Kaleidoscoop

Veelgestelde vragen

Heeft u een vraag over Kaleidoscoop? Bekijk hieronder de veelgestelde vragen. Staat uw vraag er niet bij, neem dan contact op via infokalei@nji.nl.

Je kunt je goed voorbereiden op het inspectieboek door gebruik te maken van het instrument ‘Zelfevaluatie, Coaching en Begeleiding’. Dit instrument is naast het waarderingskader van de onderwijsinspectie gelegd en heeft veel overeenkomsten. De onderwijsinspectie is ook bekend met dit instrument. Als je je in het instrument richt op niveau 5, heb je een richtlijn om naartoe te werken.

De inspectie hecht veel waarde aan het registreren van activiteiten en leerervaringen die kinderen opdoen. Zij willen graag zien dat de activiteiten die gepland worden voor kinderen via een planformulier, gebundeld in een map zitten. Dan gaat het niet om losse activiteiten, maar vooral om het zichtbaar maken dat je voortborduurt op activiteiten en opgedane sleutel ervaringen door de kinderen Dat doe je door een vervolgactiviteit te verrijken of herhalen, als die extra ervaring nodig is. De inspectie noemt dit een ‘beredeneerd aanbod’: weten waarom je wat en wanneer aanbiedt.

De inspectie wil graag dat je vanuit het belang van de ontwikkeling van het kind goed kan uitleggen waarom je welke activiteiten aanbiedt. Het is belangrijk dat je observaties van kinderen vastlegt, dat je kan laten zien hoe een kind zich in brede zin ontwikkelt en dat er een stijgende ontwikkelingslijn is. Hiervoor kun je bijvoorbeeld de KOR gebruiken (Kind Observatie en Registratie) of het OVM (Ontwikkelings Volg Model).

Zie de inspectie vooral als een kans om feedback te krijgen op je werkwijze en de mate van implementatie van Kaleidoscoop in de praktijk. Je kunt ter voorbereiding ook op de website van de Onderwijsinspectie kijken, zie www.onderwijsinspectie.nl, waar je het waarderingskader kunt vinden. Ook rapporten van bezoeken van VVE- locaties die eerder zijn afgelegd, zijn daar te vinden.

Kaleidoscoop is een ‘talig’ programma, omdat taal door de dag heen verweven is. In principe is het dus niet nodig een apart taalprogramma te gebruiken. Kaleidoscoop bevat alle elementen van het SLO/referentiekader, hoewel anders benoemd.

Vooral bij het vooruitkijken en terugkijken wordt binnen Kaleidoscoop veel taal gebruikt. Kinderen worden bij vooruitkijken gestimuleerd om na te denken over het plannetje dat ze uit willen gaan voeren en dit te verwoorden. Bij het terugkijken vertellen kinderen wat ze gedaan hebben, wat hun beleving hierbij was, in welke volgorde gebeurtenissen plaatsvonden etc.

Hoe rijk aan taal het vooruitkijken en terugkijken is, hangt af van de leeftijd van de kinderen, maar ook hoe de volwassene het vooruitkijken en terugkijken uitvoert. Het stellen van goede vragen is belangrijk. Zo breid je het gesprekje uit, laat je kinderen op elkaar reageren en stimuleer je het denkvermogen van de kinderen. Ook gedurende andere onderdelen van het dagschema, het speelwerken en speelleren in de grote en kleine groep, komt er veel taal aan de orde. Door steeds gericht taal te koppelen aan de activiteiten en handelingen van de kinderen, breiden kinderen hun woordenschat uit in een zinvolle context.

Ook het creëren van een talige speel/ leeromgeving draagt hieraan bij:

  • het labelen van de materialen met afbeeldingen én woorden
  • het opschrijven van het verhaal achter de tekening
  • het werken met een ‘berichtenbord’, waarop je verhalen van kinderen noteert in de vorm van pictogrammen en woorden
  • het talig inrichten van hoeken
  • het maken van een thematafel of hoek etc.

