Zijn we kampioen uithuisplaatsen, of niet?

Het EU-DataCare-project verzamelt gegevens over de registratie van uithuisplaatsingen in de EU-lidstaten. Valt uit die gegevens op te maken of Nederland wel of niet 'kampioen uithuisplaatsen' is, zoals soms wordt gesteld? Nee, zegt NJi'er Caroline Vink, betrokken bij het project. 'Wel kan die indruk ontstaan, doordat de jeugdbescherming in Nederland ingewikkeld is georganiseerd.'

Het DataCare-project is een initiatief van UNICEF en Eurochild, die daarmee in kaart willen brengen in hoeverre Europa voldoet aan de VN-richtlijn voor alternatieve zorg. De richtlijn stelt als doel kinderen te laten opgroeien in een gezinsachtige omgeving wanneer zij niet bij hun ouders kunnen opgroeien. In het project draagt het Nederlands Jeugdinstituut de gegevens over Nederland aan.

Caroline Vink is medeauteur van de notitie Inzicht in uithuisplaatsingen in Nederland en de rest van Europa, die gebaseerd is op de DataCare-gegevens. Aanleiding voor het schrijven daarvan was de regelmatig terugkerende stelling dat Nederland 'kampioen uithuisplaatsen' is in Europa. Dat blijkt niet uit DataCare, aldus Vink. 'De gegevens die de EU-landen verzamelen, verschillen te veel om ze goed te kunnen vergelijken. Het ene land registreert bijvoorbeeld pleegzorg binnen de familie niet als een uithuisplaatsing, terwijl het andere land alleen gedwongen plaatsingen na een rechterlijke uitspraak meetelt en geen vrijwillige uithuisplaatsingen.'

Complex stelsel

'Wel laten de cijfers zien dat we er in Nederland nog niet in slagen om de meerderheid van de uithuisgeplaatste kinderen te laten opgroeien in een gezinssetting. We hebben een van de meest complexe jeugdbeschermingsstelsels, met te veel instanties waarvan de taken overlappen. Daardoor voelen ouders zich vaak al vanaf het allereerste contact op 3-0 achterstand staan – ik kan me voorstellen dat ouders daardoor gaan denken dat we kampioen uithuisplaatsen zijn.'

'Als je kijkt naar de mogelijkheden die ons jeugdstelsel biedt, is het aantal uithuisplaatsingen erg hoog', oordeelt Tom van Yperen van het Nederlands Jeugdinstituut. 'Er zijn alternatieven voor uithuisplaatsing waarvan we weten dat ze werken. Bijvoorbeeld allerlei vormen van intensieve pedagogische thuishulp. Maar die zetten we te weinig in. Als het toch tot een uithuisplaatsing komt, komen nog veel kinderen terecht in een residentiële woonvoorziening. En bij kinderen die wel een plek krijgen in een pleeggezin, is die plaatsing vaak niet stabiel. Een ruwe schatting is dat 50 procent van de pleegzorgplaatsingen uiteindelijk niet stabiel is. Vaak is de match tussen het kind en het pleeggezin niet goed genoeg, of krijgt het pleeggezin te weinig ondersteuning. Daar valt nog veel aan te verbeteren. De zorgaanbieders werken er hard aan om meer gezinsgerichte en stabiele plaatsingen te realiseren, maar dat kost veel tijd.'

Vereenvoudiging

Van Yperen is als onafhankelijk expert geraadpleegd door de opstellers van het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Dat is opgesteld in opdracht van de VNG en de ministeries van JenV en VWS om de structurele problemen in de jeugdbeschermingsketen op te lossen. 'Het toekomstscenario stuurt niet alleen aan op vereenvoudiging van het stelsel, maar ook op een andere manier van werken', vertelt Van Yperen. 'In het scenario krijgen wijkteams een sterkere positie en kunnen ze werken aan alle problemen die spelen in gezinnen. Dus niet alleen problemen in de opvoeding, maar ook schulden, conflicten tussen de ouders of psychische problemen van ouders.'

'Verder streeft het toekomstscenario naar een flinke verbetering in de besluitvorming over uithuisplaatsing', vervolgt Van Yperen. 'We weten uit onderzoek dat die niet altijd goed onderbouwd is. Dat verbeter je door beter samen te werken met het gezin en door professionele tegenspraak te organiseren. Een supervisor of een lid van een ander team denkt dan mee in het besluitvormingsproces en stelt kritische vragen. Maak je duidelijk onderscheid tussen feiten en oordelen? Als er oude informatie in het dossier staat: klopt die nog of is de situatie veranderd? Is in het gezin al intensieve pedagogische thuishulp ingezet? En zo niet, waarom niet? Zo'n professionele dialoog helpt valkuilen in je oordeelsvorming te vermijden. Het hoeft niet ingewikkeld te zijn om dat te organiseren. Zo iemand die meekijkt, kan dicht bij de professional staan, maar moet wel onafhankelijk zijn. De jeugdbeschermingsketen gaat daar in proeftuinen mee experimenteren.'

Sterkere positie

In het scenario staat ook dat ouders en kinderen in de jeugdbescherming een sterkere positie krijgen. Vink verwijst naar het voorbeeld van Denemarken en Zweden. 'Daar is de hulpverlening meer gericht op het hele gezin en niet alleen op het kind. Hulpverleners spreken meer mét in plaats van óver het gezin. Hier in Nederland hebben we een systeem dat meer gebaseerd is op wantrouwen dan op vertrouwen.'

Een onafhankelijke ondersteuner kan de positie van het gezin versterken. Als een zaak voor de kinderrechter komt, kan een advocaat zorgen voor rechtsbijstand. Vink: 'Veel landen maken gebruik van cliëntondersteuners en hebben bovendien juridische bijstand standaard geregeld. In Denemarken mag een kind al bij de eerste gesprekken met de jeugdbescherming iemand meenemen die het vertrouwt.'

Inzicht in uithuisplaatsingen in Nederland en de rest van Europa

Pers

Ben je journalist? Dan kun je:

  • je vraag stellen via pers@nji.nl
  • bellen met 06 – 25 66 07 57 (op werkdagen tussen 8.30 en 17.00 uur)