Mediagebruik

Het dichtgaan van de scholen heeft volgens ouders uit het Landelijk Ouderpanel invloed gehad op het mediagebruik van kinderen (0-18 jaar). 41 procent van de ouders die thuiswerkten door corona gaf aan meer mediagebruik toe te laten. Van de ouders die niet thuiswerken liet zelfs 50 procent hun kinderen meer schermtijd toe. De ouders geven aan dat het een lastige opgave is om kinderen bezig te houden zonder school en andere vormen van vrijetijdsbesteding (Opvoedinformatie Nederland, 2020).

Dit beeld wordt bevestigd in een peiling van GGD Noord-Oost Gelderland in mei 2020. Van de 4173 middelbare scholieren die de vragenlijst invulde, gaf 73 procent aan (veel) meer tijd achter een beeldscherm te spenderen. Daarnaast geeft 33 procent aan meer te gamen dan voor de coronacrisis (GGD Noord-Oost Gelderland, 2020).

Uit onderzoek van Terres des Hommes komt naar voren dat 45 procent van de ondervraagde ouders zich enigszins zorgen maakt over te veel beeldschermgebruik van hun kind (Terres des Hommes, 2020).

Het jaarlijkse Iene Miene Media Onderzoek laat zien dat in maart 2020 kinderen van 0-6 jaar bijna een uur meer schermtijd hadden in vergelijking met voor de coronacrisis. Een jaar later, in maart 2021, is dit weer redelijk genormaliseerd. Het onderzoek laat zien dat de kinderen in het onderzoek slechts enkele minuten meer schermgebruik hebben dan bij de meting voor de coronacrisis (Netwerk Mediawijsheid, 2021).

Laatst bewerkt: 27 mei 2021


Gebruikte publicaties

Leefstijl van kinderen en jongeren

Het MUMC concludeert in maart 2021 uit onderzoek dat een groot deel van de kinderen tussen de 4 en 18 jaar ongezonder is gaan leven. Ze bewegen minder, slapen minder en eten ongezonder. Zo drinkt één op de vijf de kinderen minimaal drie suikerhoudende drankjes per dag, waar dit voor de lockdown om ongeveer één op de zeven kinderen ging (MUMC, 2021). 

Daarnaast bleek in september 2020 dat bij 20 procent van de kinderen het gewicht is toegenomen. Onder kinderen die al te maken hadden met overgewicht gaat dit zelfs om 40 procent (MUMC, 2020).

Sport en bewegen

Volgens 40 procent van de ouders met kinderen tussen de 4 en 11 jaar zijn hun kinderen minder gaan bewegen in april 2020, op het moment dat dat scholen dicht waren en er geen georganiseerde activiteiten plaatsvonden. Zo blijkt uit onderzoek van het Mulier Instituut. Hierbij wordt de vergelijking gemaakt met hoeveel de kinderen bewogen in voorgaande jaren rond deze tijd. 58 procent van de ouders ervaart belemmeringen in het stimuleren van beweging van hun kinderen (Slot-Heijs, de Jonge,  Lucassen & Singh, 2020).

Deze ervaringen van ouders worden bevestigd door een onderzoek van het NOC*NSF. In de sportdeelname index NOC*NSF komt naar voren dat veel kinderen en jongeren aangeven tussen maart en oktober 2020 minder vaak te sporten dan voor de coronacrisis. Onder 5-12 jarigen gaf 37 procent van de ondervraagden dit aan, onder 13-18 jarigen was dit 44 procent en onder 19-30 jarigen 46 procent. Voornamelijk vanwege het sluiten van verenigingen en het stopzetten van competities (NOC*NSF, 2020a).  

De sportdeelname index van april 2021 laat zien dat de zelfgerapporteerde sportdeelname in deze maand inderdaad een stuk lager ligt in vergelijking met voor de coronacrisis. Ten opzichte van april 2019 is het aantal wekelijks sportende 13-18 jarigen gedaald van 75 naar 56 procent. Onder 19-30 jarigen daalde dit van 69 naar 55 procent. Ook de sportdeelname onder 5-12 jarigen ligt iets lager in vergelijking met twee jaar terug. Tussen december 2020 en april 2021 steeg dit percentage wel weer sterk van 50 naar 74 procentovergewicht. (NOC*NSF, 2020b).

In een peiling van de GGD Noord-Oost Gelderland komt naar voren dat middelbare scholieren minder bewegen dan voor de coronacrisis. 49 procent van de ondervraagde geeft dit aan. Ook is er een deel van de jongeren (23 procent) die aangeeft juist meer te zijn gaan bewegen (GGD Noord-Oost Gelderland, 2020).

