Cijfers over armoede in gezinnen

Leven onder de lage-inkomensgrens

Binnen alle particuliere huishoudens, met en zonder minderjarige kinderen, is in 2022 sprake van een forse daling van het aantal personen met een risico op armoede. Het percentage huishoudens die onder de lage-inkomensgrens leeft, is nog nooit zo laag geweest. De sterke daling in 2022 hangt volgens het CBS samen met de energietoeslag en andere inkomensondersteunende maatregelen.

Grafiek Huishoudens onder de lage-inkomensgrens

Gegevens in een tabel

Percentage huishoudens onder de lage-inkomensgrens in 2022

  tenminste 1 jaar 4 jaar of langer
Alle particuliere huishoudens 3,8% 1,5%
Paren met alleen minderjarige kinderen 3,9% 1,7%
Eenoudergezinnen met alleen minderjarige kinderen 11,2% 4,3%

Het percentage huishoudens, met of zonder kinderen, met een inkomen onder de lage-inkomensgrens is in 2022 gedaald van 5 procent in 2021 naar 3,8 procent in 2022. Deze huishoudens moesten minstens een jaar rondkomen met een laag inkomen. Het percentage huishoudens dat minstens vier jaar onder de lage-inkomensgrens leeft, is gedaald van 2,3 procent in 2021 naar 1,5 procent in 2022.

Eenoudergezinnen met thuiswonende minderjarige kinderen hebben het hoogste risico op armoede. Van hen moest 11,2 procent in 2022 rondkomen met een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Ten opzichte van 2021 is dit percentage wel aanzienlijk gedaald. Toen ging het om 16,2 procent van deze gezinnen.

Van de tweeoudergezinnen met minderjarige, thuiswonende kinderen leefde 3,9 procent minstens een jaar onder de lage-inkomensgrens. In 2021 ging het om 4 procent.

In totaal groeiden 165 duizend minderjarige kinderen in 2022 op in een huishouden dat minstens een jaar onder de lage-inkomensgrens moest leven. Dat is 5,2 procent van alle minderjarige kinderen dat in een  particulier huishouden woont. Dat zijn er een stuk minder dan in 2021. Toen ging het om 192 duizend kinderen (6,1 procent). Het aantal kinderen in een gezin dat minstens vier jaar moet rondkomen van een laag inkomen is in 2022 eveneens gedaald van 2,8 procent naar 2,2 procent (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023).

Eenoudergezinnen

Een laag inkomen kwam ook in 2022 het meest voor bij eenoudergezinnen met minderjarige, thuiswonende kinderen. Van deze gezinnen had 11,2 procent een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Ten opzichte van 2021 is dit percentage aanzienlijk gedaald. Toen ging het om bijna 16,2 procent van deze gezinnen.

Het percentage eenoudergezinnen met minderjarige kinderen die minstens vier jaar onder de lage-inkomensgrens leefden, is eveneens gedaald. In 2021 ging het om 6,5 procent, in 2022 om 4,3 procent (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023).

Minderjarige kinderen met risico op armoede

In 2022 leefden circa 165 duizend minderjarige kinderen in een huishouden met een laag inkomen. Dat is 5,2 procent van alle minderjarige kinderen. 2,2 procent van alle minderjarige kinderen leefden langdurig in een gezin met een laag inkomen. Ten opzichte van 2021 is er opnieuw sprake van een daling van het aantal kinderen in armoede. Toen ging het om 6,1 procent van de minderjarigen die minstens één jaar in een huishouden met een laag inkomen woonden.

Grafiek Minderjarige kinderen met risico op armoede

Gegevens in een tabel

Percentage minderjarige kinderen met risico op armoede (2014 - 2022)

  Laag inkomen Langdurig laag inkomen
2014 9,7% 3,5%
2015 9,2% 3,7%
2016 8,5% 3,6%
2017 8,1% 3,4%
2018 7,9% 3,3%
2019 7,9% 3,2%
2020 6,8% 3,1%
2021 6,1% 2,8%
2022 5,2% 2,2%

Sinds 2013 daalt het percentage minderjarige kinderen die opgroeien in een huishouden met een laag inkomen. In 2013 ging het om bijna 10 procent van de minderjarigen; in 2020 om circa 7 procent en in 2022 om 5,2 procent. Het percentage minderjarige kinderen in een gezin dat langdurig − minstens vier jaar − moet rondkomen van een laag inkomen daalt sinds 2016. Toen ging het 3,6 procent van de minderjarige kinderen. In 2021 leefde 2,9 van de minderjarige kinderen langdurig onder de lage-inkomensgrens (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023).

Armoede bij kinderen naar herkomst

Kinderen die in het buitenland geboren zijn lopen een veel groter risico op armoede dan kinderen die in Nederland geboren zijn. 18,9 procent van de kinderen die in het buitenland geboren zijn, leven in 2022 onder de lage-inkomensgrens. Kinderen die buiten Europa geboren zijn, lopen daarbij het grootste risico. Van de vier grootste herkomstgroepen buiten Europa, namelijk Turkije, Marokko, Suriname en Nederlands-Cariben, lopen in Marokko en Turkije geboren kinderen het meeste risico op armoede: respectievelijk 41,9 procent en 31,8 procent. Van kinderen die in Nederland geboren zijn en één of twee ouders hebben die geboren zijn buiten Europa, oftewel de tweede generatie, lopen Nederlands-Marokkaanse kinderen met 15,8 procent het meeste risico.

Kinderen uit gezinnen die recent gevlucht zijn uit Syrië, Afghanistan, Irak en Eritrea en daar geboren zijn, lopen van alle kinderen in Nederland de meeste kans op armoede. Het gaat om respectievelijk 46,4 procent, 40,4 procent, 37,6 procent en 33,2 procent van de minderjarige kinderen geboren in die landen (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023).

Kinderen in armoede per gemeente

In Nederland zijn er grote verschillen tussen regio's en gemeenten voor wat betreft het aantal kinderen dat in een gezin met een laag inkomen opgroeit. In Rotterdam, Heerlen, Amsterdam, Den Haag en Kerkrade woonden in 2022 naar verhouding de meeste kinderen in een gezin met een laag inkomen. Het gaat om respectievelijk 10,5 procent, 10,3 procent, 9,5 procent, 9,4 procent en 8,9 procent van de minderjarige kinderen. Dat is in alle gevallen circa twee keer zo veel als het landelijke gemiddelde van 5,2 procent (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2023).

Wil je weten hoe hoog het percentage kinderen in armoede is in jouw gemeente? Kijk dan op Staat-van-de-jeugd.nl:

Kinderen in armoede per gemeente

Definitie

Van armoede is sprake als het inkomen onder een bepaalde koopkrachtnorm ligt. Voor de afbakening van armoede gebruikt het Centraal Bureau voor de Statistiek de lage-inkomensgrens. Wanneer het besteedbaar inkomen van het huishouden onder deze grens ligt, wordt gesproken van een huishouden met risico op armoede. Het huishouden beschikt dan over onvoldoende middelen om een bepaald minimaal consumptieniveau te bereiken.

Behalve het inkomen worden ook andere factoren meegenomen om de kans op armoede te beschrijven, zoals hoelang een gezin van een laag inkomen leeft, de omvang van de vaste lasten en het eigen oordeel over de financiële positie.

In 2020 was de grens voor een gezin met twee minderjarige kinderen 2.110 euro en voor een éénoudergezin 1.680 euro. Voor een paar zonder kinderen was de grens 1.550 euro.

Meer informatie

Armoede

Meer informatie over gebruikte onderzoeken:

Deniz Ince

Drs. Deniz Ince

medewerker inhoud