Cijfers over coronavirus: opvoeden en opgroeien

Mediagebruik

Het dichtgaan van de scholen heeft volgens ouders uit het Landelijk Ouderpanel invloed gehad op het mediagebruik van kinderen (0-18 jaar). 41 procent van de ouders die thuiswerkten door corona gaf aan meer mediagebruik toe te laten. Van de ouders die niet thuiswerken liet zelfs 50 procent hun kinderen meer schermtijd toe. De ouders geven aan dat het een lastige opgave is om kinderen bezig te houden zonder school en andere vormen van vrijetijdsbesteding (Opvoedinformatie Nederland, 2020).

Dit beeld wordt bevestigd in een peiling van GGD Noord-Oost Gelderland in mei 2020. Van de 4173 middelbare scholieren die de vragenlijst invulde, gaf 73 procent aan (veel) meer tijd achter een beeldscherm te spenderen. Daarnaast geeft 33 procent aan meer te gamen dan voor de coronacrisis (GGD Noord-Oost Gelderland, 2020).

Uit onderzoek van Terres des Hommes komt naar voren dat 45 procent van de ondervraagde ouders zich enigszins zorgen maakt over te veel beeldschermgebruik van hun kind (Terres des Hommes, 2020).

Middelengebruik

Volgens het CBS gaf in 2020 36 procent van de 18-25 jarigen aan dat zij minder alcohol dronken door de coronamaatregelen. 12 procent zegt juist meer te hebben gedronken. Ook het overmatig alcoholgebruik is in 2020 sterk afgenomen, van 15 naar 10 procent. Minder jongvolwassenen rookten (van 28 naar 23 procent) en minder gebruikten er drugs (van 7 naar 4 procent) (CBS, 2021b)

Sport en beweging

Cijfers van het CBS laten zien dat vooral jongvolwassenen (18-25 jaar) en jongeren (12-18 jaar) minder zijn gaan sporten en bewegen. In het najaar van 2020 gaf 45 procent van de jongvolwassenen aan dat zij minder bewogen dan voor de coronacrisis. 18 procent bewoog juist meer. Onder jongeren gaat het om 39 tegenover 17 procent (CBS, 2021b).

Het MUMC concludeert in het najaar van 2020 dat 75 procent van de ondervraagde kinderen tussen 4 en 18 jaar minder is gaan bewegen tijdens de eerste fase van de coronacrisis. Gemiddeld wordt zo’n 51 minuten per dag minder bewogen. Daarnaast is bij 20 procent van de kinderen het gewicht toegenomen. Onder kinderen die al te maken hadden met overgewicht gaat dit zelfs om 40 procent (MUMC, 2020).

In de sportdeelname index NOC*NSF komt naar voren dat veel kinderen en jongeren tussen maart en oktober 2020 zeiden minder vaak te sporten dan voor de coronacrisis. Onder 5-12 jarigen gaf 37 procent van de ondervraagden dit aan, onder 13-18 jarigen was dit 44 procent en onder 19-30 jarigen 46 procent. Voornamelijk vanwege het sluiten van verenigingen en het stopzetten van competities (NOC*NSF, 2020a).

De sportdeelname index van februari 2021 laat zien dat de zelfgerapporteerde sportdeelname in deze maand inderdaad een stuk lager lag in vergelijking met een jaar eerder. Ten opzichte van februari 2020 is het aantal wekelijks sportende 5-12 jarigen gedaald van 80 naar 55 procent. Onder 13-18 jarigen daalde dit van 74 naar 57 procent en onder 19-30 jarigen van 72 naar 58 procent (NOC*NSF, 2021a).

In het voorjaar en de zomer van 2021 herstelde de sportdeelname onder kinderen zich weer redelijk. In augustus sportte 64 procent van de 5-12 jarigen minimaal 4 keer per maand. Onder 13-18 jarigen ligt de sportdeelname op 66 procent en voor 19 t/m 30 jarigen op 65 procent. De sportdeelname voor deze leeftijdsgroepen lijkt nog wel lager te liggen dan voor de coronacrisis (NOC*NSF, 2021b).

