Mediagebruik 3-5 jarigen

Mediagebruik kenmerkend voor kinderen van 3 tot en met 5 jaar

Kinderen van 3 tot en met 5 jaar maken al gebruik van verschillende soorten media-apparatuur. Hun mediagebruik wordt gekenmerkt door een voorkeur voor vriendelijke fantasiefiguren en vertrouwde contexten. Ze ontwikkelen een heel duidelijke eigen voorkeur. Je ziet nu ook al verschillen in interesses tussen kinderen ontstaan.

Gemiddeld besteden kinderen van 3 tot en met 5 jaar ongeveer twee uur per dag aan televisie of dvd’s kijken, bezig zijn met de tablet, computeren en gamen. Zeven op de 10 ouders lezen regelmatig voor en ruim de helft van de kinderen ‘leest’ zelf. Daarbij zijn die kinderen dan samen of alleen ongeveer 20 minuten per dag met boekjes bezig.

Televisie en film

In deze leeftijdsfase kijken kinderen graag naar educatieve televisieprogramma’s die speciaal voor hun leeftijd zijn gemaakt, bijvoorbeeld Sesamstraat of het Zandkasteel. Jonge kinderen hebben behoefte aan een langzaam tempo en veel herhaling om de informatie goed tot zich te kunnen nemen. Ze kijken graag naar programma’s met een vertrouwde context, waarin dingen gebeuren die ze kennen of die dicht bij huis gebeuren. Kijken naar andere peuters en kleuters is interessant, evenals kijken naar simpele, vriendelijke fantasiefiguren.

Kinderen van deze leeftijd hebben ook een speciale interesse in objecten en dieren die ze kennen en verbaal kunnen labelen, zoals kat, hond of beer. Ook zien ze graag programma’s en tekenfilms met liedjes en vrolijkheid, of tegenwoordig zogenoemde unboxing video’s waarin andere jonge kinderen dingen uitpakken.

Tablets en smartphones

Tablets en/of smartphones zijn heel aantrekkelijk voor deze kinderen vanwege het grote gebruiksgemak en het grote aanbod van apps en YouTube-filmpjes. In de afgelopen jaren is het gebruik van tablets en smartphones bij jonge kinderen verzesvoudigd, waarschijnlijk omdat ze zo makkelijk te bedienen zijn. Kinderen zijn namelijk al best behendig met het besturen van smartphones en tablets. Ze snappen het principe van de vinger gestuurde apparaten direct. Maar omdat je er precies mee moet zijn, lukt swipen (door een digitaal document bladeren) en aantippen niet altijd direct.

Of het gemakkelijk gaat of niet is afhankelijk van de gebruikte apps. Apps die voor hun gebruik basale motorische vaardigheden vergen (bijvoorbeeld vegen, tikken), zijn door kinderen goed te gebruiken. Wanneer het gebruik om complexere motorische vaardigheden vraagt (bijvoorbeeld met de vingers knijpen), dan is dit ingewikkelder voor hen. De fijne motoriek is namelijk nog niet zo goed ontwikkeld. In het begin kunnen kinderen dan de weg nog kwijtraken. Met wat hulp krijgen ze het echter wel snel onder de knie.

Computers

De gemiddelde leeftijd waarop kinderen actief worden op de computer of laptop is rond het vierde jaar. Ze kunnen dan de muis en de toetsen een beetje bedienen. Beginnende gebruikers kijken op de computer vooral passief naar filmpjes, daarna volgt al snel een meer interactieve fase, waarbij kinderen kleurplaten willen maken en spelletjes willen spelen. Hoe ouder het kind wordt, hoe populairder de educatieve games en portals met spelletjes worden.

Rond 5 jaar maken kinderen een sprongetje in hun ontwikkeling. Door de ontwikkeling van hun cognitieve en motorische vaardigheden hebben ze dan doorgaans minder hulp nodig van volwassenen. Ze kunnen ingewikkelder spelletjes aan, langer  geconcentreerd zijn en de muis beter bedienen. Leeftijd is echter niet de belangrijkste voorspeller voor de vaardigheden van kinderen: ervaring hebben met techniek is een grotere voorspeller. Dit betekent dat sommige kinderen van 4 (die veel gebruikmaken van een computer of tablet) al aardig wat zelf kunnen, en andere 4-jarigen nog helemaal niet.