Laatst bewerkt: 27 mei 2021


Gebruikte publicaties

Afstandsonderwijs

Afgenomen schooltijd

Met het afstandsonderwijs lijkt de tijd die kinderen met school bezig zijn korter te zijn. Zo blijkt uit de monitor Hybride onderwijs van KBA Nijmegen. 15 procent van de ondervraagde basisschoolleerlingen geeft tijdens de schoolsluiting in het voorjaar van 2020 aan niet meer dan 1 uur per dag aan schoolwerk te besteden. 42 procent van de leerlingen besteedde 1 á 2 uur per dag aan school en 35 procent zegt tussen de 3 en 4 uur. Ouders van leerlingen verwachten iets meer schooltijd voor hun kinderen. 31 procent van de ouders verwacht dat het kind tussen de 1 en 2 uur per dag aan school besteedt en 43 procent denkt tussen de 3 en 4 uur. Leraren schatten dat leerlingen tijdens de schoolsluiting gemiddeld 3,1 uur kwijt zijn aan schoolwerk (Smeets, 2020).

Vorderingen leerlingen

Onderzoek van de Universiteit van Oxford toonde aan dat basisschoolleerlingen in groep 4 t/m 7 in 2020 gemiddeld 20 procent minder vooruitgang boekten ten opzichte van voorgaande jaren, vanwege de scholensluiting. Onder leerlingen uit laagopgeleide huishoudens was dit leerverlies nog eens 55 procent groter ten opzicht van de gehele populatie (Engzell, Frey & Verhagen, 2020).

Dit resultaat wordt bevestigd door onderzoekers van de Werkplaats Onderwijsonderzoek Utrecht, die vonden dat kinderen in groep 5 t/m 7 gemiddeld 2 tot 3 maanden leerachterstand opliepen tijdens de eerste schoolsluiting in het voorjaar van 2020 (Henrichs et al, 2021).

Van de schoolleiders in het voortgezet onderwijs dacht na de zomervakantie van 2020 85 procent dat vmbo-leerlingen gemiddeld genomen onderwijsachterstand hadden opgelopen. Voor de zomervakantie lag dit op 64 procent van de schoolleiders. Onder havo- en vwo-leerlingen verwacht 84 procent van de schoolleiders gemiddeld genomen een onderwijsachterstand (Inspectie van het Onderwijs, 2020).

In het voortgezet onderwijs werd gevonden dat het gemiddelde cijfer over alle leerlingen significant daalde van een 6,66 in 2019 naar een 6,58 in 2020, deze daling is sterker dan in voorgaande jaren. De daling was het sterkst onder havo-leerlingen waar het gemiddelde ging van een 6,45 naar een 6,32. Het aandeel leerlingen in het vo met gemiddeld een 5 of lager steeg in 2020 van 2 naar 4 procent (TIG, 2021).

Ervaring ouders

Uit onderzoek van Opvoedinformatie Nederland, Ouders & Onderwijs en Kassa blijkt dat ouders tijdens de eerste lockdown in 2020 over het algemeen tevreden waren met de maatregelen die scholen namen om het onderwijs door te laten gaan in tijden van corona. Twee op de drie ouders gaf aan tevreden te zijn met hoe het afstandsonderwijs door de school werd ingericht. Daarnaast was 70 procent van de ouders tevreden over het contact met de leraar in deze periode (Opvoedinformatie Nederland, 2020).

Ook uit onderzoek van KBA Nijmegen komt naar voren dat twee op de drie ouders met kinderen in het primair onderwijs tijdens de eerste lockdown tevreden was over de ondersteuning van school bij het afstandsonderwijs. Ruim de helft was tevreden met het contact met de leraar, maar ook een kwart vond dat dit contact er onvoldoende was (Smeets, 2020).

54 procent van de ouders met kinderen in het basisonderwijs ervaarde in 2020 meer stress in tijden van het afstandsonderwijs en 27 procent ervaarde minder stress. Van deze ouders denkt 40 procent dat het kind minder goed leerde dan voor de coronacrisis. Onder ouders met kinderen op het voortgezet onderwijs was dit 56 procent (Bakx e.a., 2020a).

Kansenongelijkheid

Uit onderzoek aan het begin van de coronacrisis van de Universiteit van Amsterdam blijkt dat ouders met kinderen op het vmbo minder betrokkenheid van de school ervaren bij het thuisonderwijs van het kind, dan ouders met kinderen op het vwo. Zo blijkt uit reacties van ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs uit het LISS-panel (Langlopende Internet Studies voor de Sociale Wetenschappen). Van de ouders van leerlingen in het vmbo geeft 65 procent aan dat er digitale lessen worden aangeboden vanuit de school. Onder ouders met leerlingen in het vwo is dit 85 procent (Bol, 2020).