Gedurende de dag doen zich vele kansen voor om interessante gesprekjes met kinderen te voeren of te stimuleren dat kinderen onderling met elkaar in gesprek gaan.. Belangrijk is om deze kansen te grijpen en vast te leggen welke woorden en begrippen dagelijks aan bod zijn geweest. Uiteraard is het herhalen van nieuwe begrippen en woorden voor kinderen belangrijk. Heb vooral veel plezier in het gebruik van taal in allerlei varianten en je zult ervaren dat kinderen dit in hun gevoelige taalperiode snel oppakken.

Kaleidoscoop heeft een nascholingsaanbod op het gebied van taal. In deze nascholing vindt een verdieping plaats van het taalelement van Kaleidoscoop. Rijmpjes en versjes, interactief voorlezen, woordenschatontwikkeling, stimuleren van taaldenkvermogen en andere onderwerpen komen aan bod. Een voorbeeld van een nieuw product van Kaleidoscoop dat hierbij goed gebruikt kan worden, is ‘Taal aan Tafel’.

Kaleidoscoop is goed toepasbaar in babygroepen in de kinderopvang. De principes van actief leren gaan ook op voor baby’s. Baby’s zijn van nature actieve leerders. Ook met baby’s kun je vooruit- en terugkijken. Je doet dit op een andere manier: bij het vooruitkijken kun je een baby bijvoorbeeld drie soorten materialen laten zien. Je kijkt dan waar de blik van de baby naartoe gaat. Je benoemt wat je ziet. De baby geeft non-verbaal aan waar zijn of haar interesse naar uit gaat. Bij het terugkijken kun je met het speelgoed erbij zelf benoemen wat je gezien hebt.

Ook baby’s kun je keuzes geven door de dag heen. Je structureert dit voor, zoals hierboven aangegeven. Je kunt de verzorgingsmomenten goed gebruiken om gesprekjes te voeren of te spelen met baby’s.

In de praktijk moeten baby’s zich vaak vermaken met hetzelfde speelgoed. Baby’s ontdekken graag nieuwe materialen en willen op onderzoek uitgaan. Belangrijk is dat ze daarbij hun hele lijf en al hun zintuigen kunnen gebruiken. Ook het veel op de grond zijn en kruipend hoogteverschillen overbruggen is belangrijk voor baby’s.

Een leuk idee is om een ‘treasure basket’ samen te stellen met alledaagse materialen met verschillende texturen, zoals een afwasborstel, schuursponsje, garde, pollepel, lapje stof, lepel, knisperend papier, spiegelende voorwerpen enz. Zo’n basket kun je aan de baby geven zodra hij/zij zichzelf even moeten vermaken. Het is interessant om te zien wat het kind pakt en hoe hij/zij het materiaal onderzoekt. Baby’s kunnen verrassend lang met zo’n ‘treasure basket’ bezig zijn, want er valt steeds weer iets nieuws te ontdekken.

In de tiendaagse training voor kinderdagverblijven komen al deze aspecten uitgebreid aan bod.

Kaleidoscoop is goed toepasbaar in verticale groepen in de kinderopvang. Juist in verticale groepen doen zich veel kansen voor om kinderen van elkaar te laten leren. Je kunt de ruimte zó inrichten dat op grondniveau de materialen liggen die geschikt zijn voor de allerjongsten. Op grijpniveau van peuters liggen de materialen die meer geschikt zijn voor hun leeftijd. Bij het inrichten van hoeken is het belangrijk om aparte hoeken te creëren voor de allerjongsten. Zij hebben behoefte aan vloerruimte om te kunnen ontdekken, kruipen, iets weg te laten rollen en te pakken etc.

In verticale groepen kun je goed gebruik maken van de leeftijdsverschillen door kinderen bij elkaar te betrekken. Dat kan het beste op een actieve manier gebeuren. Grote kinderen vinden het vaak leuk om met kleine kinderen te spelen en te helpen bij het verzorgen. Kleine kinderen vinden het leuk om naar grote kinderen te kijken. Je kunt daarin een stapje verder gaan door kleine kinderen ook actief te betrekken bij het spel van de grote kinderen door met ze te praten , dezelfde materialen te geven en te verwoorden wat er gebeurt.