Spelcomputers

In deze leeftijdsfase maken kinderen ook regelmatig gebruik van de spelcomputer, hoewel de populariteit daarvan door de tablets wel iets is afgenomen. Vooral voor oudere kinderen is het aantrekkelijk om computerspellen te spelen, omdat zij het spelelement beter begrijpen. Jongere kinderen hebben minder besef van spelregels en van het doel van het spel. Ook hebben jonge kinderen meer moeite om de knoppen te bedienen en met de inhoud van de spelletjes.

Kleuters leren opvallend snel hoe een game in elkaar zit: ze worden gemotiveerd om in een proces van trial and error niet op te geven, maar steeds door te gaan. Geboeid door muziek, felle kleuren, leuke graphics en aansprekende cartoon-personages, worden ze in een aantrekkelijke game uitgedaagd om van hun fouten te leren en steeds verder te komen in het spel.

Printmedia

Prentenboeken, voorleesboeken, versjesbundels en informatieve boeken moeten aansluiten bij de belevingswereld van kinderen. Verhalen mogen zich best in een ander land afspelen, maar de belevenissen van de hoofdpersoon moeten voor het kind wel herkenbaar zijn. Het is ook belangrijk dat prentenboeken en voorleesverhalen een duidelijke verhaallijn hebben, zonder al te veel zijwegen, anders raakt het kind de draad kwijt. Dat geldt vooral bij voorleesverhalen met weinig plaatjes, waar het kind alleen maar naar luistert. De taal die in het boek staat moet correct zijn en aansluiten bij het niveau van het kind. Het kind is namelijk druk bezig om de taal en de mogelijkheden daarvan te verkennen. Hij breidt zijn woordenschat dagelijks uit.

Belangrijke positieve effecten van mediagebruik

Mediagebruik kan een belangrijke meerwaarde hebben voor kleuters. Er zijn aanwijzingen dat televisieprogramma’s, games, websites en apps een positieve invloed kunnen hebben op de ontwikkeling van kinderen, als het product aansluit bij hun ontwikkeling en interesse, zij het leuk vinden en de media-ervaring samen met een volwassene beleven. Hieronder zetten we de positieve effecten van mediagebruik op een rij.

Taalontwikkeling

Televisieprogramma’s, websites en games voor jonge kinderen met woordgrapjes, rijm en het alfabet kunnen de taalontwikkeling van kinderen stimuleren. Vooral programma’s die uitnodigen tot interactie, zoals praten, meezingen en raden, hebben een gunstig effect op de taalontwikkeling. Meerdere  studies hebben  ook zulke positieve resultaten laten zien van het gebruik van digitale prentenboeken. Digitale prentenboeken kunnen bijvoorbeeld een positief effect hebben op de woordenschat en het verhaalbegrip. Bijvoorbeeld doordat er, wanneer er ingezoomd wordt op een banaan, het woord banaan wordt benoemd.  Voorlees- en aanwijsboeken vergroten de woordenschat van oudere peuters ook. Door te luisteren naar verhalen, horen kinderen hoe taal in elkaar zit.

De aanwezigheid van een volwassene, die het kind helpt om de inhoud van programma’s of boekjes  goed te begrijpen, is een belangrijke voorwaarde voor het optreden van leereffecten. Om woordjes te kunnen leren is het bijvoorbeeld belangrijk dat kinderen deze regelmatig samen met een ouder of leerkracht oefenen. De ouder of opvoeder kan bijvoorbeeld de klanken van letters en woordjes herhalen of vragen stellen, zodat kinderen ze extra goed leren. Aanwezigheid van een volwassene helpt ook voor de concentratie.

Cognitieve ontwikkeling

Onderzoek heeft laten zien dat het kijken naar educatieve  televisieprogramma’s  op 3-jarige leeftijd een goede voorbereiding is voor rekenprestaties en taalprestaties in de basisschool op 5-jarige leeftijd. Kijken naar programma’s als Sesamstraat draagt onder peuters en kleuters bijvoorbeeld bij aan het leren van letters, cijfers en andere cognitieve vaardigheden.