Daarnaast blijkt dat hoogopgeleide ouders (afgeronde hbo- of wo-opleiding) zelf vaker en beter in staat zijn om hun kind te helpen bij het thuisonderwijs dan ouders met een lager opleidingsniveau (ouders die enkel de basis- of voortgezet onderwijs hebben afgerond). Van de universitair opgeleide ouders geeft 70 procent aan hun kind vaak tot heel vaak te helpen. Onder die enkel het basis- of voortgezet onderwijs hebben doorlopen is dit 50 procent. 80 procent van de hoogopgeleide ouders (afgeronde hbo of wo-opleiding) voelt zich goed in staat om hulp aan het kind te bieden, terwijl onder de lager opgeleide ouders 63 procent dit aangeeft (Bol, 2020).

Onderzoekers van de Radboud Universiteit, e-Loo, de VO-raad en KBA Nijmegen tonen aan dat 26,8% van de leerlingen in het voortgezet onderwijs tijdens de eerste lockdown in 2020 niet over een goede thuiswerkplek beschikte. Met name in het vmbo en het praktijkonderwijs was dit het geval (31%). Een goede werkplek lijkt bij te dragen aan een betere leermotivatie bij de leerlingen (Geijsel, Jenniskens & Höppener, 2020)

Laatst bewerkt: 27 mei 2021


Gebruikte publicaties

Studievoortgang

De coronacrisis blijkt van invloed te zijn op de studievoortgang binnen het hoger onderwijs. In het voorjaar van 2020 waren er circa 54 duizend meer studenten die aangaven achterstand opgelopen te hebben met betrekking tot hun studie, in vergelijking met twee jaar geleden. Met name in het hbo leverde het thuisonderwijs veel achterstanden op, door onder andere een gebrek aan laboratoria en praktijkruimtes (32 procent), het uitvallen van lessen (36 procent) en het wegvallen van de stage (27 procent). Ook gaf bijna een derde van de studenten aan minder studiepunten te hebben gehaald (Warps & Van den Broek, 2020).

Ook in het mbo ervaart men knelpunten tijdens de coronacrisis. 21 procent van de studenten geeft aan studieachterstand op te hebben gelopen. 32 procent geeft aan vaak niet goed thuis te kunnen studeren. Volgens 62 procent van deze studenten omdat de kwaliteit van de lessen minder goed is dan op school (JOB, 2020).

In een studie van onderzoekers van de Open Universiteit in juni geeft 60 procent van de studenten in het mbo aan dan zij tijdens de lockdown minder hebben geleerd dan normaal. 28 procent ziet geen verschil en 14 procent denkt zelf meer te hebben geleerd. Onder de docenten komen vergelijkbare percentages naar voren als wordt gevraagd naar de leerontwikkeling van de studenten (De Jong & Lans, 2020).

In maart 2021 gaf 37 procent van de studenten aan de Radboud Universiteit aan studievertraging te hebben opgelopen door de coronacrisis. Het grootste deel geeft tot een half jaar vertraging aan. Veel studenten achten zich minder goed in staat om te studeren (Radboud Universiteit, 2021).

Opvallend genoeg laten andere cijfers van VH en VSNU zien dat de sluiting van de hogescholen en universiteiten in het najaar van 2020 nog niet heeft geleid tot een afname in het aantal behaalde studiepunten onder studenten. Het kan zijn dat er in de tweede helft van het schooljaar wel duidelijke achterstanden is ontstaan, omdat bepaalde studieonderdelen nu vooruitgeschoven werden. Deze cijfers zijn overigens geen totaalcijfers.

Ook is in 2020 het aantal gediplomeerden in het mbo gelijk gebleven en in het hoger onderwijs zelfs licht gestegen, van 159.838 naar 150.443. Een verklaring kan zijn dat er veel aandacht was voor de laatstejaars studenten in het afgelopen schooljaar. Het kan zijn dat de studenten die nu in het laatste jaar zijn aangetreden meer achterstanden hebben voor het behalen van hun diploma (Ministerie van OCW, 2020).

