Mediagebruik

Het dichtgaan van de scholen heeft volgens ouders uit het Landelijk Ouderpanel invloed gehad op het mediagebruik van kinderen (0-18 jaar). 41 procent van de ouders die thuiswerkten door corona gaf aan meer mediagebruik toe te laten. Van de ouders die niet thuiswerken liet zelfs 50 procent hun kinderen meer schermtijd toe. De ouders geven aan dat het een lastige opgave is om kinderen bezig te houden zonder school en andere vormen van vrijetijdsbesteding (Opvoedinformatie Nederland, 2020).

Uit onderzoek van Terres des Hommes komt naar voren dat 45 procent van de ondervraagde ouders zich enigszins zorgen maakt over te veel beeldschermgebruik van hun kind (Terres des Hommes, 2020).

Laatst bewerkt: 28 januari 2021


Gebruikte publicaties

Beweging door kinderen

Volgens 40 procent van de ouders met kinderen tussen de 4 en 11 jaar zijn hun kinderen minder gaan bewegen in april 2020, op het moment dat dat scholen dicht waren en er geen georganiseerde activiteiten plaatsvonden. Zo blijkt uit onderzoek van het Mulier Instituut. Hierbij wordt de vergelijking gemaakt met hoeveel de kinderen bewogen in voorgaande jaren rond deze tijd. 58 procent van de ouders ervaart belemmeringen in het stimuleren van beweging van hun kinderen (Slot-Heijs, de Jonge,  Lucassen & Singh, 2020).

Deze ervaringen van ouders worden bevestigd door een onderzoek van het NOC*NSF. Het NOC*NSF stelt dat kinderen in april 2020 veel minder sportten dan normaal rond deze tijd. In april 2019 deed nog 85 procent van de kinderen wekelijks aan sport, in april 2020 was dit slechts 35% (NOC*NSF, 2020a).

In de sportdeelname index NOC*NSF komt naar voren dat veel kinderen en jongeren aangeven tussen maart en oktober minder vaak te sporten dan voor de coronacrisis. Onder 5-12 jarigen gaf 37 procent van de ondervraagden dit aan, onder 13-18 jarigen was dit 44 procent en onder 19-30 jarigen 46 procent. Voornamelijk vanwege het sluiten van verenigingen en het stopzetten van competities (NOC*NSF, 2020b).  

Het MUMC concludeert uit onderzoek dat 75 procent van de ondervraagde kinderen tussen 4 en 18 jaar minder is gaan bewegen tijdens de coronacrisis. Gemiddeld wordt zo’n 51 minuten per dag minder bewogen. Daarnaast is bij 20 procent van de kinderen het gewicht toegenomen. Onder kinderen die al te maken hadden met overgewicht gaat dit zelfs om 40 procent (MUMC, 2020).

Laatst bewerkt: 28 januari 2021


Gebruikte publicaties

Afstandsonderwijs

Vorderingen leerlingen

Uit een peiling van de Algemene Vereniging Schoolleiders (AVS) onder 726 schooldirecteuren blijkt dat de meeste scholen (77 procent) zicht hebben op de vorderingen van de leerlingen in de periode van thuisonderwijs. Volgens de schooldirecteuren is het niveau van de meeste leerlingen (60 procent) gelijk gebleven. Bij 18 procent is er een kleine achterstand opgelopen en 13 procent is erop vooruitgegaan (Algemene Vereniging Schoolleiders, 2020).

Onderzoek van de Universiteit van Oxford toonde aan dat basisschoolleerlingen in groep 4 t/m 7 gemiddeld 20 procent minder vooruitgang boekten ten opzichte van voorgaande jaren, vanwege de scholensluiting. Onder leerlingen uit laagopgeleide huishoudens was dit leerverlies nog eens 55 procent groter ten opzicht van de gehele populatie (Engzell, Frey & Verhagen, 2020).

Dit resultaat wordt bevestigd door onderzoekers van de Werkplaats Onderwijsonderzoek Utrecht, die vonden dat kinderen in groep 5 t/m 7 gemiddeld 2 tot 3 maanden leerachterstand opliepen tijdens de eerste schoolsluiting in het voorjaar (Henrichs et al, 2021).

Ervaring ouders

Uit onderzoek van Opvoedinformatie Nederland, Ouders & Onderwijs en Kassa blijkt dat ouders over het algemeen tevreden zijn met de maatregelen die scholen hebben genomen om het onderwijs door te laten gaan in tijden van corona. Twee op de drie ouders geeft aan tevreden te zijn met hoe het afstandsonderwijs door de school werd ingericht. Daarnaast is 70 procent van de ouders tevreden over het contact met de leraar in deze periode (Opvoedinformatie Nederland, 2020).