Afstandsonderwijs

Afgenomen schooltijd

Met het afstandsonderwijs lijkt de tijd die kinderen met school bezig zijn korter te zijn. Zo blijkt uit de monitor Hybride onderwijs van KBA Nijmegen. 15 procent van de ondervraagde basisschoolleerlingen geeft tijdens de schoolsluiting aan niet meer dan 1 uur per dag aan schoolwerk te besteden. 42 procent van de leerlingen besteedde 1 á 2 uur per dag aan school en 35 procent zegt tussen de 3 en 4 uur. Ouders van leerlingen verwachten iets meer schooltijd voor hun kinderen. 31 procent van de ouders verwacht dat het kind tussen de 1 en 2 uur per dag aan school besteedt en 43 procent denkt tussen de 3 en 4 uur. Leraren schatten dat leerlingen tijdens de schoolsluiting gemiddeld 3,1 uur kwijt zijn aan schoolwerk (Smeets, 2020).

Vorderingen leerlingen

Onderzoek van de Universiteit van Oxford toonde aan dat basisschoolleerlingen in groep 4 t/m 7 gemiddeld 20 procent minder vooruitgang boekten ten opzichte van voorgaande jaren, vanwege de scholensluiting. Onder leerlingen uit laagopgeleide huishoudens was dit leerverlies nog eens 55 procent groter ten opzicht van de gehele populatie (Engzell, Frey & Verhagen, 2020).

Dit resultaat wordt bevestigd door onderzoekers van de Werkplaats Onderwijsonderzoek Utrecht, die vonden dat kinderen in groep 5 t/m 7 gemiddeld 2 tot 3 maanden leerachterstand opliepen tijdens de eerste schoolsluiting in het voorjaar (Henrichs et al, 2021).

In het voortgezet onderwijs werd gevonden dat het gemiddelde cijfer over alle leerlingen significant daalde van een 6,66 in 2019 naar een 6,58 in 2020, deze daling is sterker dan in voorgaande jaren. De daling was het sterkst onder havo-leerlingen waar het gemiddelde ging van een 6,45 naar een 6,32. Het aandeel leerlingen in het vo met gemiddeld een 5 of lager steeg in 2020 van 2 naar 4 procent (TIG, 2021).

Ervaring ouders

Ook uit onderzoek van KBA Nijmegen komt naar voren dat twee op de drie ouders met kinderen in het primair onderwijs tevreden is over de ondersteuning van school bij het afstandsonderwijs. Ruim de helft was tevreden met het contact met de leraar, maar ook een kwart vond dat dit contact er onvoldoende was (Smeets, 2020).

54 procent van de ouders met kinderen in het basisonderwijs ervaarde meer stress in tijden van het afstandsonderwijs en 27 procent ervaarde minder stress. Van deze ouders denkt 40 procent dat het kind minder goed leerde dan voor de lockdown. Onder ouders met kinderen op het voortgezet onderwijs was dit 56 procent (Bakx e.a., 2020a).

Kansenongelijkheid

Uit onderzoek van de Universiteit van Amsterdam blijkt dat ouders met kinderen op het vmbo minder betrokkenheid van de school ervaren bij het thuisonderwijs van het kind, dan ouders met kinderen op het vwo. Zo blijkt uit reacties van ouders met kinderen in het voortgezet onderwijs uit het LISS-panel (Langlopende Internet Studies voor de Sociale Wetenschappen). Van de ouders van leerlingen in het vmbo geeft 65 procent aan dat er digitale lessen worden aangeboden vanuit de school. Onder ouders met leerlingen in het vwo is dit 85 procent (Bol, 2020).

Daarnaast blijkt dat hoogopgeleide ouders (afgeronde hbo- of wo-opleiding) zelf vaker en beter in staat zijn om hun kind te helpen bij het thuisonderwijs dan ouders met een lager opleidingsniveau (ouders die enkel de basis- of voortgezet onderwijs hebben afgerond). Van de universitair opgeleide ouders geeft 70 procent aan hun kind vaak tot heel vaak te helpen. Onder die enkel het basis- of voortgezet onderwijs hebben doorlopen is dit 50 procent. 80 procent van de hoogopgeleide ouders (afgeronde hbo of wo-opleiding) voelt zich goed in staat om hulp aan het kind te bieden, terwijl onder de lager opgeleide ouders 63 procent dit aangeeft (Bol, 2020).

