Wat is hechting?

Hechting is een proces van interactie tussen kinderen en hun opvoeders dat leidt tot een duurzame affectieve relatie. Onder normale omstandigheden ontwikkelen kinderen de eerste gehechtheidsrelaties met volwassenen als ze 6 tot 12 maanden oud zijn. Meestal gaat het dan om de ouders, de grootouders en bijvoorbeeld pedagogisch medewerkers. Zo ontstaat een netwerk van gehechtheidsrelaties, al hebben kinderen vaak een voorkeur voor de ene persoon boven de andere.

Hechting is bepalend voor een goede ontwikkeling van een kind. Voor het ontstaan van een veilige gehechtheidsrelatie zijn er drie basale voorwaarden:

  • sensitief en adequaat reageren op het kind;
  • continuïteit in de aanwezigheid van de gehechtheidspersoon;
  • zich verplaatsen in het kind, het zogenaamde het mentaliseren.

Lees meer over de voorwaarden voor een veilige hechting.

Veilig en onveilig gehecht

De gehechtheid van een kind weerspiegelt de opvoedingsgeschiedenis van het kind met zijn opvoeder. Het gedrag van kinderen laat zien of zij ervan uitgaan dat de opvoeder hun signalen zal opmerken en er zo nodig direct en adequaat op zal ingaan. In dat geval zijn kinderen veilig gehecht. Maar hun gedrag kan er ook op wijzen dat ze daar juist niet van uitgaan. In dat geval zijn ze onveilig gehecht.

  • De Amerikaanse psycholoog Mary Ainsworth onderscheidde naast de veilige gehechtheid drie typen hechtingsproblemen: onveilig-vermijdend, onveilig-ambivalent, en gedesorganiseerd gehecht.
  • Het Classificatiesysteem voor de Aard van Problematiek van Jeugd (CAP-J) onderscheidt de volgende typen hechtingsproblemen: geen selectieve hechtingsfiguur, verstoorde gehechtheid, en ontwrichte gehechtheid.

Lees meer over de typen hechtingsproblemen van Ainsworth of van CAP-J.

Hechtingsstoornissen

Onveilige gehechtheid leidt niet per definitie tot een hechtingsstoornis en moet daar dan ook niet mee verward worden.

Een geschiedenis van het aanhoudend verzuimen van basale lichamelijke en emotionele behoeften van het kind, in de vorm van ernstige verwaarlozing of mishandeling, kan leiden tot een gehechtheidsstoornis bij het kind.

Het handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders; DSM) onderscheidt twee typen stoornissen: de geremde hechtingsstoornis (Reactive Attachment Disorder; RAD) en de ontremde contactstoornis (Disinhibited Social Engagement Disorder; DSED).

Bij een geremde hechtingsstoornis zoekt een kind geen troost tijdens stress en reageert het niet of zelden op de troost die wordt aangeboden. Bij een ontremde contactstoornis benadert een kind onbekende volwassenen met onvoldoende normale terughoudendheid.

Er is veel discussie over de vraag of het ontremde type wel gezien moet worden als een hechtingsstoornis. De DSM-5 beschrijft alleen het geremde type (RAD) als hechtingsstoornis. De Amerikaanse en Nederlandse richtlijnen rekenen echter beide typen tot de hechtingsstoornissen.

Lees meer over de soorten gehechtheidsrelaties.

Praktische informatie

Paula Speetjens

Paula Speetjens

senior medewerker inhoud