Ook uit onderzoek van KBA Nijmegen komt naar voren dat twee op de drie ouders met kinderen in het primair onderwijs tevreden is over de ondersteuning van school bij het afstandsonderwijs. Ruim de helft was tevreden met het contact met de leraar, maar ook een kwart vond dat dit contact er onvoldoende was (Smeets, 2020).

54 procent van de ouders met kinderen in het basisonderwijs ervaarde meer stress in tijden van het afstandsonderwijs en 27 procent ervaarde minder stress. Van deze ouders denkt 40 procent dat het kind minder goed leerde dan voor de lockdown. Onder ouders met kinderen op het voortgezet onderwijs was dit 56 procent (Bakx e.a., 2020a, Nakx e.a., 2020b).

Kansenongelijkheid

Uit onderzoek van de Universiteit van Amsterdam blijkt dat ouders met kinderen op het vmbo minder betrokkenheid van de school ervaren bij het thuisonderwijs van het kind, dan ouders met kinderen op het vwo. Zo blijkt uit reacties van ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs uit het LISS-panel (Langlopende Internet Studies voor de Sociale Wetenschappen). Van de ouders van leerlingen in het vmbo geeft 65 procent aan dat er digitale lessen worden aangeboden vanuit de school. Onder ouders met leerlingen in het vwo is dit 85 procent (Bol, 2020).

Daarnaast blijkt dat hoogopgeleide ouders (afgeronde hbo- of wo-opleiding) zelf vaker en beter in staat zijn om hun kind te helpen bij het thuisonderwijs dan ouders met een lager opleidingsniveau (ouders die enkel de basis- of voortgezet onderwijs hebben afgerond). Van de universitair opgeleide ouders geeft 70 procent aan hun kind vaak tot heel vaak te helpen. Onder die enkel het basis- of voortgezet onderwijs hebben doorlopen is dit 50 procent. 80 procent van de hoogopgeleide ouders (afgeronde hbo of wo-opleiding) voelt zich goed in staat om hulp aan het kind te bieden, terwijl onder de lager opgeleide ouders 63 procent dit aangeeft (Bol, 2020).

Onderzoekers van de Radboud Universiteit, e-Loo, de VO-raad en KBA Nijmegen tonen aan dat 26,8% van de leerlingen in het voortgezet onderwijs tijdens de eerste lockdown niet over een goede thuiswerkplek beschikte. Met name in het vmbo en het praktijkonderwijs was dit het geval (31%). Een goede werkplek lijkt bij te dragen aan een betere leermotivatie bij de leerlingen (Geijsel, Jenniskens & Höppener, 2020)

Laatst bewerkt: 28 januari 2021


Gebruikte publicaties

Studievoortgang

De coronacrisis blijkt van invloed te zijn op de studievoortgang binnen het hoger onderwijs. Dit jaar zijn er circa 54 duizend meer studenten die aangeven achterstand opgelopen te hebben met betrekking tot hun studie, in vergelijking met twee jaar geleden. Met name in het hbo leverde het thuisonderwijs veel achterstanden op, door onder andere een gebrek aan laboratoria en praktijkruimtes (32 procent), het uitvallen van lessen (36 procent) en het wegvallen van de stage (27 procent)(Warps & Van den Broek, 2020).

Ook in het mbo ervaart men knelpunten tijdens de coronacrisis. 21 procent van de studenten geeft aan studieachterstand op te hebben gelopen. 32 procent geeft aan vaak niet goed thuis te kunnen studeren. Volgens 62 procent van deze studenten omdat de kwaliteit van de lessen minder goed is dan op school (JOB, 2020).

Stages en leerbanen

Uit cijfers van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) blijkt daarnaast dat er begin december in het mbo een tekort was aan 19.281 stageplekken en leerbanen, een afname van 6 procent ten opzichte van begin oktober. De grootste tekorten zitten in de sectoren zorg, welzijn en gastvrijheid(SBB, 2020).

Laatst bewerkt: 30 oktober 2020


Welbevinden

Zo'n 74 procent van de jongeren in Nederland heeft last van psychische klachten. Jongeren hebben het meest last van stress (40 procent), eenzaamheid (38 procent) en aanhoudende vermoeidheid (36 procent). In april lag dit percentage lager; toen had 31 procent last van stress, had 19 procent vermoeidheidsklachten en voelde 26 procent zich eenzaam (Kester, 2020).