Media-apparaten kunnen het leren van jonge kinderen ook versterken doordat ze motiverend zijn en een spannendere leeromgeving kunnen bieden. Falen in het traditionele, schoolse systeem zorgt er meestal niet direct voor dat kinderen enthousiast worden voor het leren van een taak, maar de inzet van een tablet of smartphone kan dit wel ondervangen. Als kinderen in een spelvorm leren, kan falen juist een uitdaging worden die de motivatie van het kind aanwakkert om toch het einddoel te bereiken.

Immers, als iets niet lukt, dan mogen kinderen blijven proberen. Het geduld van een computer raakt nooit op. Voorlezen is een goede concentratieoefening. Als ouders elke dag een of meer keer voorlezen, dan went het kind eraan en kan hij zich steeds beter op een verhaal concentreren. Het voorlezen van bepaalde prentenboeken kan ook een bijdrage leveren aan de wiskundige ontwikkeling. Dit komt doordat die boeken getallen, rekensommen en andere wiskundige elementen bevatten.

Lichamelijke en motorische ontwikkeling Computerspelletjes, filmpjes of kinderprogramma’s kunnen jonge kinderen ertoe aanzetten om mee te zingen of mee te klappen op muziek en bewegingen van de karakters op het scherm na te doen. Daardoor wordt hun motorische ontwikkeling gestimuleerd. Voor de fijne motoriek is het gebruik van media-apparatuur ook nuttig, vooral computers, tablets en smartphones. Kinderen moeten hun hand- en vingerbewegingen goed doseren om op het beeldscherm de juiste respons te krijgen.

Sociaal-emotionele ontwikkeling

Voor hun sociaal-emotionele ontwikkeling is het belangrijk dat kinderen omgaan met andere kinderen. Jonge kinderen moeten bijvoorbeeld leren dat ze niet altijd hun zin kunnen krijgen en dat ze soms op hun beurt moeten wachten als er meer kinderen zijn.
Daardoor leren ze hun persoonlijke belangen en wensen doseren. Veel van deze aspecten zien we terug in verhalen die gebruikt worden in boeken, filmpjes, kinderprogramma’s en spelletjes.

Denk bijvoorbeeld aan kusjes geven en kletsen met een figuurtje in een app, of bijvoorbeeld het ‘verzorgen’ van digitale baby’s of huisdieren. Bij de educatieve televisieprogramma’s is van oudsher altijd veel aandacht voor de sociaal- emotionele ontwikkeling van kinderen. In heel veel liedjes en sketches gaat het om gevoelens als blij of jaloers zijn, samen delen en elkaar helpen. De makers van de programma’s willen daarmee een goed voorbeeld geven aan jonge kinderen.

Spel en fantasie

Er zijn veel digitale spelletjes die op een creatieve wijze een bijdrage kunnen leveren aan de spelontwikkeling. Programma’s of apps voor jongere kinderen die uitlokken tot meedoen en raden hebben een positief effect op het spelgedrag. Onderzoek naar televisieprogramma’s zoals Sesamstraat laat bijvoorbeeld zien dat kinderen de situaties die ze daarin zien graag naspelen, wat weer goed is voor hun ontwikkeling. Dat komt doordat fantasiespel dat op mediavoorbeelden is gebaseerd, vaak meer is dan alleen maar imiteren van wat kinderen gezien hebben.

Voor een deel doen kinderen inderdaad graag na wat ze gezien en gehoord hebben, maar daarnaast voegen ze ook allerlei eigen elementen aan hun spel toe. Ze brengen dus datgene wat ze op een plat vlak gezien hebben over naar de driedimensionale werkelijkheid en vermengen die fantasie met de sociale werkelijkheid. Ze verrijken de situatie met nieuwe elementen.

Belangrijke negatieve effecten van mediagebruik

Om zich gezond te kunnen ontwikkelen, hebben kinderen een uitgebalanceerde en gevarieerde tijdsbesteding nodig. Spelen, voldoende slapen en contacten met anderen zijn belangrijk in hun ontwikkeling, zodat zij sociaal en emotioneel goed kunnen functioneren. Te veel tijd besteden aan mediagebruik en hierdoor te weinig spelen en slapen is niet gunstig voor de ontwikkeling van kinderen. Daarnaast zijn sommige media-inhouden niet goed voor kinderen als ze daar in hun ontwikkelingsfase nog niet aan toe zijn. Met de juiste begeleiding kunnen deze negatieve effecten voorkomen worden.