Studiemotivatie

In een studie van Brink, van den Broek & Ramakers laat 40 procent van de studenten in het hoger onderwijs weten zich minder goed te kunnen concentreren bij het thuisonderwijs. Het overgrote deel heeft meer behoefte aan onderwijs op de instelling, namelijk vier op de vijf studenten. Dit speelt het sterkst onder studenten die nu veel onderwijs op afstand volgen. Vooral interactie met medestudenten wordt gemist. In het wo geeft 72 procent van de studenten dit aan en in het hbo 54 procent (Brink, van den Broek & Ramakers, 2020).

Eenzelfde conclusie trok Caring Universities na onderzoek onder 2.507 studenten in het wetenschappelijk onderwijs. 56 procent van de studenten geeft aan dat zij zich slecht kunnen concentreren (Struijs, 2020). 

Onderzoek van Turner laat zien dat zo’n 62 procent van de mbo-studenten door corona minder motivatie heeft om aan de studie te werken. Ook hier wordt sociaal contact het meest gemist. 60 procent geeft aan minder sociaal contact te hebben met medestudenten of docenten (Crezee & Engelbert, 2020).

Uit een peiling van VICE Nederland komen tevens veel negatieve geluiden over het studeren in coronatijd. 75 procent van de studenten mist motivatie en 78 procent voelt zich minder productief. 86 procent van de studenten mist het contact met medestudenten (VICE, 2020).

Van de studenten aan de Radboud Universiteit geeft ruim de helft (57 procent) van de studenten aan dat zij door de coronacrisis minder goed in staat zijn om te studeren. Vooral structuur aan de studie geven (60 procent) en motivatie (45 procent) opbrengen blijken lastig.

Uitval en doorstroom

De coronamaatregelen hebben niet gezorgd voor meer studenten die voortijdig stoppen met hun opleiding. De uitval in het mbo is in 2019-2020 licht gedaald, ook binnen het entree-onderwijs en op niveau 2. Binnen het hoger onderwijs is de uitval aanzienlijk gedaald, maar dit kan ook te maken hebben met het tijdelijke opschorten van het bindend studieadvies.

Voor de doorstroom naar vervolgopleidingen zijn bepaalde mogelijkheden gecreëerd, zodat studenten in bepaalde gevallen ook kunnen doorstromen zonder dat ze hun diploma al binnen hebben. Ongeveer 1.200 mbo-4 studenten stroomde door naar het hbo zonder diploma, maar met de verwachting dat zij hun mbo-diploma voor 1 januari zouden halen. Daarnaast zijn ongeveer 2.700 wo-bachelor studenten zonder bachelor-diploma begonnen aan hun master.

Er was sprake van een stijging van 2 procent van mbo-4 studenten die doorstromen naar het hbo. Ook was er een sterke toename van het aantal vo-scholieren dat doorstroomde naar het mbo, hbo of wo, waarschijnlijk door de hoge slagingspercentages.

Stages en leerbanen

Uit cijfers van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) blijkt daarnaast dat er begin mei 2021 in het mbo een tekort was aan 13.117 stageplekken en leerbanen. Eind februari lag dit tekort nog op ongeveer 20.000. De grootste tekorten zitten in de sectoren zorg, welzijn en gastvrijheid (SBB, 2021).

Laatst bewerkt: 27 mei 2021


Welbevinden

Volgens EenVandaag had zo'n 74 procent van de jongeren in Nederland last van psychische klachten. Jongeren hebben het meest last van stress (40 procent), eenzaamheid (38 procent) en aanhoudende vermoeidheid (36 procent). In april lag dit percentage lager; toen had 31 procent last van stress, had 19 procent vermoeidheidsklachten en voelde 26 procent zich eenzaam (Kester, 2020).

Uit onderzoek van de Kenniswerkplaats Leefbare Wijken komt specifiek naar voren dat relatief veel jongeren tussen de 18 en 34 jaar vaker gestrest (32 procent) en angstig (22 procent) zijn door corona. Het gaat om een relatief groter aandeel dan onder oudere leeftijdsgroepen. Onder 50-64 jarigen heeft 18 procent meer stress en is 13 procent vaker angstig (Engbersen et al, 2020).

In Noord-Oost Gelderland blijkt dat onder de leeftijdsgroep 18-27 jaar het percentage dat aangeeft psyschisch ongezond te zijn tussen april 2020 en februari 2021 is gestegen van 23 naar 44 procent. Een veel sterkere stijging dan onder andere leeftijdsgroepen (GGD Noord-Oost Gelderland, 2021). 

Ook het Emma Kinderziekenhuis Amsterdam UMC concludeert een afname van het mentaal welbevinden van kinderen en jongeren tijdens de eerste lockdown in april. Onder jongeren tussen de 8 en 18 jaar werden meer mentale klachten ervaren dan tijdens de vorige uitvraag in 2018. Het gaat om meer slaapproblemen (5 procent), angstklachten (15 procent) en gevoelens van somberheid (10 procent) (Amsterdam UMC, 2020).