Uit onderzoek van de Kenniswerkplaats Leefbare Wijken komt specifiek naar voren dat relatief veel jongeren tussen de 18 en 34 jaar vaker gestrest (32 procent) en angstig (22 procent) zijn door corona. Het gaat om een relatief groter aandeel dan onder oudere leeftijdsgroepen. Onder 50-64 jarigen heeft 18 procent meer stress en is 13 procent vaker angstig (Engbersen et al, 2020).

De Kindertelefoon concludeert dat het aantal gesprekken met kinderen is toegenomen ten opzichte van voorjaar 2019, van gemiddeld 4 per dag naar gemiddeld 6,5 per dag. Eenzaamheid bleek een belangrijk thema. Van de kinderen die gesprekken voerden over eenzaamheid gaf 26 procent aan dat zij zich specifiek door corona eenzaam voelen. 23 procent gaf aan dat zij zich daarvoor al eenzaam voelden, maar dat corona de eenzaamheid heeft verergerd (De Kindertelefoon, 2020). 

Ook het Emma Kinderziekenhuis Amsterdam UMC concludeert een afname van het mentaal welbevinden van kinderen en jongeren tijdens de eerste lockdown in april. Onder jongeren tussen de 8 en 18 jaar werden meer mentale klachten ervaren dan tijdens de vorige uitvraag in 2018. Het gaat om meer slaapproblemen (5 procent), angstklachten (15 procent) en gevoelens van somberheid (10 procent) (Amsterdam UMC, 2020).

De afname van het welbevinden onder jongeren wordt bevestigd door I&O Research. Uit hun onderzoek komt naar voren dat 69 procent van de 18-24 jarigen zich eenzamer voelt sinds de coronacrisis. Onder 25-plussers is dit een stuk lager, namelijk 34%. Ook geeft bijna de helft van de jongeren aan dat zij zich minder goed voelen dan voor de coronacrisis (I&O Research, 2020).

Laatst bewerkt: 30 oktober 2020


Gebruikte publicaties

Werkloosheid onder jongeren

Met name jongeren worden economisch hard getroffen tijdens de coronacrisis, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Na een lange stijging van de werkloosheid, is het werkloosheidspercentage onder 15 tot 25-jarigen tussen augustus en december weer licht gedaald: van 11,3 procent in augustus naar 9,5 procent in november. Vergeleken met januari 2020, toen corona nog niet aanwezig was, is de werkloosheid onder jongeren gestegen met 3,8 procent.

De grote stijging van de werkloosheid is deels te verklaren doordat in de meest getroffen sectoren vooral veel jongeren werkzaam zijn. Zo werkte begin dit jaar een groot deel van de 15 tot 25-jarigen (13 procent) voor eet- en drinkgelegenheden. Daarnaast hebben veel jongeren tijdelijke contracten of werken als uitzendkracht. In het eerste kwartaal van 2020 had slechts 21 procent van de 15 tot 25-jarigen een vaste arbeidsrelatie. Onder jongeren zonder startkwalificatie heeft zelfs een kleine 80 procent geen vaste arbeidsrelatie. 697 duizend jongeren tussen de 15 en 25 jaar combineren onderwijs met een baan op flexibel contract en 75 duizend jongeren werken als zelfstandige (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020).

Ook het aantal jongeren van 15 tot 29 jaar dat zonder werk en opleiding en opleiding (NEET) zit, steeg sinds de coronacrisis. In het eerste kwartaal van 2020 ging het om 5,2 procent van de jongeren, waar dit in het derde kwartaal 4,6 procent betrof (Eurostat, 2020).

Laatst bewerkt: 7 januari 2021


Gebruikte publicaties

Geleverde jeugdzorg

De jeugdhulp is flink getroffen door de coronacrisis. Uit onderzoek van onderzoeksbureau Gupta blijkt dat 30.000 van de 443.265 jeugdigen die jeugdzorg ontvangen in Nederland, tijdelijk geen zorg kregen tijdens de eerste coronagolf. Daarnaast is voor circa 130.000 jeugdigen de zorg tijdelijk aangepast of verminderd. Dagbehandeling en diagnostiek zijn afgezegd en veel ambulante zorg vond gedeeltelijk en online plaats (Grupta Strategists, 2020).

Uit onderzoek van de Jeugdautoriteit blijkt dat volgens 72 procent van de ondervraagde jeugdhulpaanbieders er minder ambulante hulp plaatsvindt in vergelijking met voor de coronacrisis. 51 procent geeft aan minder residentiële jeugdhulp te leveren (Jeugdautoriteit, 2020).

