Cijfers over armoede in gezinnen

Leven onder de lage-inkomensgrens

Grafiek Huishoudens onder de lage-inkomensgrens (2019)

In 2019 leefde 4,7 procent van de tweeoudergezinnen met minderjarige, thuiswonende kinderen minstens een jaar onder de lage-inkomensgrens. Ten opzichte van 2018 is dit percentage onveranderd gebleven. Onder eenoudergezinnen met minderjarige kinderen is het percentage gezinnen met een laag inkomen aanzienlijk hoger maar is ten opzichte van 2018 gedaald. In 2019 leefde 18,3 procent van de eenoudergezinnen met thuiswonende minderjarige kinderen met een laag inkomen. Een jaar eerder ging het om 19,7 procent.

In totaal groeiden ruim 251 duizend minderjarige kinderen in 2019 op in een huishouden met een laag inkomen. Dat zijn er iets minder dan in 2018. Toen ging het om 258 duizend kinderen. Het aantal kinderen in een gezin dat langdurig − minstens vier jaar − moet rondkomen van een laag inkomen is in 2019 eveneens gedaald van 102 duizend kindneren in 2018 naar ruim 99 duizend kinderen in 2019.

Het percentage huishoudens − met of zonder kinderen − met een inkomen onder de lage-inkomensgrens is in 2019 ten opzichte van 2018 opnieuw iets gedaald. In 2019 leefde 7,7 procent van alle particuliere huishoudens minstens een jaar onder de lage-inkomensgrens. In 108 ging het om 7,9 procent. Het percentage huishoudens dat langdurig − minstens vier jaar − onder de lage-inkomensgrens leeft, is daarentegen iets gestegen van 3,3 procent in 2018 naar 3,4 procent in 2019 (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020).

Eenoudergezinnen

Een laag inkomen kwam ook in 2019 het meest voor bij eenoudergezinnen met minderjarige, thuiswonende kinderen. Van deze gezinnen had bijna een vijfde (18,3 procent) een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Ten opzichte van 2018 is dit percentage opnieuw iets gedaald. In 2017 ging het om bijna 22 procent en in 2018 om 19,7 procent.

Het percentage eenoudergezinnen met minderjarige kinderen die langdurig − minstens vier jaar − onder de lage-inkomensgrens leefden, is eveneens gedaald. In 2017 ging het om 7,8 procent, 2018 7,2 procent en 2019 6,4 procent (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020).

Minderjarige kinderen met risico op armoede

Grafiek Minderjarige kinderen met risico op armoede 2014-2019

Sinds 2014 daalt het percentage minderjarige kinderen die opgroeien in een huishouden met een laag inkomen. In 2014 ging het om bijna 10 procent van de minderjarigen; in 2019 om 7,8 procent. Vergeleken met 2018 is het percentage opnieuw iets gedaald. Het percentage minderjarige kinderen in een gezin dat langdurig − minstens vier jaar − moet rondkomen van een laag inkomen schommelt sinds 2014 tussen 3,2 procent en 3,7 procent. In 2019 lag het percentage met 3,2 procent van de minderjarige kinderen op het laagste niveau.

In 2019 leefden ruim 251 duizend minderjarige kinderen in een huishouden met een laag inkomen. Dat is 7,8 procent van alle minderjarige kinderen. Ruim 99 duizend minderjarige kinderen (3,2 procent) leefden langdurig in een gezin met een laag inkomen.

In Nederland zijn er grote verschillen tussen regio's en gemeenten voor wat betreft het aantal kinderen dat in een gezin met een laag inkomen opgroeit. In Rotterdam, Heerlen, Delfzijl en Amsterdam woonden in 2019 naar verhouding de meeste kinderen in een gezin met een laag inkomen. Het gaat om respectievelijk 16,5 procent, 15 procent, 14,6 procent en 14,5 procent van de minderjarige kinderen. Dat is in alle gevallen circa twee keer zo veel als het landelijke gemiddelde van 7,8 procent (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020).

Armoede bij kinderen met een migratieachtergrond

Grafiek Kinderen in armoede naar herkomst

Gezinnen met een niet-westerse migratieachtergrond maken vaker gebruik van een bijstandsuitkering. Ook hebben ze vaker een laag inkomen. Hierdoor lopen kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond een groter risico op armoede.