De Kindertelefoon concludeert dat het aantal gesprekken met kinderen is toegenomen ten opzichte van voorjaar 2019, van gemiddeld 4 per dag naar gemiddeld 6,5 per dag. Eenzaamheid bleek een belangrijk thema. Van de kinderen die gesprekken voerden over eenzaamheid gaf 26 procent aan dat zij zich specifiek door corona eenzaam voelen. 23 procent gaf aan dat zij zich daarvoor al eenzaam voelden, maar dat corona de eenzaamheid heeft verergerd (De Kindertelefoon, 2020). 

Tijdens de lockdown in december 2020 en januari 2021 werden volgens de Kindertelefoon meer gesprekken gevoerd over emotionele problemen met kinderen en jongeren. Gesprekken over emotionele problemen namen met 21 procent toe. Chats duurden meestal langer en er werden zwaardere onderwerpen besproken in vergelijking met een jaar eerder. Vergeleken met de lockdown in het voorjaar van 2020 werden er 31 procent meer gesprekken gevoerd over zelfdoding, 31 procent meer over eenzaamheid, 16 procent meer over depressie en 12 procent meer over angsten (De Kindertelefoon, 2021).

Ook de gesprekken met de hulplijn voor zelfmoordpreventie namen toe. 113 Zelfmoordpreventie analyseerde ruim 5.000 gesprekken gevoerd voor de coronacrisis en ruim 3.400 gesprekken tijdens de eerste lockdown. Het grootste deel van de gesprekken (80%) is gevoerd met (jong)volwassenen onder de 30 jaar. Onder hulpvragers onder de 30 jaar nam het aantal gesprekken waarin de hulpvrager negatieve emoties had met 22% toe. Het aantal gesprekken waarin de hulpvrager aangaf geen vertrouwen in zichzelf of een ander te hebben nam met 15% toe. Onder alleenstaanden nam het aantal gesprekken over plannen om zelfmoord te plegen met 52% toe (113 Zelfmoordpreventie, 2020).

De afname van het welbevinden onder jongeren wordt bevestigd door I&O Research. Uit hun onderzoek komt naar voren dat 69 procent van de 18-24 jarigen zich eenzamer voelt sinds de coronacrisis. Onder 25-plussers is dit een stuk lager, namelijk 34%. Ook geeft bijna de helft van de jongeren aan dat zij zich minder goed voelen dan voor de coronacrisis (I&O Research, 2020).

Vooral onder studenten lijken er veel mentale klachten te spelen. Zijlmans et al. (2020) schatten dat het met zo’n 30.000 tot 35.000 studenten mentaal en sociaal niet goed gaat. Deze problemen lijken hoger onder studenten die vooral op afstand onderwijs volgen.

Opvallend is dat het CBS, in een jaarlijkse rapportage van zelf-gerapporteerde psychische gezondheid, geen significante verschillen vindt voor alle leeftijdsgroepen ten opzichte van voorgaande jaren. Tussen 2017 en 2020 was er voor alle leeftijdsgroepen geen significante verandering zichtbaar. Wel nam de psychische gezondheid af onder alleenstaanden onder de 40 jaar. In 2019 noemde onder deze groep ongeveer één op de vijf zich psychisch ongezond, in 2020 was dit één op de vier (CBS, 2021a).

Daarnaast rapporteerde het CBS cijfers over het welzijn onder de Nederlandse bevolking. Hoewel de gerapporteerde score die 18-25 hun leven (7,4) geven in 2020 iets lager lag dan in 2019 (7,5), nam het percentage jongeren dat zich ongelukkig voelt juist af van 4,4 naar 3,8 procent (CBS, 2021b).

Laatst bewerkt: 27 mei 2021


Gebruikte publicaties

Werkloosheid onder jongeren

Met name jongeren worden economisch hard getroffen tijdens de coronacrisis, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Na een snelle stijging van de werkloosheid in het voorjaar van 2020, is het werkloosheidspercentage onder 15 tot 25-jarigen tussen augustus en april weer gedaald: van 11,3 procent in augustus naar 8,8 procent in februari. Vergeleken met februari 2020, toen corona nog niet aanwezig was, is de werkloosheid onder jongeren gestegen met 2,5 procent. 

