Cijfers over welbevinden en mentale gezondheid

Welbevinden onder scholieren

Hoewel kinderen en jongeren in Nederland hun leven een hoog rapportcijfer geven is er vooral onder meisjes de afgelopen vier jaar sprake van een significante afname in ervaren levenstevredenheid. Leerlingen in het voortgezet onderwijs rapporteren ook een lagere levenstevredenheid dan die in het basisonderwijs.

In 2021 geven leerlingen in het basisonderwijs hun leven een 8,0. Daarbij zijn jongens meer tevreden over hun leven dan meisjes. Jongens geven een rapportcijfers van 8,2 en meisjes 7,7. Het verschil is significant. In 2017 gaven de leerlingen hun leven een 8.3, waarbij jongens een rapportcijfer van 8,4 en meisjes een 8,2 gaven. De afname van levenstevredenheid voor het totaal en voor meisjes is significant.

Het rapportcijfer van middelbare scholieren valt met een 7,1 lager uit. Ook in het voortgezet onderwijs zijn er verschillen tussen jongens en meisjes en is er sprake van een aanzienlijke daling in de mate van tevredenheid vergeleken met voorgaande jaren. De levenstevredenheid van meisjes is gedaald van een gemiddeld cijfer van 7.3 in 2017 naar een 6.7 in 2021. Onder jongens is de daling minder, die geven een hoger rapportcijfer. In 2017 was het gemiddelde cijfer van jongens een 7.9 en in 2021 een 7.5.

Sinds 2001 is de mate van levenstevredenheid onder zowel basisschoolleerlingen als leerlingen in het voortgezet onderwijs nog nooit zo laag geweest.

Deze gegevens zijn afkomstig uit het vierjaarlijks HBSC-onderzoek 2021.

Mentale problemen onder scholieren

Mentale problemen onder scholieren in het basis- en voortgezet onderwijs zijn in de afgelopen vier jaar fors toegenomen. De grootste toename van problemen is te zien onder meisjes, zo blijkt uit het HBSC-onderzoek 2021. Om inzicht te krijgen in problemen van leerlingen is gebruik gemaakt van de SDQ-vragenlijst waarin onderscheid wordt gemaakt in de schalen emotionele problemen, gedragsproblemen, hyperactiviteit/aandachtsproblemen, problemen met leeftijdgenoten en totale problemen. Daarnaast is gevraagd naar de aanwezigheid van psychosomatische klachten.

Meisjes in het voortgezet onderwijs rapporteren op alle schalen van de SDQ in 2021 fors meer problemen dan in 2017.  Ook geven zij aanzienlijk vaker aan meer dan één keer per week psychosomatische klachten te hebben dan vier jaar geleden. In 2017 gaf 27,6 procent van de meisjes aan emotionele problemen te ervaren. In 2021 is dit percentage gestegen naar 43 procent. Ook onder meisjes in de basisschool is het aandeel dat met emotionele problemen kampt flink gestegen, van 14,4 procent in 2017 naar 32,6 procent in 2021. Hoewel jongens in zowel het basis- als voortgezet minder met emotionele problemen kampen is ook bij hen sprake van een  (lichtere) stijging in de afgelopen vier jaar. In het voortgezet onderwijs gaf in 2017 9,4 procent van de jongens aan emotionele problemen te ervaren. In 2021 ging het om 13,3 procent.

Van de meisjes in het voortgezet onderwijs zegt in 2021 70,1 procent vaker dan één keer per week last te hebben van psychosomatische klachten. Vier jaar eerder ging het om 56,2 procent. Onder jongens gaat het om respectievelijk 54,1 procent in 2021 en 42,1 procent in 2017.

Ook op de andere probleemschalen scoren meisjes significant hoger dan eerdere jaren. Uitzondering hierop is onder basisschool meisjes de schaal 'problemen met leeftijdsgenoten' . Onder jongens is met uitzondering van emotionele problemen geen significante toename te zien op de andere probleemschalen (HBSC, 2021).

Mentale gezondheid, ervaren druk en stress 

In 2021 voelde 18 procent van de 12- tot 25-jarigen zich psychisch ongezond. In 2019 en 2020 was dat nog 11 procent. De achteruitgang in mentale gezondheid was zowel bij jongeren van 12 tot 18 jaar als bij jongvolwassenen van 18 tot 25 jaar te zien. Een slechtere mentale gezondheid kwam over de jaren heen meer voor bij jonge vrouwen dan bij jonge mannen en meer bij 18- tot 25-jarigen dan bij 12- tot 18-jarigen. Jongeren voelden zich onder andere vaker neerslachtig en somber. Dit blijkt uit de Gezondheidsenquête van het CBS, een onderzoek met vragen over onder meer het psychisch welbevinden.

Psychische gezondheid werd gemeten door jongeren vijf vragen te stellen over hun gemoedstoestand in de vier weken voor de enquête, waaronder 'Voelde je je neerslachtig en somber?' en 'Zat jij zo erg in de put dat niets je kon opvrolijken?'

Of de verminderde mentale gezondheid van jongeren en jongvolwassenen direct verband houdt met de coronapandemie kan volgens het CBS op basis van de gegevens niet worden vastgesteld. Wel is uit ander onderzoek van het CBS gebleken dat 47 procent van de jongeren vindt dat de coronacrisis hun leven in het algemeen negatief of heel negatief heeft beïnvloed. Voor 43 procent van de jongeren had de crisis zowel een negatieve als een positieve invloed (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2022). 