Laatst bewerkt: 28 september 2020


Veiligheid

Het aantal gesprekken met de Kindertelefoon was in de eerste maand van de corona-lockdown (16 maart tot en met 12 april) een stuk hoger dan voor de lockdown. In 2019 voerde men nog ongeveer 1.000 gesprekken per dag. Tijdens de lockdown waren het er circa 1.500. Het aandeel gesprekken over de onderwerpen 'thuis en familie' en 'geweld' is in deze periode toegenomen. Daarnaast valt een verschuiving te zien op het gebied van pesten. De Kindertelefoon registreerde 36 procent minder gesprekken over fysiek pesten, maar zag tegelijkertijd een verdubbeling van het aantal gesprekken over online pesten (De Kindertelefoon, 2020). 

Toch leek tijdens de eerste lockdown het huiselijk geweld in kwetsbare gezinnen niet toegenomen, zo blijkt uit onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut. Het gaat om gezinnen die in beeld zijn bij Veilig Thuis vanwege vermoedens van huiselijk geweld. Voor de coronacrisis bleek in 50,3% van deze gezinnen dat er sprake was van veelvuldig of ernstig geweld. Na de lockdown ging het om 53,3 procent van de gezinnen. Dit verschil is niet significant (Steketee e.a., 2020).

De Raad van de Kinderbescherming (RvdK) geeft aan dat het aantal beschermingsonderzoeken binnen gezinnen in de eerste helft van 2020 redelijk stabiel is gebleven, ten opzichte van 2019. In de eerste helft van 2019 waren er circa 8.800 zaken. In de eerste helft van 2020 ging het om 9.000. Tijdens de lockdown nam het aantal verzoeken tot beschermingsonderzoeken af, ten opzichte van de eerste maanden van 2020. Het aantal spoedzaken is niet toegenomen (De Raad van de Kinderbescherming, 2020).

Onderzoekers van de Universiteit Leiden vonden echter wel een toename van kindermishandeling binnen gezinnen. Zo stellen zij op basis van vermoedens van professionals in het onderwijs en kinderopvang die als informant fungeerden. Volgens het onderzoek zouden naar schatting 40.000 kinderen tijdens de lockdown te maken hebben gehad met kindermishandeling, waar dit bij een eerdere meting in 2017 om 15.000 kinderen ging. Onder slechts 8,6 procent van de informanten is het gerapporteerde vermoeden ontstaan tijdens de lockdown. Onder de helft van de informanten is het vermoeden tijdens de lockdown versterk (Vermeulen, van Berkel & Alink, 2021).

Laatst bewerkt: 28 januari 2021


Gebruikte publicaties

Zorgen onder kinderen en jongeren

Uit het Praatmee-onderzoek van het Nederlandse Jeugdinstituut blijkt dat 18- tot 27-jarigen vooral onzeker zijn over hun werk en inkomen: 45 procent geeft aan op dit vlak zorgen te hebben in tijden van corona. 37 procent van deze groep maakt zich zorgen over de mentale gezondheid. In de leeftijdsgroep 13 tot 18 jaar zijn vooral de studie en de voortgang daarvan (40 procent) en het sociale leven (44 procent) punten van zorg. Van de kinderen onder de 13 jaar geeft 94 procent aan bepaalde aspecten van de coronacrisis niet leuk te vinden. Met name het afstand houden, het minder zien van opa en oma en de angst voor het virus worden als negatief gezien (Nederlands Jeugdinstituut, 2020). 

Laatst bewerkt: 27 juli 2020


Financiële gevolgen voor studenten

23 procent van de studenten ontvangt sinds de coronacrisis minder inkomsten uit arbeid. Eén op de vijf studenten had in oktober helemaal geen inkomen meer, terwijl dit voor de coronacrisis nog wel het geval was. Onder 5 procent van de studenten was er sinds de corona-uitbraak meer inkomsten uit een DUO-lening of uit ouderlijke bijdragen (Van Huijsduijnen et al, 2020).

Uit onderzoek van Save the Children kwam naar voren dat 40 procent van de bijna 15 duizend ondervraagde mbo-studenten (ouder dan 16 jaar) minder kon werken of zijn of haar bijbaan verloor vanwege de coronacrisis. Daarnaast geeft bijna 40 procent aan ondersteuning nodig te hebben om niet in financiële problemen te komen (Save the Children, 2020).