In 2019 groeide ruim 25 procent van de minderjarige kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond minstens een jaar op in een huishouden met een laag inkomen. Onder kinderen van Nederlandse origine gaat het om 3,6 procent. Ruim 13 procent van de kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond leeft vier jaar of langer in een gezin met een laag inkomen. Onder kinderen zonder migratieachtergrond gaat het om ruim 1 procent van de kinderen.

Van de grootste groepen met een niet-westerse migratieachtergrond hebben gezinnen met een Marokkaanse achtergrond het vaakst een laag inkomen (26,5 procent). Ook een langdurig laag inkomen komt bij hen het vaakst voor. Lage inkomens komen ook voor bij gezinnen met een Antilliaanse (25 procent), Turkse (20 procent) en Surinaamse (16 procent) migratieachtergrond (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020).

Kinderen uit gezinnen die recent gevlucht zijn lopen de meeste kans op armoede. In 2018 maakte 77 procent van de kinderen met een Syrische achtergrond deel uit van een laag-inkomensgezin (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2019).

Het aantal kinderen met een risico op armoede daalt sinds 2014. Dit geldt zowel voor gezinnen met een migratieachtergrond als gezinnen van Nederlandse origine. Bij kinderen met een niet-westerse  migratieachtergrond is het risico op armoede gedaald van 30,4 procent in 2014 naar 25,2 procent in 2019. Deze daling geldt echter niet voor kinderen met een Syrische achtergrond. Onder hen is het risico op armoede gestegen. Kinderen met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Arubaanse/Antilliaanse achtergrond en kinderen uit andere vluchtelinglanden hadden minder vaak met een laag inkomen te maken dan vier jaar eerder.

Onder kinderen van Nederlandse origine is het percentage kinderen in een gezin met een laag inkomen gedaald van 5,5 procent in 2014 naar 3,6 procent in 2019.

Bijstandsuitkering

In 2019 groeide 22 procent van de minderjarigen met een niet-westerse migratieachtergrond op in een gezin met bijstandsuitkering. Bij minderjarigen van Nederlandse origine ligt dit percentage op 2,4 procent.

Er zijn grote verschillen naar herkomstgroep. Het merendeel (69 procent) van de kinderen met een Syrische achtergrond leeft in een bijstandsgezin. Dit is verklaarbaar doordat Syrische gezinnen vaak relatief kort in Nederland zijn. Onder Marokkaanse en Turkse kinderen gaat het om respectievelijk 19 procent en 12 procent.

Kinderen in bijstandsgezin

In 2019 groeide 6,1 procent van alle kinderen onder de 18 jaar op in een bijstandsgezin. Ten opzichte van 2018 is sprake van een lichte daling. Toen leefde 6,5 procent van alle minderjarige kinderen in een gezin dat moest rondkomen van een bijstandsuitkering

Sinds 2014 schommelt het percentage kinderen in een bijstandsgezin tussen ruim 6 procent en 6,8 procent. De piek lag in 2016 met 6,8 procent (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020a).

Bijstandskinderen hebben relatief vaak een niet-westerse migratieachtergrond. 22 procent van de kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond leeft in een gezin die rond moet komen van een bijstandsuitkering. Onder kinderen met een Nederlandse achtergrond gaat het om 2,4 procent van de minderjarigen.

Binnen de groep kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond zijn er echter grote verschillen. Het merendeel (69 procent) van de kinderen met een Syrische achtergrond groeit op in een gezin met een bijstandsuitkering. Onder kinderen met een Marokkaanse en Turkse achtergrond gaat het om respectievelijk 19 procent en 12 procent. Het risico op armoede is groot binnen bijstandsgezinnen (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020b).

Definitie

Van armoede is sprake als het inkomen onder een bepaalde koopkrachtnorm ligt. Voor de afbakening van armoede gebruikt het Centraal Bureau voor de Statistiek de lage-inkomensgrens. Dat is een inkomen tot 120 procent van het sociaal minimum. Behalve het inkomen worden ook andere factoren meegenomen om de kans op armoede te beschrijven, zoals hoe lang een gezin van een laag inkomen leeft, de omvang van de vaste lasten en het eigen oordeel over de financiële positie.

Meer informatie

Deniz Ince

Drs. Deniz Ince

medewerker inhoud