• WERKEN AAN DE KWALITEIT
  • VAN DE JEUGDSECTOR
Cijfers over Jeugd en Opvoeding

Hechting

Hechting is een proces van interactie tussen een kind en een of meer van zijn opvoeders dat leidt tot een duurzame affectieve relatie. Onder normale omstandigheden ontwikkelen kinderen de eerste gehechtheidsrelaties met volwassenen als ze tussen de zes en twaalf maanden oud zijn. Meestal gaat het dan om de ouders, de grootouders en bijvoorbeeld pedagogisch medewerkers. Zo ontstaat een netwerk van gehechtheidsrelaties, al hebben kinderen vaak wel een voorkeur voor de ene persoon boven de andere. Hechting is bepalend voor een goede ontwikkeling van een kind. Voor het ontstaan van een veilige gehechtheidsrelatie zijn er drie basale voorwaarden: sensitief reageren op het kind, continuïteit in de aanwezigheid van de gehechtheidspersoon, en de mate waarin een ouder zich kan verplaatsen in een kind (het mentaliseren door de ouder).

Lees meer over de voorwaarden voor een veilige hechting.

Veilig en onveilig gehecht

De gehechtheid van een kind weerspiegelt de opvoedingsgeschiedenis van het kind met zijn opvoeder (Van IJzendoorn 2008). Het gedrag van kinderen laat zien of zij ervan uitgaan dat de opvoeder hun signalen zal opmerken en er zo nodig direct en adequaat op in zal gaan (veilig gehecht). Maar ze kunnen ook met hun gedrag aangeven dat ze dat juist niet doen (onveilig gehecht).

  • De Amerikaanse psycholoog Mary Ainsworth onderscheidde naast de veilige gehechtheid, drie typen hechtingsproblemen: onveilig-vermijdend, onveilig-ambivalent en gedesorganiseerd gehecht.
  • Het  Classificatiesysteem voor de Aard van de Problematiek van Jeugd (CAP-J) onderscheidt de volgende typen hechtingsproblemen: geen selectieve hechtingsfiguur, verstoorde gehechtheid en ontwrichte gehechtheid.

Lees meer over de typen hechtingsproblemen van Ainsworth of CAP-J.

Hechtingsstoornissen

Onveilige gehechtheid leidt niet per definitie tot een hechtingsstoornis en moet daar dan ook niet mee verward worden. Een geschiedenis van aanhoudende verzuiming van basale lichamelijke en emotionele behoeften van het kind in de vorm van ernstige verwaarlozing en/of mishandeling kan leiden tot een hechtingsstoornis bij het kind (Stor en Storsbergen 2006).
Het handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders oftewel DSM) kent de categorie reactieve hechtingsstoornis (RAD). Deze stoornis kan ontstaan wanneer er voor het kind niet een duidelijk aanwijsbare gehechtheidsfiguur is op wie het zich richt. In feite is er dus geen gehechtheidsrelatie gevormd. De DSM-5 onderscheidt twee subtypen: het geremde en het ongeremde type.

Lees meer over de criteria voor een hechtingsstoornis uit de DSM-5.

Bronnen

  • Ainsworth, M.D.S. en B.A. Wittig (1969). 'Attachment and the exploratory behaviour of one-year-olds in a strange situation'. In B. M. Foss (Ed.), 'Determinants of infant behavior', jaargang 4, p. 111-136. London,  Methuen.
  • Stor, P. en H. Storsbergen (2006). Onveilig gehecht of een hechtingsstoornis, het onderkennen van hechtingsproblematiek bij mensen met een verstandelijke beperking. Utrecht, LEMMA.
  • IJzendoorn, M.H. van (2008). 'Opvoeding over de grens: gehechtheid, trauma en veerkracht'. Amsterdam: Boom academic.

Kerncijfers

Er zijn geen recente cijfers over de prevalentie van hechtingsproblemen en of -stoornissen bij Nederlandse jeugdigen.

In de Richtlijn Problematische gehechtheid (2017) worden cijfers gegeven op basis van Nederlandse en internationale studies naar gehechtheid uit 1988. Hieruit blijkt dat tussen de 60 en 70 procent van alle gezonde, thuiswonende kinderen in de leeftijd van 1 tot 12 jaar, een veilige gehechtheidsrelatie heeft met hun ouders. Tussen de 30 en 40 procent van alle gezonde, thuiswonende kinderen is onveilig gehecht.

Binnen de groep kinderen die onveilig gehecht zijn:

  • behoort ongeveer 10 procent tot de groep met een vermijdende gehechtheidsrelatie en houdt doorgaans liever afstand van sociale contacten;
  • ongeveer 20 procent behoort tot de groep met een ambivalente gehechtheidsrelatie, dat zich uit in onzekerheid.
  • Ongeveer 15 procent van alle kinderen tussen 1 en 12 jaar oud heeft een gedesorganiseerde/verstoorde gehechtheidsrelatie.

Op basis van internationale cijfers wordt geschat dat de reactieve hechtingsstoornis bij 1 procent van de bevolking voorkomt (Richtlijn Problematische gehechtheid, 2017).

Laatst bewerkt: 16 maart 2018


Gebruikte publicaties

  • Wolff, Marianne, Dekker-van der Sande, F., Sterkenburg, P. & Thoornes-Vreugdenhil, J. (2017). Richtlijn Problematische gehechtheid voor jeugdhulp en jeugdbescherming. 4e gewijzigde druk. Leiden: TNO

Vaker hechtingsstoornissen bij jongeren met gedragsproblemen

Bij kinderen  die in behandeling zijn voor gedragsproblemen komen hechtingsstoornissen waarschijnlijk veel meer voor. Eind jaren negentig werd bij een onderzoek onder jongeren in de justitiële behandelinrichting de OC Heldringstichting geconstateerd dat maar 7 procent van hen veilig gehecht was. 44 Procent was vermijdend gehecht (type A), 15 procent afwerend gehecht en 30 procent gedesorganiseerd gehecht. Dit constateerden Schuengel en zijn medewerkers na onderzoek bij alle jongeren die in de jaren 1998 tot 2000 werden opgenomen in de Heldringstichting. Bij binnenkomst en gedurende hun verblijf hebben deze jongeren verschillende instrumenten en vragenlijsten ingevuld, evenals hun mentoren. Verder kreeg elke jongere een 'gehechtheidsbiografisch Interview'. Zo is bij in totaal 81 problematische jongeren de gehechtheidsstrategie bepaald (Schuengel e.a. 2006).

Laatst bewerkt: 17 januari 2014


Gebruikte onderzoeken en/of registraties

Gebruikte publicaties

  • Schuengel, C., Venmans, J., IJzendoorn, R. van, & Zegers, M. (2006). Gehechtheidsstrategieën van zeer problematische jongeren. Onderzoek, diagnostiek en methodiek. Amsterdam: Uitgeverij SWP.

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.