Onderzoekers van de Radboud Universiteit, e-Loo, de VO-raad en KBA Nijmegen tonen aan dat 26,8% van de leerlingen in het voortgezet onderwijs tijdens de eerste lockdown niet over een goede thuiswerkplek beschikte. Met name in het vmbo en het praktijkonderwijs was dit het geval (31%). Een goede werkplek lijkt bij te dragen aan een betere leermotivatie bij de leerlingen (Geijsel, Jenniskens & Höppener, 2020)

Studievoortgang

Grafiek Uitval van onderwijsonderdelen

De coronacrisis blijkt van invloed te zijn op de studievoortgang binnen het hoger onderwijs. In het voorjaar van 2020 waren er circa 54 duizend meer studenten die aangaven achterstand opgelopen te hebben met betrekking tot hun studie, in vergelijking met twee jaar geleden. Met name in het hbo leverde het thuisonderwijs veel achterstanden op, door onder andere een gebrek aan laboratoria en praktijkruimtes (32 procent), het uitvallen van lessen (36 procent) en het wegvallen van de stage (27 procent). Ook gaf bijna een derde van de studenten aan minder studiepunten te hebben gehaald (Warps & Van den Broek, 2020).

Ook in het mbo ervaart men knelpunten tijdens de coronacrisis. 21 procent van de studenten geeft in oktober 2020 aan studieachterstand op te hebben gelopen. 32 procent geeft aan vaak niet goed thuis te kunnen studeren. Volgens 62 procent van deze studenten omdat de kwaliteit van de lessen minder goed is dan op school (JOB, 2020).

Opvallend genoeg laten andere cijfers van VH en VSNU zien dat de sluiting van de hogescholen en universiteiten in het najaar van 2020 nog niet heeft geleid tot een afname in het aantal behaalde studiepunten onder studenten. Het kan zijn dat er in de tweede helft van het schooljaar wel duidelijke achterstanden zijn ontstaan, omdat bepaalde studieonderdelen nu vooruitgeschoven zijn. Deze cijfers zijn overigens geen totaalcijfers.

Ook is in 2020 het aantal gediplomeerden in het mbo gelijk gebleven en in het hoger onderwijs zelfs licht gestegen, van 159.838 naar 150.443. Een verklaring kan zijn dat er veel aandacht was voor de laatstejaars studenten in het afgelopen schooljaar. Het kan zijn dat de studenten die nu in het laatste jaar zijn aangetreden meer achterstanden hebben voor het behalen van hun diploma (Ministerie van OCW, 2020).

In het voortgezet onderwijs waren de slagingspercentages in 2020 hoger dan gebruikelijk, namelijk bijna 100 procent. Dit heeft voor een groot deel te maken met het wegvallen van het centraal examen. Het eindcijfers voor het schooljaar 2019/2020 verschilde niet significant met het jaar ervoor (CBS, 2021 (CBS, 2021d).

Studiemotivatie

In een studie van Caring Universities in juni 2020 onder 2.507 studenten in het wetenschappelijk onderwijs, blijkt dat 56 procent van de studenten zich slecht kan concentreren (Struijs, 2020).

Eenzelfde conclusie trokken Brink, van den Broek & Ramakers na onderzoek in december 2020 laat 40 procent van de studenten in het hoger onderwijs liet weten zich minder goed te kunnen concentreren bij het thuisonderwijs. Het overgrote deel had meer behoefte aan onderwijs op de instelling, namelijk vier op de vijf studenten. Dit speelde het sterkst onder studenten die nu veel onderwijs op afstand volgen. Vooral interactie met medestudenten werd gemist. In het wo gaf 72 procent van de studenten dit aan en in het hbo 54 procent (Brink, van den Broek & Ramakers, 2020).

Onderzoek van Turner uit mei 2020 laat zien dat zo’n 62 procent van de mbo-studenten door corona minder motivatie heeft om aan de studie te werken. Ook hier wordt sociaal contact het meest gemist. 60 procent geeft aan minder sociaal contact te hebben met medestudenten of docenten (Crezee & Engelbert, 2020).