De grote stijging van de werkloosheid is deels te verklaren doordat in de meest getroffen sectoren vooral veel jongeren werkzaam zijn. Zo werkte begin 2020 een groot deel van de 15 tot 25-jarigen (13 procent) voor eet- en drinkgelegenheden. Daarnaast hadden veel jongeren tijdelijke contracten of werken als uitzendkracht. In het eerste kwartaal van 2020 had slechts 21 procent van de 15 tot 25-jarigen een vaste arbeidsrelatie. Onder jongeren zonder startkwalificatie had zelfs een kleine 80 procent geen vaste arbeidsrelatie. 697 duizend jongeren tussen de 15 en 25 jaar combineerden onderwijs met een baan op flexibel contract en 75 duizend jongeren werken als zelfstandige (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020).

Ook het aantal jongeren van 15 tot 29 jaar dat zonder werk en opleiding en opleiding (NEET) zit, steeg sinds de coronacrisis. In het eerste kwartaal van 2020 ging het om 5,2 procent van de jongeren, waar dit in het vierde kwartaal 5,9 procent betrof (Eurostat, 2020).

.

Laatst bewerkt: 27 mei 2021


Jeugdzorg

Geleverde jeugdzorg

Het CBS publiceerde cijfers over de geleverde jeugdzorgtrajecten in de eerste helft van 2020. Dit lag lager dan in voorgaande jaren. Ten opzichte van de eerste helft van 2019 was er sprake van een daling van 6 procent. Dit lijkt vooral te maken te hebben met minder gestarte trajecten in de maanden maart, april, mei en juni. In april en mei 2020 laag het aantal gestarte trajecten respectievelijk 35 en 39 procent lager dan in 2019 (CBS, 2020). 

Jeugdhulp

De jeugdhulp lijkt flink getroffen door de coronacrisis. Uit onderzoek van onderzoeksbureau Gupta blijkt dat 30.000 van de 443.265 jeugdigen die jeugdzorg ontvangen in Nederland, tijdelijk geen zorg kregen tijdens de eerste coronagolf. Daarnaast is voor circa 130.000 jeugdigen de zorg tijdelijk aangepast of verminderd. Dagbehandeling en diagnostiek zijn afgezegd en veel ambulante zorg vond gedeeltelijk en online plaats (Grupta Strategists, 2020).

Uit onderzoek van de Jeugdautoriteit blijkt dat volgens 72 procent van de ondervraagde jeugdhulpaanbieders er minder ambulante hulp plaatsvindt in vergelijking met voor de coronacrisis. 51 procent geeft aan minder residentiële jeugdhulp te leveren (Jeugdautoriteit, 2020).

Onderzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd liet ook zien dat veel preventieve en ambulante hulp werd uitgesteld. Residentiële- en crisishulp liep wel door. 60 procent van de bevraagde jeugdhulpaanbieders heeft jeugdhulp moeten uitstellen en 29% heeft zelfs hulp moeten afstellen. Ook kon bij 32 procent van de ondervraagde jeugdhulpaanbieders met residentieel aanbod het bezoek van ouders geen doorgang vinden (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, 2020).

Jeugdbescherming

De Raad van Kinderbescherming rapporteerde in de eerste helft van 2020 duidelijke verschillen in het aantal beschermingsonderzoeken. Er was sprake van een daling in het aantal onderzoeken op gebied van Gezag en Omgang (van 2.500 naar 2.000), schoolverzuim (van 1.200 naar 760) en in het aantal strafzaken (van 5.350 naar 4.900). Als verklaring voor de daling van het aantal strafzaken werd genoemd dat jongeren minder uitgaan en samenkomen. Ook zijn werk- en leerstraffen vanwege corona moeilijker te organiseren. In de eerste helft van 2020 was er een lichte stijging van het aantal beschermingsonderzoeken: van 8.800 in 2019 naar 9.000 in 2020. Vooral in het eerste kwartaal van 2020 waren er meer onderzoeken, tijdens de lockdown waren dit er weer minder (Raad van Kinderbescherming, 2020).

Laatst bewerkt: 27 mei 2021


Veiligheid

Het aantal gesprekken met de Kindertelefoon was in de eerste maand van de corona-lockdown (16 maart tot en met 12 april 2020) een stuk hoger dan voor de lockdown. In 2019 voerde men nog ongeveer 1.000 gesprekken per dag. Tijdens de lockdown waren het er circa 1.500. Het aandeel gesprekken over de onderwerpen 'thuis en familie' en 'geweld' is in deze periode toegenomen. Daarnaast valt een verschuiving te zien op het gebied van pesten. De Kindertelefoon registreerde 36 procent minder gesprekken over fysiek pesten, maar zag tegelijkertijd een verdubbeling van het aantal gesprekken over online pesten (De Kindertelefoon, 2020). 