Taalontwikkeling

Van televisieprogramma’s die voor een brede doelgroep bedoeld zijn hebben jonge kinderen weinig voordeel voor hun taalontwikkeling. Dat komt doordat deze programma’s qua inhoud en taalgebruik niet aansluiten op waar deze kinderen in geïnteresseerd zijn. En ouders zijn meestal niet geneigd om tijdens dit soort uitzendingen met hun kinderen te praten. Jonge kinderen voelen zich dus niet aangespoord om het programma te volgen en daarmee hun taal te ontwikkelen. Ook programma’s die wel voor kinderen bedoeld zijn, kunnen elementen bevatten die de taalontwikkeling van kinderen belemmeren, zoals veel beeldwisselingen, drukte en actie, en een te moeilijke verhaallijn. 

Televisie op de slaapkamer is niet bevorderlijk voor de taalontwikkeling van kinderen. Er is dan vaak geen begeleidende volwassene in de buurt die uitleg kan geven bij wat kinderen zien. Daarnaast zijn kinderen van zichzelf minder vaak geneigd om naar educatieve programma’s te kijken, of ze kijken na zo’n programma direct naar een ander programma, waardoor de educatieve boodschap weer naar de achtergrond verdwijnt.

Cognitieve ontwikkeling

Veel mediagebruik kan een negatief effect hebben op de algemene kennis van kinderen. Dit komt bijvoorbeeld doordat kinderen dan te weinig oefenen met andere activiteiten die belangrijk zijn voor hun ontwikkeling, zoals lezen, slapen en vrij spelen. Een andere oorzaak kan zijn dat kinderen vooral kijken naar televisieprogramma’s die niet voor hen bedoeld zijn.

Daarnaast kunnen media-apparaten een stoorzender zijn. Als er een media-apparaat aanstaat in bijvoorbeeld de huiskamer, dan kan dit storend en afleidend zijn. Kinderen kunnen zich hierdoor minder goed concentreren op hun eigen spel. Beeldschermgebruik vlak voor het slapen gaan is ook niet gunstig voor een jong kind. Vooral spannende programma’s met interessante prikkels houden het kind actief, waardoor hij niet de rust vindt om te gaan slapen.

Een andere mogelijke factoir is het (vooral blauwe) licht van een beeldscherm. Dat licht heeft invloed op de huishouding van melatonine, het hormoon dat nodig is om te kunnen inslapen. Slechter en korter slapen heeft effect op geheugenfuncties en de concentratie en daarmee op het leervermogen.

Lichamelijke en motorische ontwikkeling Reclames voor snoepgoed, snacks of ongezonde frisdranken kunnen een negatieve invloed uitoefenen op jonge kinderen. Kinderen kunnen de intentie van reclame nog niet doorzien, terwijl ze de liedjes en vrolijke kleuren vaak wel leuk vinden. Kinderen kunnen daardoor in de winkel gaan zeuren om de geadverteerde producten, of willen tijdens het kijken een snoepje of limonade net als op televisie. Wennen aan het eten van snoep en het drinken van frisdrank verhoogt het risico op diabetes of overgewicht.

Sociaal-emotionele ontwikkeling

In deze leeftijdsfase komt het kind steeds meer in contact met andere kinderen. Wanneer het kind door te veel mediagebruik te weinig contact met andere kinderen heeft, oefent hij niet voldoende met sociale vaardigheden.

Spel en fantasie

Sommige programma’s en spelletjes kunnen de creatieve ontwikkeling bij kinderen verstoren. Het gaat hierbij om mediaproducties die voor een algemeen en ouder publiek bedoeld zijn. Jonge kinderen die veel naar zulke producties kijken, zijn later minder creatief en minder geneigd om samen met andere kinderen te spelen. Daardoor ontwikkelen ze hun sociale vaardigheden en fantasie minder goed. Kinderen kunnen door ongeschikte mediaproducten ook druk en opgewonden worden, waardoor ze zich minder goed kunnen concentreren. Het lukt dan minder goed om dingen te onthouden en langer bezig te zijn met fantasie of creatief spel.

