Leven onder de lage-inkomensgrens

In 2018 leefde 4,8 procent van de tweeoudergezinnen met minderjarige, thuiswonende kinderen minstens een jaar onder de lage-inkomensgrens. Dat is een daling ten opzichte van 2017, toen het ging om 5,1 procent van deze gezinnen. Onder eenoudergezinnen met minderjarige kinderen is het percentage aanzienlijk hoger, namelijk bijna 21 procent. In totaal groeiden 264 duizend minderjarige kinderen in 2018 op in een huishouden met een laag inkomen. Dat zijn er evenveel als in 2017. Het aantal kinderen in een gezin dat langdurig − minstens vier jaar − moet rondkomen van een laag inkomen is in 2018 met bijna 5 duizend kinderen gedaald naar 103 duizend.

Ook het percentage huishoudens − met of zonder kinderen − met een inkomen onder de lage-inkomensgrens is in 2018 ten opzichte van 2017 iets gedaald. In 2018 leefde 7,9 procent van alle particuliere huishoudens minstens een jaar onder de lage-inkomensgrens. In 2017 ging het om 8,2 procent van de huishoudens. Het percentage huishoudens dat langdurig − minstens vier jaar − onder de lage-inkomensgrens leeft, is met 3,3 procent gelijk gebleven (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2019).

Kinderen in eenoudergezinnen

Een laag inkomen kwam ook in 2018 het meest voor bij eenoudergezinnen met minderjarige, thuiswonende kinderen. Van deze gezinnen had ruim een vijfde (21 procent) een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Ten opzichte van 2017 is dit percentage iets gedaald. In 2017 ging het om bijna 22 procent.

Het percentage eenoudergezinnen met minderjarige kinderen die langdurig − minstens vier jaar − onder de lage-inkomensgrens leefden, is licht gedaald van 7,8 procent in 2017 naar 7,5 procent in 2018 (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2019).

Laatst bewerkt: 10 december 2019


Gebruikte onderzoeken en/of registraties

Gebruikte publicaties

Minderjarige kinderen met risico op armoede

Sinds 2014 daalt het percentage minderjarige kinderen die opgroeien in een huishouden met een laag inkomen. In 2014 ging het om bijna 10 procent van de minderjarigen; in 2018 om 8,1 procent. Vergeleken met 2017 is het percentage gelijk gebleven. Het percentage minderjarige kinderen in een gezin dat langdurig − minstens vier jaar − moet rondkomen van een laag inkomen schommelt sinds 2014 tussen 3,3 procent en 3,7 procent. In 2018 lag het percentage met 3,3 procent van de minderjarige kinderen op het laagste niveau.

In 2018 leefden 264 duizend minderjarige kinderen in een huishouden met een laag inkomen. Dat is 8,1 procent van alle minderjarige kinderen. 103 duizend minderjarige kinderen (3,3 procent) leefden langdurig in een gezin met een laag inkomen

In Nederland zijn er grote verschillen tussen regio's en gemeenten voor wat betreft het aantal kinderen dat in een gezin met een laag inkomen opgroeit.  In Rotterdam, Heerlen en Amsterdam woonden in 2018 naar verhouding de meeste kinderen in een gezin met een laag inkomen. Het gaat om respectievelijk 17,5 procent, 15,8 procent en 15,4 procent van de minderjarige kinderen. Dat is in alle gevallen circa twee keer zo veel als het landelijke gemiddelde (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2019).

Laatst bewerkt: 21 augustus 2020


Gebruikte publicaties

Armoede bij kinderen met een migratieachtergrond

Kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond lopen meer kans op armoede dan kinderen met een Nederlandse of westerse migratieachtergrond. In 2018 groeide 25 procent van de minderjarige kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond minstens een jaar op in een huishouden met een laag inkomen. Onder kinderen van Nederlandse afkomst gaat het om ruim 4 procent.

Sinds 2014 is er sprake van een daling van het aantal kinderen met risico op armoede bij zowel een Nederlandse, westerse als niet-westerse afkomst. Bij kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond is de afname echter relatief gezien kleiner. Dit wordt veroorzaakt door de grote stijging van het aantal kinderen met Syrische afkomst dat deel uitmaakt van een gezin met een laag inkomen. Sinds 2014 nam het risico op armoede onder Syrische kinderen met 30 procent toe van ruim 47 procent in 2014 naar ruim 77 procent in 2018.

Kinderen met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Arubaanse/Antilliaanse achtergrond (de vier grootste groepen met een niet-westerse achtergrond) hadden in 2018 minder vaak met een laag inkomen te maken dan in 2014. Het percentage kinderen met risico op armoede is bij deze groepen tezamen gedaald van 26,4 procent in 2014 naar 19,9 procent in 2018.

Ook kinderen uit de vluchtelingenlanden Irak, Iran, Eritrea, Afghanistan en Somalië hadden in 2018 minder vaak met een laag inkomen te maken dan in 2014. Bij deze groepen tezamen is het percentage gedaald van 54,1 procent naar 46,8 procent (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2019).

Laatst bewerkt: 21 augustus 2020


Gebruikte publicaties

Kinderen in bijstandsgezin

In 2018 leefden 216.900 kinderen in een bijstandsgezin. Dat is 6,5 procent van alle minderjarige kinderen. Ten opzichte van 2017 is sprake van een lichte daling. Toen leefde 6,7 procent van de kinderen in een gezin dat moest rondkomen van een bijstandsuitkering.

Sinds 2014 schommelt het percentage kinderen in een bijstandsgezin tussen 6,5 procent en 6,8 procent. De piek lag in 2016 met 6,8 procent. In 2018 was het percentage minderjarigen terug op het niveau van 2014 (Landelijke Jeugdmonitor, 2019).

Laatst bewerkt: 10 december 2019


Vragen?

Hilde Kalthoff is contactpersoon.

Foto Hilde  Kalthoff

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies. Sluit mededeling over cookies