Uitval en doorstroom

De coronamaatregelen hebben niet gezorgd voor meer studenten die voortijdig stoppen met hun opleiding. De uitval in het mbo is in schooljaar 2019-2020 licht gedaald, ook binnen het entree-onderwijs en op niveau 2. Binnen het hoger onderwijs is de uitval aanzienlijk gedaald, maar dit kan ook te maken hebben met het tijdelijke opschorten van het bindend studieadvies (Ministerie van OCW, 2020).

Zowel in het mbo, hbo en wo zien we een daling van uitval en switch. Op het mbo daalde het aantal voortijdig schoolverlaters met 4,6 procent ten opzichte van 2019. Op het hbo nam de uitval en switch met 8 procentpunt af en op het wo met 6 procentpunt (Inspectie van het Onderwijs, 2021).

Voor de doorstroom naar vervolgopleidingen zijn bepaalde mogelijkheden gecreëerd, zodat studenten in bepaalde gevallen ook kunnen doorstromen zonder dat ze hun diploma al binnen hebben. Ongeveer 1.200 mbo-4 studenten stroomde door naar het hbo zonder diploma, maar met de verwachting dat zij hun mbo-diploma voor 1 januari zouden halen. Daarnaast zijn ongeveer 2.700 wo-bachelor studenten zonder bachelor-diploma begonnen aan hun master (Ministerie van OCW, 2020).

Er was sprake van een stijging van 2 procent van mbo-4 studenten die doorstromen naar het hbo. Ook was er een sterke toename van het aantal vo-scholieren dat doorstroomde naar het mbo, hbo of wo, waarschijnlijk door de hoge slagingspercentages (Ministerie van OCW, 2020).

Mede hierdoor was er in het schooljaar 2020-2021 een recordaantal hbo-studenten. Er was sprake van een stijging van 10 procent met betrekking tot het aantal eerstejaars studenten in het hbo (Vereniging Hogescholen, 2021).

Stages en leerbanen

Uit cijfers van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) blijkt dat er op 7 juli 2021 in het mbo een tekort was aan 8.355 stageplekken en leerbanen. Eind februari lag dit tekort nog op ongeveer 20.000. De grootste tekorten zitten in de sectoren zorg, welzijn en zakelijke dienstverlening en veiligheid (SBB, 2020).

Welbevinden

Het Emma Kinderziekenhuis Amsterdam UMC concludeert een afname van het mentaal welbevinden van kinderen en jongeren tijdens de eerste lockdown in april. Onder jongeren tussen de 8 en 18 jaar werden meer mentale klachten ervaren dan tijdens de vorige uitvraag in 2018. Het gaat om meer slaapproblemen (5 procent), angstklachten (15 procent) en gevoelens van somberheid (10 procent) (Amsterdam UMC, 2020).

Volgens EenVandaag had in het najaar van 2020 zo'n 74 procent van de jongeren in Nederland last van psychische klachten. Jongeren hebben het meest last van stress (40 procent), eenzaamheid (38 procent) en aanhoudende vermoeidheid (36 procent). In april lag dit percentage lager; toen had 31 procent last van stress, had 19 procent vermoeidheidsklachten en voelde 26 procent zich eenzaam (Kester, 2020).

Data van het RIVM toont aan dat het aantal 16-24 jarigen dat zich psychisch gezond noemt tijdens de coronacrisis snel daalde. In februari 2021 gaf nog maar de helft van de jongeren dit aan. Het percentage gaat sindsdien weer omhoog. In juni geeft 69 procent van de jongeren aan psychisch gezond te zijn (RIVM, 2021).

De Kindertelefoon concludeerde in januari 2021 dat het aantal gesprekken over zelfdoding (31 procent), eenzaamheid (31 procent), depressie (16 procent) en angsten (12 procent) zijn toegenomen met kinderen en jongeren, ten opzichte van voor en het begin de coronacrisis (De Kindertelefoon, 2021).