Uit een ander onderzoek van het Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) blijkt dat ongeveer 20 procent van de studenten zich serieus zorgen maakt over de financiële situatie waar zij zich in bevinden. Studievertraging en het moeilijk vinden van werk en stages zorgen ervoor dat studenten minder snel aan een inkomen komen (Warps & van de Broek, 2020).

Laatst bewerkt: 28 januari 2021


Jongeren en de coronamaatregelen

Jongeren denken graag mee over de inrichting van het beleid en de maatregelen met betrekking tot het coronavirus. In een panelonderzoek van EenVandaag begin juni 2020 zegt 52 procent van de 16 tot en met 24-jarigen dat ze niet goed genoeg worden betrokken bij het coronabeleid. 71 procent van de jongeren vindt het belangrijk dat jongeren hier wel bij worden betrokken. Ten tijde van het onderzoek was bijna de helft van de jongeren voor verdere versoepeling van de maatregelen voor jongeren. Een groot deel van de jongeren geeft aan dat ze het naar hun gevoel op veel vlakken lastiger hebben dan voorgaande generaties (Kamphuis, 2020).

Ook uit een onderzoek van Save the Children onder mbo-leerlingen komt naar voren dat veel jongeren moeite hebben met de coronamaatregelen, namelijk 85 procent van de ondervraagden. Vooral omdat de maatregelen invloed hebben op het sociale leven van de jongeren en spanningen thuis kunnen oplopen (Save the Children, 2020).

Uit een enquête van ISO, die tussen september en december werd uitgezet, blijkt dat 27 procent van de studenten zich op moment van bevraging niet kon vinden in de coronamaatregelen. 19 procent vindt dat jongeren door de maatregelen te veel beperkt worden (Geels et al., 2021).

Laatst bewerkt: 28 januari 2021


Gebruikte publicaties

Opvoeden

Uit een peiling van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid blijkt dat een groot deel van de ouders de opvoeding momenteel als moeilijk ervaren. Voor de coronacrisis gaf één op de tien ouders aan uit balans te zijn als het gaat om de balans tussen draagkracht en draaglast in de opvoeding van het kind. Bij de peiling in juni gaf maar liefst de helft van de ouders dit aan. Een derde van de ouders geeft de balans een onvoldoende. 39 procent van de ouders ervaart weinig steun van anderen (partner, familie, vrienden of buren) tegenover 17 procent voor de coronacrisis. Daarnaast lijkt het aanpassingsvermogen van ouders te zijn afgenomen. Bijna de helft van de ouders vindt het moeilijk om veranderingen en plotselinge gebeurtenissen op te vangen. Voor de crisis vond 7,5 procent van de ouders dat moeilijk (Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, 2020).  

Ook onderzoek van onderzoekers aan de Universiteit Utrecht, Universiteit van Amsterdam en de Radboud Universiteit laat zien dat de coronacrisis veel invloed heeft op het ouderschap. In april werkte bijna 54 procent van de ouders geheel of gedeeltelijk thuis. 40 procent werkt meer in avonduren en 31 procent meer in weekenden. Voor moeders lijken deze werkomstandigheden meer veranderd dan voor vaders. 35 procent van de ouders geeft aan meer werkdruk te ervaren door de schoolsluiting. Ongeveer de helft van de ouders geeft aan minder vrije tijd te ervaren (Yerkes et al., 2020).

Veranderende verhoudingen

In april zei 22 procent van de vaders door de coronacrisis (iets) meer zorgtaken op zich te nemen in de opvoeding van het kind, ten opzichte van 12 procent van de moeder. 17 procent van de vaders doet (iets) meer huishoudelijk taken. Zo blijkt uit onderzoek van de Universiteit Utrecht, de Universiteit van Amsterdam en de Radboud Universiteit. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat vrouwen relatief vaker een cruciaal beroep hebben. 62 procent van de Nederlanders met een cruciaal beroep is vrouw (Yerkes et al., 2020).

Laatst bewerkt: 28 januari 2021


Gebruikte publicaties

Definitie

Het coronavirus heeft sinds maart 2020 grote gevolgen voor het leven van kinderen, jongeren, ouders en ook professionals in bijvoorbeeld kinderopvang en onderwijs. Na een periode van veel beperkingen krijgen kinderen, jongeren en opvoeders steeds meer bewegingsvrijheid. Om zicht te krijgen op de impact daarvan op kinderen, jongeren en het opvoeden zijn de inmiddels diverse onderzoeken uitgevoerd. Door de snelle veranderingen in de maatregelen en andere omstandigheden, betreffen deze onderzoeken steeds een momentopname.

Meer informatie

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies. Sluit mededeling over cookies