Het belang van aandacht voor schoolaanwezigheid
Uitval en thuiszitten zijn geen incidenten. Ze zijn het gevolg van hoe onderwijs is ingericht. Dat zegt Luc Stevens, emeritus-hoogleraar orthopedagogiek. Het antwoord is volgens Stevens geen nieuw systeem, maar een andere houding die van school een herbergzame plek voor leerlingen maakt. Op deze pagina lees je wat dit volgens hem vraagt in de praktijk.
Luc Stevens (1941) is emeritus-hoogleraar orthopedagogiek en een toonaangevende stem in het Nederlandse onderwijs. Hij is oprichter van het Nederlands Instituut voor Onderwijs en Opvoedingszaken (NIVOZ) en bekend van de pedagogische visie 'Eerst het kind, dan de leerling'. In zijn werk staat de relatie centraal: het belang van een schoolcultuur waarin ieder kind wordt gezien, ertoe doet, en zich uitgenodigd voelt om er te zijn.
De pedagogische opdracht gaat vóór het curriculum
'Ons onderwijs is selectief en meritocratisch: wie past, stroomt door. Wie afwijkt, raakt sneller los', aldus Luc Stevens. Volgens hem is een andere houding nodig, die antwoord zoekt op de vraag: hoe maken we van school een herbergzame plek waar leerlingen zich gezien voelen, juist als zij dreigen uit te vallen? Want leerlingen die zich gezien en gehoord voelen, gaan liever en met meer plezier naar school.
Volgens Stevens moet een school eerst aandacht hebben voor de leerling als mens. Daarna komen pas de lesmethode en de toetsen. De school moet de pedagogische opdracht duidelijk vastleggen en ervoor zorgen dat alle medewerkers volgens deze afspraak werken. Dit noemt Stevens de 'pedagogische paragraaf'.
Stevens sprak op twee kennisdelingsbijeenkomsten van het Kennisnetwerk Schoolaanwezigheid (KNSA) over deze vastgelegde pedagogische grondhouding. Volgens hem vormt die grondhouding de basis voor een betere schoolaanwezigheid. In de vier fragmenten hieronder deelt hij waar het volgens hem in de praktijk om draait.
1. Een veilige relatie als basis
Een kind heeft veilige gehechtheid nodig om zich te kunnen ontwikkelen. Soms is één betrouwbare volwassene al genoeg om een kind zekerheid, vertrouwen en zelfvertrouwen te geven. Volgens Stevens werkt die veiligheid twee kanten op: als een leerling positief reageert, bouwt ook de leraar vertrouwen op in zijn eigen kunnen en aanpak. Vertrouwen en zelfvertrouwen horen zo bij elkaar: al vroeg in de ontwikkeling, maar net zo goed op school.
Leerlingen zoeken de persoon achter de leraar: iemand die betrokken en nabij is. Vanuit die relatie durven ze met vertrouwen te leren. Ontbreekt die veilige basis, dan is dat nooit helemaal te vervangen. Maar leraren kunnen wel veel compenseren. Precies dat maakt hen volgens Stevens een belangrijke functionele groep in het leven van leerlingen. Dit is de kern van wat vaak het pedagogisch klimaat wordt genoemd: een omgeving waarin een kind zich veilig genoeg voelt om zich te laten zien.
2. Van controle naar bemoediging
Vanuit de veilige relatie ontstaat een andere pedagogische houding: een verschuiving van controle naar bemoediging. Stevens vraagt leraren: ben je vooral bezig problemen op te lossen, of ben je iemand die uitzicht biedt? Kansen zien en succeservaringen mogelijk maken is iets anders dan opdrachten geven die op tijd af moeten zijn en deze beoordelen.
Hoe bemoediging eruitziet, maakt Stevens concreet met het herkenbare beeld van ouders die hoopvol blijven over hun kind, ook bij beperkingen: 'Doe je best. Op mij kun je rekenen.' Dat hoopvolle perspectief - niet vergelijken, niet controleren - is volgens hem het enige perspectief waarin een kind zich kan ontwikkelen.
Als de relatie verstoord is, moet die eerst worden hersteld. Laat de leerling vertellen en luister als leraar echt. Pas dan kan gewerkt worden aan uitdagingen die passen bij wat een kind op dat moment aankan. Dat vraagt steeds om afstemmen. En dat is volgens Stevens gewoon een normaal onderdeel van opvoeden en lesgeven.
3. De leerling als volwaardige partner
Deze pedagogische houding vraagt om een kanteling van de school zelf: kijk niet alleen naar wat het systeem vraagt, maar ook naar wat leerling én leraar nodig hebben. De schoolleider speelt hierin een sleutelrol door vertrouwen, ruimte en tijd te geven. Ruimte en tijd zie je terug in het rooster, vertrouwen in de cultuur en in de verwachtingen die de school stelt aan leraren.
De leraar staat niet alleen vóór de klas, maar ook naast de leerling en luistert. Voor Stevens is dat de toekomst van het onderwijs, als je af wil van de problemen waar je dagelijks mee te maken hebt. Je kunt deze problemen helpen voorkomen door de leerling als volwaardige partner te zien. Trek samen op: maak contact, geef ruimte om te vertellen en luister. Ook wanneer een leerling er even niet is. En stimuleer het contact tussen klasgenoten: dat versterkt het gevoel erbij te horen en laat leerlingen merken dat ze ertoe doen. En wie zich gezien voelt, neemt makkelijker zelf verantwoordelijkheid voor het eigen leren.
'We hebben je gemist' is dan niet alleen een zin die je tegen een leerling zegt, maar de kern van een pedagogisch klimaat waarin ieder kind ertoe doet.
4. De leraar als eigen instrument
Volgens Stevens is de leraar diens eigen instrument én eigen zekerheid. Dat verdraagt zich slecht met een onderwijs dat draait om programma's, regels en toetsen die leren en ontwikkeling voorspelbaar proberen te maken. Die zekerheden werken grotendeels prima, maar niet per se bij het bevorderen van schoolaanwezigheid. De motivatie, betrokkenheid en het vertrouwen van de leraar in het vak maken volgens Stevens uiteindelijk het verschil.
Conclusie
Schoolaanwezigheid is geen organisatorisch probleem dat je oplost met een strakker protocol. Het vraagt om een pedagogische grondhouding die uitgaat van een veilige relatie en bemoediging in plaats van controle. Dit krijgt vorm als de leerling serieus kan meepraten. En als de leraar durft te vertrouwen op zijn eigen vakmanschap. Volgens Stevens draait het uiteindelijk om contact van mens tot mens. Dit vraagt niet alleen iets van individuele leraren, maar ook van schoolleiders. Zij kunnen ruimte, tijd en vertrouwen geven om deze pedagogische grondhouding ook werkelijk waar te maken.