Ook de gesprekken met de hulplijn voor zelfmoordpreventie namen toe. 113 Zelfmoordpreventie analyseerde ruim 5.000 gesprekken gevoerd voor de coronacrisis en ruim 3.400 gesprekken tijdens de eerste lockdown. Het grootste deel van de gesprekken (80%) is gevoerd met (jong)volwassenen onder de 30 jaar. Onder hulpvragers onder de 30 jaar nam het aantal gesprekken waarin de hulpvrager negatieve emoties had met 22% toe. Het aantal gesprekken waarin de hulpvrager aangaf geen vertrouwen in zichzelf of een ander te hebben nam met 15% toe. Onder alleenstaanden nam het aantal gesprekken over plannen om zelfmoord te plegen met 52% toe (113 Zelfmoordpreventie, 2020).

Vooral onder studenten lijken er veel mentale klachten te spelen. Geels et al. (2021) schatten in januari 2021 dat het met zo’n 30.000 tot 35.000 studenten mentaal en sociaal niet goed gaat. Deze problemen lijken hoger onder studenten die vooral op afstand onderwijs volgen.

Daarnaast rapporteerde het CBS cijfers over het welzijn onder de Nederlandse bevolking. Hoewel de gerapporteerde score die 18-25 hun leven (7,4) geven in 2020 iets lager lag dan in 2019 (7,5), nam het percentage jongeren dat zich ongelukkig voelt juist af van 4,4 naar 3,8 procent (CBS, 2021c).

Het CBS bracht ook cijfers uit over het mentaal welbevinden onder 18-25 jarigen in de eerste helft van 2021. Hieruit blijkt dat het aandeel dat zich mentaal ongezond noemt sterk steeg in 2020. Waar in het laatste kwartaal van 2020 nog 13 procent dit aangaf, steeg dit in het eerste kwartaal van 2021 naar 27 procent. In het tweede kwartaal daalde dit naar 24 procent (CBS, 2021b).

Werkloosheid onder jongeren

Grafiek Seizoensgecorrigeerd werkloosheidspercentage 15-25-jarigen

Met name jongeren worden economisch hard getroffen tijdens de coronacrisis, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Na een snelle stijging van de werkloosheid, is het werkloosheidspercentage onder 15 tot 25-jarigen tussen augustus 2020 en augustus 2021 weer gedaald: van 11,3 procent in 2020 naar 7,4 procent in 2021. Vergeleken met februari 2020, toen corona nog niet aanwezig was, is de werkloosheid onder jongeren gestegen met 17 procent. (CBS, 2021a).

De grote stijging van de werkloosheid is deels te verklaren doordat in de meest getroffen sectoren vooral veel jongeren werkzaam zijn. Zo werkte begin 2020 een groot deel van de 15 tot 25-jarigen (13 procent) voor eet- en drinkgelegenheden. Daarnaast hebben veel jongeren tijdelijke contracten of werken als uitzendkracht. In het eerste kwartaal van 2020 had slechts 21 procent van de 15 tot 25-jarigen een vaste arbeidsrelatie. Onder jongeren zonder startkwalificatie heeft zelfs een kleine 80 procent geen vaste arbeidsrelatie. 697 duizend jongeren tussen de 15 en 25 jaar combineren onderwijs met een baan op flexibel contract en 75 duizend jongeren werken als zelfstandige (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020).

Ook het aantal jongeren van 15 tot 29 jaar dat zonder werk en opleiding en opleiding (NEET) zit, steeg sinds de coronacrisis. In het eerste kwartaal van 2020 ging het om 5,2 procent van de jongeren, waar dit in eerste kwartaal van 2021 6,4 procent betrof (Eurostat, 2020).

Jeugdzorg

Geleverde jeugdzorg

Het CBS publiceerde cijfers over de geleverde jeugdzorgtrajecten in de 2020. Dit lag lager dan in voorgaande jaren. Er waren ruim 14,3 duizend minder jongeren met jeugdzorg dan in 2019. Ook een afname in de ambulante jeugdhulp van 15 duizend jongeren . Dit lijkt vooral te maken te hebben met minder gestarte trajecten in de maanden maart, april, mei en juni. In april en mei 2020 laag het aantal gestarte trajecten respectievelijk 31 procent lager dan in 2019 (CBS, 2021e).

