• WERKEN AAN DE KWALITEIT
  • VAN DE JEUGDSECTOR
Over het Nederlands Jeugdinstituut

Professionele taalvaardigheid: did we tell them to do the wrong things?

Josette Hoex - 3 september 2013

Het Amsterdams voornemen om 2,5 jarigen een ‘peuterschool’ aan te bieden in de strijd tegen taalachterstand roept veel reacties op. Om een paar bedenkingen te noemen:

  • Uit onderzoek blijkt dat de impact van de thuissituatie twee keer zwaarder weegt dan wat een voorziening aanbiedt. Waarom dan niet alle kaarten ingezet op een taalverrijkend aanbod aan ouders? Geef hen recht op een gratis taalcursus. En accepteer dat sommige kinderen in een minder kansrijk nest zijn geboren; dat kan geen peuterschool compenseren.
  • Nederland kiest voor relatief laagopgeleide groepsleiding in opvang en voorschoolse educatie. Je kan en mag niet verwachten dat deze professionals een rijk en correct taalgebruik hebben. Dus accepteer dit gegeven: alle waar naar zijn geld!
  • Hoe zinvol is het om groepsleiding naar taalvaardigheidstraining te sturen (één van de beoogde maatregelen) als middel tegen taalachterstand bij kinderen? Zonder coaching en reflectie op de werkvloer heeft training weinig effect. En helaas gaat maar 12% van de werktijd van leidinggevenden naar pedagogische aansturing (NCKO 2013).
  • Was het trouwens niet de politiek zélf die ouders sinds 2005 aanspoort om ‘op de markt’ naar opvangkwaliteit te zoeken? Consumenten behoren graag wat straten om te rijden voor een passend pedagogisch aanbod tegen een scherpe prijs. Over dringende afspraken tussen opvang en basisonderwijs is nooit gerept. Nu is dat ineens cruciaal, en moeten ouders van 2,5 jarigen hun pedagogische visie inruilen voor een ‘gegarandeerde schoolbank’ voor hun kind.

Deze noties doen je afvragen of zo’n aanbod van 2 of 4 gratis dagdelen nou positief of negatief is. Moeten we niet wat méér realisme aan de dag leggen als het gaat over de maakbaarheid van de levens van jonge kinderen?

Ja, onze middelen zijn inderdaad beperkt. Maar is het niet gewoon onze maatschappelijke plicht om een taal- en speelrijke leefomgeving te creëren voor alle peuters? Die hun persoonlijke talenten aanspreekt en hen helpt om sociale en zelfredzame burgers te worden?

Uit de NCKO-monitor (2013) blijkt dat groepsleiding in 0-4 jarigenopvang laag scoort op ontwikkelingsstimulering (77% onvoldoende, 18% matig). Deze uitkomst herinnert mij aan professor Melhuish (UK), die naar aanleiding van de geringe effectiviteit van ecec-programma’s zei: “Did we tell them to do the wrong things or did they not do well enough what we tell them to do?”

Kan het zo zijn dat wij teveel klagen over het ‘ondermaatse’ van onze professionals (‘they not do well enough!’), en hen intussen ‘the wrong things’ vertellen? Bijvoorbeeld over het stimuleren van taalontwikkeling?

Groepsleiding moet over enige mate van technische taalvaardigheid beschikken; zinvolle woordenschat en correct taalgebruik. Men moet kunnen praten en uitleg geven. Met een score van 35% onvoldoende en 60% matig (NCKO 2013) is training op dit punt dus verdedigbaar. Maar dat is maar een deel van wat nodig is. Taal is ook een middel om het ontwikkeldoel taalverwerving te realiseren. Dit vraagt kennis over hoe leren kinderen taal en hoe maak je kinderen taalgevoelig(er)? Deze kennis is ‘the right thing to tell’!

Professionals in voorschoolse educatie hebben dringend méér bagage nodig over een passende inzet van taal (stemgebruik, woordkeuze, volume) met passende vormen (rijm, liedjes, raadspelletjes, grapjes, beweging). Zij moeten inzicht hebben in de doelmatigheid van hun handelen. Hoe benut je verzorgende- en wachtmomenten voor taalverwerving; hoe gebruik je een incident voor gesprek en dialoog; hoe breng je kinderen met elkaar in gesprek? (zie o.a. Paul Leseman, NRC Handelsblad 21 augustus 2013/pag 6-7). Daarnaast hebben kinderen vooral ook andere kinderen nodig. Kinderen leren door elkaar te bestuderen en te imiteren, door met elkaar tijdens spel de wereld - ook in talige vorm - te verkennen.

Voor een effectief voor- en vroegschools traject is het essentieel dat professionals véél praktische kennis over en vaardigheden voor taalverwerving meekrijgen. Ook dat zij dit op de werkvloer blijven oefenen en dat het ontwikkeldoel ‘taalgevoelig maken’ in ieder pedagogisch beleidsplan staat. In een omgeving waar peuters taal spreken, taal zingen, taal dansen, taal voelen en taal proeven, krijgen zij optimale kansen om taal te ontwikkelen. In hun eigen tempo, naar eigen kunnen. Als dat gedurende twee of vier gratis dagdelen per week kan, dan gráág!

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.