Samenhang tussen armoede en kansenongelijkheid

Armoede en kansenongelijkheid hangen sterk met elkaar samen. Armoede kan een gevolg zijn van structurele kansenongelijkheid. Tegelijkertijd kan armoede zorgen voor ongelijke kansen en deze in stand houden. Hierdoor komen kinderen vaak al vanaf hun geboorte terecht in een vicieuze cirkel, waar ze heel moeilijk uit kunnen komen.

Hoe leidt armoede tot minder kansen?

Kinderen die opgroeien in armoede krijgen minder kansen om zich te ontwikkelen. Hun ouders vinden bijvoorbeeld moeilijker woonruimte en goede zorg. Ze kunnen soms bijvoorbeeld ook geen laptop of sportclub betalen. Ook hebben ouders die in armoede leven vaak veel stress en zorgen. Hierdoor is het lastiger om hun kind te ondersteunen, bijvoorbeeld bij huiswerk. Kinderen die opgroeien in armoede hebben minder kans om te bereiken wat ze kunnen en willen. En de kans is groter dat ze later zelf ook in armoede leven.

Kinderen die opgroeien in armoede krijgen daarnaast vaak te maken met sociale uitsluiting. Bijvoorbeeld doordat ze door geldgebrek niet kunnen meedoen aan schooluitjes, of niet dezelfde kleding kunnen dragen als hun klasgenoten. Ze kunnen hierdoor gepest of buitengesloten worden. Daardoor krijgen ze vaak minder zelfvertrouwen, kunnen ze sociale situaties uit de weg gaan en doen ze minder mee op school en in hun vrije tijd. Hierdoor krijgen ze minder kansen om zich goed te ontwikkelen.

Armoede en geldzorgen

Hoe leiden ongelijke kansen tot armoede?

Armoede door minder kansen

Al op jonge leeftijd krijgen sommige kinderen en jongeren minder kansen dan anderen. Zij hebben een hoger risico om zelf later in armoede terecht te komen. Ze hebben bijvoorbeeld hun talenten minder ontdekt, konden niet goed meedoen op school, kregen een lager schooladvies dan bij hen paste, of konden door discriminatie geen passende stageplek vinden. Dit heeft uiteindelijk ook gevolgen voor hun inkomen op latere leeftijd.

Kansengelijkheid in het onderwijsDiversiteit

Kansenongelijkheid start al bij de geboorte

De plek waar je wieg staat en het gezin waarin je opgroeit, bepalen voor een groot deel welke mogelijkheden je hebt. Dit heeft te maken met het economisch, sociaal en cultureel kapitaal van het gezin.

  • Sociaal kapitaal bestaat uit de relaties met de mensen om kinderen heen, zoals familie, vrienden, buren en anderen uit de buurt.  
  • Cultureel kapitaal bestaat uit de kennis, vaardigheden en gewoonten die kinderen thuis leren.  
  • Economisch kapitaal gaat over de financiële middelen van een gezin. Zoals het inkomen van de ouders, hun baan en hun spullen. 

De verschillende kapitalen versterken elkaar. Als kinderen minder kapitaal hebben, kunnen ze een achterstand oplopen op kinderen die dat kapitaal wel hebben. Zo kan een gezin met weinig geld minder snel naar een museum gaan of muziekles volgen. Hierdoor bouwt het kind minder cultureel kapitaal op. En als een kind niet kan sporten omdat dit te duur is, krijgt het minder kans om vrienden te maken op te de sportclub. Kinderen doen zo minder kennis en vaardigheden op. Dit kan hun kansen beïnvloeden, bijvoorbeeld op een opleiding, baan of promotie.

Ideeën in de samenleving houden ongelijke kansen in stand

Veel mensen denken dat succes het resultaat is van hard werken. En dat falen je eigen schuld is. Dit lijkt eerlijk, omdat dit idee ervan uitgaat dat iedereen hetzelfde kan bereiken. Maar dat is niet zo, omdat niet iedereen dezelfde kansen krijgt. En deze kansenongelijkheid wordt juist groter als de samenleving blijft denken en handelen vanuit deze ideeën. Hierdoor geloven we dat mensen in armoede niet genoeg hun best doen om uit hun situatie te komen of door eigen schuld in deze situatie beland zijn. Die gedachte rechtvaardigt om deze mensen niet voldoende te ondersteunen of te helpen, waardoor kansenongelijkheid versterkt wordt.

Lees waarom mensbeelden effectief armoedebeleid in de weg staan

Hannes van de Ven

Hannes van de Ven

inhoudsdeskundige Kwaliteit, beleid en monitoring
h.vandeven [at] nji.nl