Jeugdhulp

De jeugdhulp lijkt flink getroffen door de coronacrisis. Uit onderzoek van onderzoeksbureau Gupta blijkt dat 30.000 van de 443.265 jeugdigen die jeugdzorg ontvangen in Nederland, tijdelijk geen zorg kregen tijdens de eerste coronagolf. Daarnaast is voor circa 130.000 jeugdigen de zorg tijdelijk aangepast of verminderd. Dagbehandeling en diagnostiek zijn afgezegd en veel ambulante zorg vond gedeeltelijk en online plaats (Grupta Strategists, 2020).

Onderzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd liet ook zien dat tijdens de eerste lockdown veel preventieve en ambulante hulp werd uitgesteld. Residentiële- en crisishulp liep wel door. 60 procent van de bevraagde jeugdhulpaanbieders heeft jeugdhulp moeten uitstellen en 29 procent heeft zelfs hulp moeten afstellen. Ook kon bij 32 procent van de ondervraagde jeugdhulpaanbieders met residentieel aanbod het bezoek van ouders geen doorgang vinden (Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, 2020).

Uit onderzoek van de Jeugdautoriteit blijkt dat volgens 72 procent van de ondervraagde jeugdhulpaanbieders in augustus 2020 er minder ambulante hulp plaatsvond in vergelijking met voor de coronacrisis. 51 procent gaf aan minder residentiële jeugdhulp te leveren (Jeugdautoriteit, 2020).

In december 2020 gaf nog 67 procent van de jeugdhulpaanbieders aan minder ambulante hulp te geven. 45 procent gaf aan dat er minder jeugdhulp met verblijf plaatsvindt. Meer dan de helft van de aanbieders verwacht juist dat er na de coronacrisis extra instroom zal komen vanwege uitgestelde hulp (Jeugdautoriteit, 2021). 

Jeugdbescherming

De Raad van Kinderbescherming rapporteerde in de eerste helft van 2020 duidelijke verschillen in het aantal beschermingsonderzoeken. Er was sprake van een daling in het aantal onderzoeken op gebied van Gezag en Omgang (van 2.500 naar 2.000), schoolverzuim (van 1.200 naar 760) en in het aantal strafzaken (van 5.350 naar 4.900). Als verklaring voor de daling van het aantal strafzaken werd genoemd dat jongeren minder uitgaan en samenkomen. Ook zijn werk- en leerstraffen vanwege corona moeilijker te organiseren. In de eerste helft van 2020 was er een lichte stijging van het aantal beschermingsonderzoeken: van 8.800 in 2019 naar 9.000 in 2020. Vooral in het eerste kwartaal van 2020 waren er meer onderzoeken, tijdens de lockdown waren dit er weer minder (Raad van Kinderbescherming, 2020).

Veiligheid

Het aantal gesprekken met de Kindertelefoon was in de eerste maand van de corona-lockdown (16 maart tot en met 12 april 2020) een stuk hoger dan voor de lockdown. In 2019 voerde men nog ongeveer 1.000 gesprekken per dag. Tijdens de lockdown waren het er circa 1.500. Het aandeel gesprekken over de onderwerpen 'thuis en familie' en 'geweld' is in deze periode toegenomen. Daarnaast valt een verschuiving te zien op het gebied van pesten. De Kindertelefoon registreerde 36 procent minder gesprekken over fysiek pesten, maar zag tegelijkertijd een verdubbeling van het aantal gesprekken over online pesten. Tijdens de coronacrisis nam het aantal gesprekken over huiselijk geweld verder toe. In januari 2021 lag het aantal gesprekken 10 procent hoger dan aan het begin van de coronacrisis.  (De Kindertelefoon, 2020; De Kindertelefoon, 2021).

Toch leek tijdens de eerste lockdown het huiselijk geweld in kwetsbare gezinnen niet toegenomen, zo blijkt uit onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut. Het gaat om gezinnen die in beeld zijn bij Veilig Thuis vanwege vermoedens van huiselijk geweld. Voor de coronacrisis bleek in 50,3% van deze gezinnen dat er sprake was van veelvuldig of ernstig geweld. Na de lockdown ging het om 53,3 procent van de gezinnen. Dit verschil is niet significant (Steketee e.a., 2020).

