D206: Problemen in de hechting van jeugdige aan ouder

Deze problemen zijn in het classificatiesysteem CAP-J onderdeel van:

  • As D: Gezin en opvoeding
  • D200: Problemen in de ouder-kindrelatie

Kenmerken

Gehechtheid is de selectieve en duurzame affectieve band tussen het kind en zijn ouders. Het begrip verwijst nadrukkelijk naar een kenmerk van de relatie tussen twee personen. Op basis van deze duurzame affectieve band ontwikkelt het kind een basispatroon van vertrouwen in de ander.
Van hechtingsproblemen is sprake wanneer het kind voor het vijfde levensjaar in een omgeving opgroeit waarin het geen selectieve en duurzame affectieve band met een ouder opbouwt. Dit kan bij het kind leiden tot een basispatroon van wantrouwen jegens de ander en daarmee tot een onveilige hechting.

Subtypes en/of specificaties

Geen selectieve hechtingsfiguur

Het gedrag van kinderen die geen voorkeur hebben voor een bepaalde hechtingsfiguur is kindspecifiekHet komt bijvoorbeeld als volgt tot uiting:

  • Het kind gaat snel mee met vreemden.
  • Het kind zoekt weinig contact met en geen emotionele toenadering tot vervangende opvoeders als pleegouders.
  • Het kind wil niet getroost en/of geknuffeld worden.
  • Het kind beschikt over een beperkte emotieregulatie, dat wil zeggen dat er sprake is van emotionele uitbarstingen en heftige wisselingen van emoties.
  • Het kind vertoont vlakke affecten, dat wil zeggen dat reacties naar (pleeg)ouders en broer(s) en/of zus(sen) vaak onecht overkomen.

Verstoorde gehechtheid

Bij verstoorde gehechtheid is de basis voor een veilige hechting verstoord. De symptomen zijn meer relatiespecifiek:

  • Het kind vertoont risicovol en agressief gedrag: angst overschreeuwen, op een negatieve manier aandacht trekken (dit gedrag kan overigens ook voorkomen bij kinderen met andere problematiek).
  • Het kind is een gevaar voor zichzelf: bijvoorbeeld pijn simuleren, haren uittrekken, hoofdbonken als de ouder in de buurt is, braken, zich laten vallen, zichzelf open krabben.
  • Het kind is emotioneel geremd: praat niet over negatieve emoties, past gedrag aan aan wensen van de ouder.
  • Het kind heeft een controlebehoefte en er is sprake van parentificatie: dit zijn vaak kinderen die aan hun lot zijn overgelaten en de zorg hadden voor broers en/of zussen, hebben groot empathisch vermogen, willen zich overal mee bemoeien, houden alles in de gaten (vooral anderen), zijn in omgang met leeftijdsgenoten bazig en dominant.

Ontwrichte gehechtheid

Ontwrichte gehechtheid komt vaak voor bij kinderen die een primaire hechtingsfiguur verloren hebben. Dit type hechting is vaak tijdelijk en veranderbaar. Symptomen kunnen zijn:

  • opstandig zijn en verzet tonen
  • enorm verdriet en grote rouw.

Dit laatste type is overigens lastig te onderscheiden van de posttraumatische stressstoornis. Het verschil is dat kinderen met hechtingsproblemen meer moeilijkheden hebben met het aangaan van nieuwe relaties.

Culturele, leeftijds- en seksespecifieke kenmerken en verloop

Hoe en met wie een duurzame hechting plaatsvindt, is in hoge mate cultureel bepaald (Koot, 1995). De exclusiviteit van de ouder-(moeder-)kind relatie is bijvoorbeeld typerend voor de westerse cultuur. Wanneer de in de cultuur geldende steun- en zorgsystemen (bijvoorbeeld oma's, zussen, oudere broers en zusjes) ontbreken, niet kunnen functioneren, niet erkend of zelfs gediskwalificeerd worden, kunnen problemen ontstaan (Van IJzendoorn & Kroonenberg, 1988).

De kwaliteit van de hechting wordt bepaald voor het vijfde levensjaar en wordt opgebouwd door een continue interactie van het kind met de ouder (specifieke volwassene) (Koot, 1995). Wanneer het kind in deze periode geen affectieve duurzame relatie met een ouder gekend heeft, kan dit leiden tot een onveilige hechting (Riksen-Walraven, 2005).

Breuken met de ouders zoals het geval is bij (veel) wisselende opvoedingssituaties, adoptie, verblijf in een kindertehuis, verblijf in (meerdere) pleeggezinnen of veel ziekenhuisopnamen op jonge leeftijd, kunnen van invloed zijn op de kwaliteit van de hechting (Main & Solomon, 1990).

Het verloop en de mate waarin het kind op latere leeftijd problemen ondervindt, varieert. Dit is afhankelijk van de individuele kenmerken van het kind en de ouders en de duur en de ernst van het gedrag (of afwezigheid van gedrag) waardoor geen duurzame affectieve relatie tot stand is gekomen (Bowlby, 1988a, 1988b; Koot 1995; Riksen-Walraven, 2005).

Voorbeelden van problemen die het kind op latere leeftijd kan ontwikkelen als gevolg van een onveilige hechting zijn angsten, depressies, het onvermogen om een affectieve band met iemand te kunnen onderhouden en delinquent gedrag (Koot, 2001; Stor & Storsbergen, 2006).

Wanneer er in de periode voor het vijfde levensjaar sprake is geweest van een geschiedenis van aanhoudende verzuiming van basale lichamelijke en emotionele behoeften van het kind in de vorm van ernstige verwaarlozing en/of mishandeling kan dit leiden tot een hechtingsstoornis bij het kind (Koot, 1995; Stor & Storsbergen, 2006). Dit staat tevens vermeld in de DSM 5. Onveilige gehechtheid leidt niet per definitie tot een hechtingsstoornis en moet daar dan ook niet mee verward worden.