Bij onderzoek tussen 2018 en 2020 in opdracht van UNICEF (Trimbos-instituut, 2020) onder leerlingen van groep 7 en 8 van het basisonderwijs en leerlingen in het voortgezet onderwijs rapporteerde driekwart van de leerlingen een goede mentale gezondheid. In dit onderzoek betekende dit dat jongeren vertrouwen hebben in hun toekomst, genieten van het leven en blij zijn met wie ze zijn. 

Wel zeggen steeds meer jongeren druk te ervaren door school of huiswerk. 9 procent van de basisschoolleerlingen in groep 7 en 8 voelde in 2019 veel druk door schoolwerk. In het voortgezet onderwijs ging het om 38 procent van de leerlingen. De afgelopen jaren neemt het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs dat door schoolwerk druk ervaart flink toe. In 2007 had 17 procent van de leerlingen er last van.

Ook is school en huiswerk de voornaamste bron van stress voor jongeren in het basis- en voortgezet onderwijs. In het basisonderwijs ervaart 7 procent van de jongeren stress door school of huiswerk. In het voortgezet onderwijs gaat het om 27 procent. Sociale media veroorzaken de minste stress in zowel het basis- als het voortgezet onderwijs.

Dit onderzoek betreft een kwalitatief en kwantitatief onderzoek naar het mentaal welbevinden van jongeren van 10 tot 18 jaar in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs, mbo en hbo. Gegevens uit het HBSC-onderzoek, Peilstationonderzoek en de mbo/hbo-monitor zijn hiervoor aangevuld met nieuwe gegevens (Trimbos-instituut, 2020).

Jongvolwassenen minder gelukkig

Het aandeel jongvolwassenen dat gelukkig en tevreden is met het leven daalde de afgelopen jaren. In 2021 zei 81 procent van de 18- tot 25-jarigen gelukkig te zijn; in 1997 was dat nog 91 procent. In 1997 kenden 18- tot 25-jarigen nog het hoogste percentage gelukkigen van alle 18-plussers; in 2021 hadden zij juist het laagste aandeel gelukkigen. Voor tevredenheid is dat vergelijkbaar: 77 procent van hen was tevreden in 2021 tegen 85 procent in 1997.

Dat blijkt uit de enquête Sociale samenhang en Welzijn (SSW) van het CBS. In dit onderzoek wordt aan mensen vanaf 18 jaar gevraagd zichzelf een rapportcijfer te geven voor twee aspecten van welzijn: geluk en tevredenheid. Degenen die hiervoor een 7 of hoger geven, gelden als gelukkig of tevreden (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2022).

Welbevinden van jeugd met migratieachtergrond

Jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond denken gemiddeld positiever over hun leven dan jongeren met een Nederlandse achtergrond. Jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond geven hun leven een 7,7. Jongeren met een Nederlandse achtergrond geven een 7,5.

Wel ervaren jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond minder sociale steun, minder vrije tijd en een mindere goede algemene gezondheid dan jongeren zonder migratieachtergrond. In het voortgezet onderwijs zegt 76 procent van de jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond voldoende sociale steun te ontvangen, tegenover 82 procent van de jongeren met een Nederlandse achtergrond. Bijna 12 procent van de jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond zegt te weinig vrije tijd te hebben. Bij jongeren met een Nederlandse achtergrond is dat ruim 9 procent.

Wat betreft algemene gezondheid zegt ruim 82 procent van middelbare scholieren met een niet-westerse migratieachtergrond in goede gezondheid te verkeren. Bij jongeren met een Nederlandse achtergrond gaat het om bijna 87 procent.

Daarentegen rapporteren jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond meer veerkracht dan leeftijdsgenoten zonder migratieachtergrond (respectievelijk 38,8 procent en 34,3 procent). Ze kunnen beter met moeilijkere situaties omgaan en rapporteren sterkere eigenwaarde. Ook ervaren ze minder prestatiedruk op school (respectievelijk 28 procent en 29,5 procent).

Deze gegevens zijn afkomstig uit het UNICEF-onderzoek naar het mentaal welbevinden van jongeren (Trimbos-instituut, 2020).

Definitie

Welbevinden is de mate waarin iemand zich tevreden voelt over het leven. De eigen lichamelijke en psychosociale gezondheid en de omstandigheden waarin iemand leeft, zijn mede bepalend voor de mate van welbevinden.

Welbevinden is volgens het woordenboek synoniem aan welzijn. Maar in het begrip welbevinden zit - meer dan in het begrip welzijn - het persoonlijk ervaren welzijn. Dat is de mate waarin iemand zichzelf goed voelt en lekker in z'n vel zit. De bepalingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind laten zien wat er nodig is voor het objectieve welzijn van kinderen en jongeren. Het gaat dan om de mogelijkheden die zij hebben en de materiële omstandigheden waarin zij leven. Voor welbevinden zijn er wel een aantal voorwaarden die onder het objectieve welzijn vallen. Bij een kind dat honger lijdt, is er bijvoorbeeld geen sprake van welbevinden. Maar objectief welzijn vormt op zichzelf geen garantie voor welbevinden. Een belangrijk punt is dat welbevinden meer is dan de afwezigheid van leed. Het geeft eerder aan dat er sprake is van positieve emoties en ervaringen. Welbevinden wordt ook vaak in verband gebracht met kwaliteit van leven. Onderzoek naar welbevinden gebeurt veelal door respondenten te vragen hun eigen leven een rapportcijfer te geven.

Meer informatie

Welbevinden

Deniz Ince

Drs. Deniz Ince

medewerker inhoud