De Raad van de Kinderbescherming (RvdK) geeft aan dat het aantal beschermingsonderzoeken binnen gezinnen in de eerste helft van 2020 redelijk stabiel is gebleven, ten opzichte van 2019. In de eerste helft van 2019 waren er circa 8.800 zaken. In de eerste helft van 2020 ging het om 9.000. Tijdens de lockdown nam het aantal verzoeken tot beschermingsonderzoeken af, ten opzichte van de eerste maanden van 2020. Het aantal spoedzaken is niet toegenomen (De Raad van de Kinderbescherming, 2020).

Onderzoekers van de Universiteit Leiden vonden echter wel een toename van kindermishandeling binnen gezinnen. Zo stellen zij op basis van vermoedens van professionals in het onderwijs en kinderopvang die als informant fungeerden. Volgens het onderzoek zouden naar schatting 40.000 kinderen tijdens de lockdown te maken hebben gehad met kindermishandeling, waar dit bij een eerdere meting in 2017 om 15.000 kinderen ging. Onder slechts 8,6 procent van de informanten is het gerapporteerde vermoeden ontstaan tijdens de lockdown. Onder de helft van de informanten is het vermoeden tijdens de lockdown versterk (Vermeulen, van Berkel & Alink, 2021).

Zorgen onder kinderen en jongeren

Grafiek Percentage van jongeren die zorgen heeft

Uit het Praatmee-onderzoek van het Nederlandse Jeugdinstituut blijkt dat 18- tot 27-jarigen vooral onzeker zijn over hun werk en inkomen: 45 procent geeft aan op dit vlak zorgen te hebben in tijden van corona. 37 procent van deze groep maakt zich zorgen over de mentale gezondheid. In de leeftijdsgroep 13 tot 18 jaar zijn vooral de studie en de voortgang daarvan (40 procent) en het sociale leven (44 procent) punten van zorg. Van de kinderen onder de 13 jaar geeft 94 procent aan bepaalde aspecten van de coronacrisis niet leuk te vinden. Met name het afstand houden, het minder zien van opa en oma en de angst voor het virus worden als negatief gezien (Nederlands Jeugdinstituut, 2020).

Financiële gevolgen voor studenten

23 procent van de studenten ontvangt sinds de coronacrisis minder inkomsten uit arbeid. Eén op de vijf studenten had in oktober helemaal geen inkomen meer, terwijl dit voor de coronacrisis nog wel het geval was. Onder 5 procent van de studenten was er sinds de corona-uitbraak meer inkomsten uit een DUO-lening of uit ouderlijke bijdragen (Van Huijsduijnen et al, 2020).

Uit onderzoek van Save the Children kwam naar voren dat 40 procent van de bijna 15 duizend ondervraagde mbo-studenten (ouder dan 16 jaar) minder kon werken of zijn of haar bijbaan verloor vanwege de coronacrisis. Daarnaast geeft bijna 40 procent aan ondersteuning nodig te hebben om niet in financiële problemen te komen (Save the Children, 2020).

Uit een ander onderzoek van het Interstedelijk Studentenoverleg (ISO) blijkt dat ongeveer 20 procent van de studenten zich serieus zorgen maakt over de financiële situatie waar zij zich in bevinden. Studievertraging en het moeilijk vinden van werk en stages zorgen ervoor dat studenten minder snel aan een inkomen komen (Warps & van de Broek, 2020).

Jongeren en de coronamaatregelen

Uit een enquête van ISO, die tussen september en december werd uitgezet, blijkt dat 27 procent van de studenten zich op moment van bevraging niet kon vinden in de coronamaatregelen. 19 procent vindt dat jongeren door de maatregelen te veel beperkt worden (Geels et al., 2021).

Het RIVM doet onderzoek naar in hoeverre mensen zich aan de gestelde maatregelen houden. Uit de cijfers uit augustus blijkt dat jongeren over het algemeen meer moeite te hebben met de coronamaatregelen dan oudere leeftijdsgroepen. Zo vindt 67 procent van de 16-24 jarigen het moeilijk om afstand te houden en 55 procent om zoveel mogelijk thuis te werken, tegenover respectievelijk 32 en 26 procent onder de oudere leeftijdsgroep. Uit politiecijfers blijkt dat van alle waarschuwingen die de politie gaf in mei 2021 voor het niet houden aan de maatregelen, 62 procent gaat naar personen onder de 27 jaar (RIVM, 2021a).