Tekenfilms of andere programma’s waarin actie en vechten voorkomt kunnen kinderen ook de verkeerde boodschap meegeven. Omdat kinderen het verschil met de realiteit nog niet goed kennen, kunnen ze ruwer gaan spelen en denken dat het niet erg is om te vechten. Op deze leeftijd kunnen kinderen bang worden van hun eigen fantasieën. Beelden in films en spelletjes kunnen die fantasieën versterken. Kinderen kunnen daardoor bij het kijken van streek raken als dingen er heel erg angstaanjagend of dreigend uitzien, plotseling een andere vorm aannemen of plotseling verdwijnen. 

Monsters en griezels zoals in Harry Potter kunnen jonge kinderen de stuipen op het lijf jagen. Maar het kan ook gaan om tekenfilmfiguren of ogenschijnlijk lieve monsters, zoals de geest in Aladin. Kinderen van deze leeftijd hebben uitsluitend oog voor wat duidelijk zichtbaar is en minder voor meer onderliggende informatie. Als een figuur er eng uitziet, ook al heeft hij geen kwaad in de zin, kan hij voor jonge kinderen evengoed angstaanjagend zijn.

De normale ontwikkeling van kinderen van 3 tot en met 5 jaar

De ontwikkeling van kinderen tussen de 3 en 5 jaar wordt vooral gekenmerkt door een toenemende taalbeheersing, de ontwikkeling van het denken en de uitbreiding van de sociale en fysieke omgeving. Het kind verzamelt informatie door eindeloos te observeren en ‘waaromvragen’ te stellen. Op basis van deze verzamelde informatie, leert het kind het principe van communicatie en relaties en versterkt hij zijn begrip van de wereld om hem heen.

Taalontwikkeling

Kinderen in deze leeftijdsfase zijn heel creatief met taal. Rond 3 jaar maken kinderen zinnen van drie tot vijf woorden. Ze leren alledaagse gesprekken en eenvoudige verhalen te begrijpen. Hun zinsbouw wordt steeds beter. Rond hun vierde jaar maken ze goede, eenvoudige zinnen. Op deze leeftijd kennen kinderen veel woorden en leren ze er dagelijks nog veel nieuwe bij. Een kind van 5 jaar maakt steeds langere zinnen en gaat bijzinnen gebruiken. Kinderen leren praten over wat er vroeger is gebeurd en wat er in de toekomst gaat gebeuren, en ze leren het verschil begrijpen tussen ‘ik’, ‘jij’ en ‘wij’.

Tussen hun derde en vierde jaar ontdekken kinderen schriftelijke taal. Ze leren dat tekentjes in boeken letters zijn en dat ze kunnen lezen wat er staat. Ze leren geleidelijk aan begrijpen waar schriftelijk taalgebruik voor dient, bijvoorbeeld om een boekje te kunnen lezen. Dit inzicht is nodig om later op school te leren lezen. Pictogrammen zijn ook mateloos interessant, kinderen in deze leeftijdsfase kunnen ze begrijpen.

Cognitieve ontwikkeling

Kinderen van 3 tot en met 5 jaar gaan steeds meer getallen gebruiken. Ze gaan begrijpen dat een gegeven hoeveelheid, gewicht en getal in verschillende vormen kan voorkomen. Het kind maakt nu ook meer gebruik van symbolen en beelden, hoewel nog niet erg systematisch. Dankzij zijn toenemende taalbeheersing leert hij zijn omgeving ontdekken. Het kind gaat ‘eindeloos’ vragen stellen.

Lichamelijke en motorische ontwikkeling

De motorische ontwikkeling kenmerkt zich bij kinderen van 3 tot en met 5 jaar door de ontwikkeling van de grove motoriek. Het kind kan nu al rennen, springen, klauteren, steppen enzovoort. De fijne motoriek ontwikkelt zich ook gestaag. Voor een 3-jarige is het nog moeilijk om te knippen of een bal te vangen. Een 4-jarige kan al een beetje knippen, omdat zijn handen en ogen beter
gecoördineerd samenwerken. Een 5-jarig kind is hier nog beter in. Kleuren binnen de lijntjes gaat nu goed.