Toch leek tijdens de eerste lockdown het huiselijk geweld in kwetsbare gezinnen niet toegenomen, zo blijkt uit onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut. Het gaat om gezinnen die in beeld zijn bij Veilig Thuis vanwege vermoedens van huiselijk geweld. Voor de coronacrisis bleek in 50,3% van deze gezinnen dat er sprake was van veelvuldig of ernstig geweld. Na de lockdown ging het om 53,3 procent van de gezinnen. Dit verschil is niet significant (Steketee e.a., 2020).

De Raad van de Kinderbescherming (RvdK) geeft aan dat het aantal beschermingsonderzoeken binnen gezinnen in de eerste helft van 2020 redelijk stabiel is gebleven, ten opzichte van 2019. In de eerste helft van 2019 waren er circa 8.800 zaken. In de eerste helft van 2020 ging het om 9.000. Tijdens de lockdown nam het aantal verzoeken tot beschermingsonderzoeken af, ten opzichte van de eerste maanden van 2020. Het aantal spoedzaken is niet toegenomen (De Raad van de Kinderbescherming, 2020).

Onderzoekers van de Universiteit Leiden vonden echter wel een toename van kindermishandeling binnen gezinnen. Zo stellen zij op basis van vermoedens van professionals in het onderwijs en kinderopvang die als informant fungeerden. Volgens het onderzoek zouden naar schatting 40.000 kinderen tijdens de lockdown te maken hebben gehad met kindermishandeling, waar dit bij een eerdere meting in 2017 om 15.000 kinderen ging. Onder slechts 8,6 procent van de informanten is het gerapporteerde vermoeden ontstaan tijdens de lockdown. Onder de helft van de informanten is het vermoeden tijdens de lockdown versterk (Vermeulen, van Berkel & Alink, 2021).

Laatst bewerkt: 27 mei 2021


Gebruikte publicaties

Zorgen onder kinderen en jongeren

Uit het Praatmee-onderzoek van het Nederlandse Jeugdinstituut blijkt dat 18- tot 27-jarigen vooral onzeker zijn over hun werk en inkomen: 45 procent geeft aan op dit vlak zorgen te hebben in tijden van corona. 37 procent van deze groep maakt zich zorgen over de mentale gezondheid. In de leeftijdsgroep 13 tot 18 jaar zijn vooral de studie en de voortgang daarvan (40 procent) en het sociale leven (44 procent) punten van zorg. Van de kinderen onder de 13 jaar geeft 94 procent aan bepaalde aspecten van de coronacrisis niet leuk te vinden. Met name het afstand houden, het minder zien van opa en oma en de angst voor het virus worden als negatief gezien (Nederlands Jeugdinstituut, 2020). 

Laatst bewerkt: 27 juli 2020


Financiële gevolgen voor studenten

23 procent van de studenten ontvangt sinds de coronacrisis minder inkomsten uit arbeid. Eén op de vijf studenten had in oktober helemaal geen inkomen meer, terwijl dit voor de coronacrisis nog wel het geval was. Onder 5 procent van de studenten was er sinds de corona-uitbraak meer inkomsten uit een DUO-lening of uit ouderlijke bijdragen (Van Huijsduijnen et al, 2020).

Uit onderzoek van Save the Children kwam naar voren dat 40 procent van de bijna 15 duizend ondervraagde mbo-studenten (ouder dan 16 jaar) minder kon werken of zijn of haar bijbaan verloor vanwege de coronacrisis. Daarnaast geeft bijna 40 procent aan ondersteuning nodig te hebben om niet in financiële problemen te komen (Save the Children, 2020).

Uit een ander onderzoek van het Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) blijkt dat ongeveer 20 procent van de studenten zich serieus zorgen maakt over de financiële situatie waar zij zich in bevinden. Studievertraging en het moeilijk vinden van werk en stages zorgen ervoor dat studenten minder snel aan een inkomen komen (Warps & van de Broek, 2020).

Laatst bewerkt: 28 januari 2021


Jongeren en de coronamaatregelen

Jongeren denken graag mee over de inrichting van het beleid en de maatregelen met betrekking tot het coronavirus. In een panelonderzoek van EenVandaag begin juni 2020 zegt 52 procent van de 16 tot en met 24-jarigen dat ze niet goed genoeg worden betrokken bij het coronabeleid. 71 procent van de jongeren vindt het belangrijk dat jongeren hier wel bij worden betrokken. Ten tijde van het onderzoek was bijna de helft van de jongeren voor verdere versoepeling van de maatregelen voor jongeren. Een groot deel van de jongeren geeft aan dat ze het naar hun gevoel op veel vlakken lastiger hebben dan voorgaande generaties (Kamphuis, 2020).