Ook ligt de vaccinatiebereidheid onder jongeren lager dan onder oudere leeftijdsgroepen. Op 19 september 2021 was onder 12-18 jarigen 49 procent volledig gevaccineerd. Onder 18-30 jarigen was dit 64 procent (Rijksoverheid, 2021). In een peiling in juli van het RIVM gaf zo’n 20 procent van de 12-18 jarigen aan zich niet te willen laten vaccineren (RIVM, 2021b).

Opvoeden

Uit een peiling van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid blijkt dat een groot deel van de ouders de opvoeding momenteel als moeilijk ervaren. Voor de coronacrisis gaf één op de tien ouders aan uit balans te zijn als het gaat om de balans tussen draagkracht en draaglast in de opvoeding van het kind. Bij de peiling in juni gaf maar liefst de helft van de ouders dit aan. Een derde van de ouders geeft de balans een onvoldoende. 39 procent van de ouders ervaart weinig steun van anderen (partner, familie, vrienden of buren) tegenover 17 procent voor de coronacrisis. Daarnaast lijkt het aanpassingsvermogen van ouders te zijn afgenomen. Bijna de helft van de ouders vindt het moeilijk om veranderingen en plotselinge gebeurtenissen op te vangen. Voor de crisis vond 7,5 procent van de ouders dat moeilijk (Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, 2020).

Ook onderzoek van onderzoekers aan de Universiteit Utrecht, Universiteit van Amsterdam en de Radboud Universiteit laat zien dat de coronacrisis veel invloed heeft op het ouderschap. In november 2020 werkte bijna een kwart procent van de ouders geheel thuis ten opzichte van 15 procent in september. 37 procent van de ouders geeft aan meer werkdruk te ervaren door de schoolsluiting. Moeders (42 procent) geven hierbij vaker aan meer werkdruk te ervaren dan vaders (31 procent). Ouders zijn naar eigen zeggen meer tijd kwijt met de zorg van hun kind sinds de coronacrisis. Wel lag het percentage ouders dat aangeeft extra tijd aan zorg te besteden in november lager dan in juni: 53 om 32 procent (Yerkes et al., 2020).

Verhoudingen tussen vaders en moeders

In april 2020 zei 22 procent van de vaders door de coronacrisis (iets) meer zorgtaken op zich te nemen in de opvoeding van het kind. In november daalde dit naar 18 procent. Onder moeders zegt ongeveer één op de vijf meer zorgtaken op zich te nemen. In november. Zo blijkt uit onderzoek van de Universiteit Utrecht, de Universiteit van Amsterdam en de Radboud Universiteit (Yerkes et al., 2020).

Het thuiswerken lijkt over het algemeen lastiger voor moeders. 71 procent van de moeders van kinderen onder de 13 jaar kon vaak of altijd ongestoord werken, tegen 85 procent van de vaders met kinderen in die leeftijd. Dat ligt volgens het SCP voor een deel aan het feit dat moeders minder vaak dan vaders een aparte werkruimte thuis hadden, zo’n 32 procent tegen 57 procent (SCP, 2021).

Definitie

Het coronavirus heeft sinds maart 2020 grote gevolgen voor het leven van kinderen, jongeren, ouders en ook professionals in bijvoorbeeld kinderopvang en onderwijs. Na een periode van veel beperkingen krijgen kinderen, jongeren en opvoeders steeds meer bewegingsvrijheid. Om zicht te krijgen op de impact daarvan op kinderen, jongeren en het opvoeden zijn de inmiddels diverse onderzoeken uitgevoerd. Door de snelle veranderingen in de maatregelen en andere omstandigheden, betreffen deze onderzoeken steeds een momentopname.

Meer informatie

Coronavirus

Gebruikte publicaties
Deniz Ince

Drs. Deniz Ince

medewerker inhoud