Sociaal-emotionele ontwikkeling

In de kleuterfase begint de ik-ander-differentiatie: het kind beseft nu dat er anderen bestaan. Dit is een voorwaarde om sociale relaties aan te kunnen gaan met leeftijdsgenootjes. Als het kind naar de opvang of basisschool gaat, komt hij steeds meer in contact met vriendjes, vriendinnetjes en leerkrachten. Hij krijgt nu belangstelling voor andere kinderen. Ze zoeken contact met elkaar door elkaar dingen te geven en gaan met elkaar samenspelen. Ook leert het kind steeds meer simpele sociale regels kennen en kan zich daar beter aan houden. Het besef van het eigen ik kan leiden tot een besef van de eigen kwetsbaarheid. Kleuters worden hierdoor heel zuinig op hun lichaam en raken bijvoorbeeld in paniek wanneer zij zichzelf verwonden.

Morele ontwikkeling

De leeftijd vanaf 3 jaar (tot en met 5 jaar) is een belangrijke periode voor de ontwikkeling van ‘moreel besef’. Kinderen leren wat goed is en wat niet, volgens de normen van de omringende samenleving. In het begin richt het kind zich op degene die het voor het zeggen heeft en op de regels die ze moeten volgen. Omdat het kind in deze leeftijdsfase nog niet goed kan beredeneren waarom er regels zijn, zijn beloning en straf hiervoor belangrijke richtlijnen. De dingen waar je als kind een beloning voor krijgt, zijn de goede dingen. De dingen waar een kind voor gestraft wordt, mogen niet. Duidelijke regels over wat wel en niet mag en een consequente handhaving hiervan door volwassenen, helpt het kind bij het aanleren van gedrag dat door de omgeving als wenselijk wordt beschouwd.

Kinderen van 3 tot en met 5 jaar kunnen zich nog niet goed in gezichtspunten van anderen verplaatsen. Ze beseffen nog niet wat de ander weet, denkt en voelt. Kinderen gaan af op iemands concrete gedragingen, ze vragen zich nog niet af wat er achter het gedrag kan zitten.

Spel en fantasie

In deze leeftijdsfase speelt het kind symbolisch: door de aanwezigheid van taal en mentale representaties kunnen kinderen ‘doen-alsof-spelletjes’ spelen. Tegen het derde jaar ontwikkelt zich ook het imitatiespel. Het kind gaat steeds vaker bepaalde rollen van mensen in zijn omgeving naspelen. Hij spreekt de pop of knuffel toe zoals de vader tegen het kind praat: met dezelfde gebaartjes en intonatie. Kleuters kunnen ook in toenemende mate nadenken over wat er om hen heen gebeurt en een voorstelling maken van wat er zou kunnen gebeuren. In de kleuterleeftijd kunnen kinderen daardoor bang worden van hun eigen fantasieën, zoals monsters en zelfbedachte enge mensen.

Kleuters hebben soms vage angsten die zij nog niet onder woorden kunnen brengen of ervaren lichamelijke spanningen waarvan zij niet weten waar ze vandaan komen. Zulke gevoelens zijn soms moeilijk te verdragen voor jonge kinderen. Tussen het derde en vierde jaar ontstaat het besef dat realiteit en verzinsels twee verschillende dingen zijn. Kinderen zitten in een geleidelijke overgangsperiode, waarin ze soms wel en soms niet het verschil weten.

Daardoor kunnen zij heel verbaasd zijn, als hun verklaringen niet opgaan. Soms ontkennen kinderen de werkelijkheid ook. Aan het eind van de kleuterperiode is het kind wel beter in staat om wat echt is te onderscheiden van bedenksels. Kinderen herkennen dan een aantal wetmatigheden van verschijnselen.

Seksuele ontwikkeling

Kinderen in deze leeftijdsfase begrijpen steeds beter dat ze een meisje of jongetje zijn. Ze krijgen duidelijke ideeën over hoe meisjes en jongens zich horen te gedragen.
Seksualiteit ontdekken kinderen vaak in de vorm van spelletjes, zoals vader of moedertje spelen en doktertje spelen. Kinderen zijn ook heel nieuwsgierig. Ze willen bijvoorbeeld weten waar kinderen vandaan komen. Ze kunnen hier eindeloos veel vragen over stellen. Zodra kinderen naar school gaan en in contact komen met grote groepen mensen, leren ze steeds beter hoe ze zich moeten gedragen. Ze leren bijvoorbeeld dat ze niet zomaar in het openbaar hun lichaam kunnen laten zien.