een gesprek met het schoolbestuur.

Bij het toezicht wordt het 'Onderzoekskader voorschoolse educatie en primair onderwijs' gebruikt. Afhankelijk van de situatie strekt het onderzoek op een basisschool zich alleen uit tot de vroegschoolse educatie in de groepen 1 en 2, of maakt dit onderdeel uit van een onderzoek naar de kwaliteit van het onderwijs op de gehele basisschool.

In het onderzoekskader worden vijf kwaliteitsgebieden onderscheiden: Onderwijsproces (krijgen kinderen goed les), Schoolklimaat (zijn kinderen veilig), Onderwijsresultaten (leren kinderen genoeg) en de twee voorwaardelijke gebieden Kwaliteitszorg en ambitie en Financieel beheer.

Onder de standaard Onderwijsproces vallen onder meer aspecten die met voor- en vroegschoolse educatie te maken hebben. Voorbeelden daarvan zijn de (extra) ondersteuning van kinderen met (risico op) onderwijsachterstand en samenwerking met relevante partners om voor- en vroegschoolse educatie vorm te geven.

Jolyn Berns