Ook uit een onderzoek van Save the Children onder mbo-leerlingen komt naar voren dat veel jongeren moeite hebben met de coronamaatregelen, namelijk 85 procent van de ondervraagden. Vooral omdat de maatregelen invloed hebben op het sociale leven van de jongeren en spanningen thuis kunnen oplopen (Save the Children, 2020).

Uit een enquête van ISO, die tussen september en december werd uitgezet, blijkt dat 27 procent van de studenten zich op moment van bevraging niet kon vinden in de coronamaatregelen. 19 procent vindt dat jongeren door de maatregelen te veel beperkt worden (Geels et al., 2021).

Laatst bewerkt: 27 mei 2021


Gebruikte publicaties

Opvoeden

Uit een peiling van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid blijkt dat een groot deel van de ouders de opvoeding momenteel als moeilijk ervaren. Voor de coronacrisis gaf één op de tien ouders aan uit balans te zijn als het gaat om de balans tussen draagkracht en draaglast in de opvoeding van het kind. Bij de peiling in juni gaf maar liefst de helft van de ouders dit aan. Een derde van de ouders geeft de balans een onvoldoende. 39 procent van de ouders ervaart weinig steun van anderen (partner, familie, vrienden of buren) tegenover 17 procent voor de coronacrisis. Daarnaast lijkt het aanpassingsvermogen van ouders te zijn afgenomen. Bijna de helft van de ouders vindt het moeilijk om veranderingen en plotselinge gebeurtenissen op te vangen. Voor de crisis vond 7,5 procent van de ouders dat moeilijk (Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, 2020).  

Ook onderzoek van onderzoekers aan de Universiteit Utrecht, Universiteit van Amsterdam en de Radboud Universiteit laat zien dat de coronacrisis veel invloed heeft op het ouderschap. In november 2020 werkte bijna een kwart procent van de ouders geheel thuis ten opzichte van 15 procent in september. 37 procent van de ouders geeft aan meer werkdruk te ervaren door de schoolsluiting. Moeders (42 procent) geven hierbij vaker aan meer werkdruk te ervaren dan vaders (31 procent). Ouders zijn naar eigen zeggen meer tijd kwijt met de zorg van hun kind sinds de coronacrisis. Wel lag het percentage ouders dat aangeeft extra tijd aan zorg te besteden in november lager dan in juni: 53 om 32 procent (Yerkes et al., 2020).

Ook onderzoek van de GGD IJssellland laat zien dat ouders met kinderen van 0-12 jaar relatief veel stress ervaren tijdens de coronacrisis. In maart 2021 geeft 40 procent van de ouders aan meer stress te ervaren en vindt het opvoeden zwaarder tijdens de coronacrisis. Tegelijkertijd geeft driekwart van de ouders aan dat zij ook positieve gevolgen zien van de coronacrisis. Zoals dat er meer tijd vrijkomt om met het gezin door te brengen. Een deel van de ouders heeft behoefte aan meer ondersteuning bij het opvoeden. Hiervan zegt 30 procent vooral behoefte te hebben aan een luisterend oor en 26 procent zou graag in contact komen met een psycholoog (GGD IJssellland, 2021). 

Verhoudingen tussen vaders en moeders

In april zei 22 procent van de vaders door de coronacrisis (iets) meer zorgtaken op zich te nemen in de opvoeding van het kind. In november daalde dit naar 18 procent. Onder moeders zegt ongeveer één op de vijf meer zorgtaken op zich te nemen. In november. Zo blijkt uit onderzoek van de Universiteit Utrecht, de Universiteit van Amsterdam en de Radboud Universiteit (Yerkes et al., 2020).

Laatst bewerkt: 27 mei 2021


Gebruikte publicaties

Definitie

Het coronavirus heeft sinds maart 2020 grote gevolgen voor het leven van kinderen, jongeren, ouders en ook professionals in bijvoorbeeld kinderopvang en onderwijs. Na een periode van veel beperkingen krijgen kinderen, jongeren en opvoeders steeds meer bewegingsvrijheid. Om zicht te krijgen op de impact daarvan op kinderen, jongeren en het opvoeden zijn de inmiddels diverse onderzoeken uitgevoerd. Door de snelle veranderingen in de maatregelen en andere omstandigheden, betreffen deze onderzoeken steeds een momentopname.

Meer informatie

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies. Sluit mededeling over cookies