Hoe je dit kunt aanpakken, komt aan bod in de tiendaagse training Kaleidoscoop voor kinderdagverblijven

Het is een vooroordeel dat Kaleidoscoop een ongestructureerd programma is, waarin alles mag en kan. Kaleidoscoop biedt juist veel structuur door het vaste dagschema en het gebruik van dagschemakaarten. Hierdoor kunnen kinderen anticiperen op wat gaat volgen. Binnen die structuur is er veel ruimte voor eigen keuzes van kinderen en actief leren. Het dagschema laat zich ook aanpassen aan bijzondere gebeurtenissen, zoals feest vieren, uitstapjes maken of het uitvoeren van het dagschema in de buitenruimte.

Tijdens het speelwerken maken kinderen eigen keuzes voor hoeken en materialen. Tijdens het speelleren in de kleine en grote groep bepaalt de volwassene welke activiteiten en welke materialen aangeboden worden. Zo kunnen kinderen nieuwe sleutelervaringen opdoen. Het kan zijn dat je nieuw materiaal wilt introduceren, bestaand materiaal opnieuw onder de aandacht wilt brengen, kinderen nieuwe vaardigheden op wilt laten doen of wilt voortborduren op eerdere ervaringen. Hierbij kun je een koppeling maken met nieuwe woorden en taalbegrippen.

Een activiteit van de kleine of de grote groep heeft altijd een begin, midden en einde. Bij het begin introduceer je de activiteit en de materialen op een manier die de interesse van de kinderen wekt. In het midden kunnen kinderen zelf bepalen hoe ze de materialen gaan onderzoeken en gebruiken. Als volwassene speel je hierop in door aansluitend bij wat het kind laat zien, de leerervaringen te benoemen en het spel uit te breiden. Dit betekent dat je van tevoren nadenkt over sleutelervaringen die je een kind wil laten opdoen en taalbegrippen die aan bod komen. Dit pas je flexibel toe door aan te sluiten bij de interesses van de kinderen. Bij het einde rond je af door kinderen te betrekken bij elkaars werk/spel, na te praten en samen op te ruimen. Vergeet daarbij niet om de gebruikte materialen een plekje te geven in één van de Hoeken, zodat kinderen hiermee meer ervaringen op kunnen doen tijdens het speelwerken.

Door te werken met Kaleidoscoop stimuleer je de sociale omgang tussen kinderen onderling op een positieve manier. Daardoor is ingrijpen door een volwassene vrijwel niet nodig, omdat kinderen geleerd hebben hoe ze een probleem met elkaar of met materialen op kunnen lossen. De sturing vindt dus meer op een indirecte wijze plaats door het aanbieden van een beredeneerd aanbod.

Het bieden van structuur door het vaste dagschema en het aanbieden van een beredeneerd aanbod komt in alle trainingen van Kaleidoscoop aan de orde.

Belangrijk is dat je een goede basisindeling maakt van de beschikbare ruimte in hoeken. Hiervoor heb je lage kasten en(mobiele) afscheidingen nodig. Veelal is het aanwezige basis ontwikkelingsmateriaal en speelgoed voldoende. Je gaat met het inrichten van een rijke leeromgeving je meer richten op aanvullende materialen die je zelf kunt verzamelen, zoals verpakkingsmateriaal, schelpen, knopen, natuurmaterialen, doppen en deksels, echte pannen en servies, restmaterialen van de bouw, lappen stof, bouten en moeren etcetera.

Deze zgn. open materialen waar kinderen een eigen functie aan kunnen geven, zijn vaak interessanter dan bestaand speelgoed/ontwikkelingsmateriaal. Een tip is om goed rond te kijken naar deze open materialen en deze actief te verzamelen. Dit hoeft weinig tot geen geld te kosten. Als je die open materialen weet te combineren met elkaar, ontstaat er vaak rijk spel waar kinderen diverse sleutelervaringen in kunnen opdoen. Je kunt ordening aanbrengen in deze materialen door ze te sorteren, te labellen en op te bergen in doorzichtige bakken. Bespreek met de kinderen in welke hoeken het materiaal een plek krijgt, zodat zij zich verantwoordelijk kunnen voelen voor hun eigen leeromgeving.

Ook het inrichten van themahoeken rond interesses van kinderen biedt kansen. Voorbeelden zijn een kappershoek, apotheek, supermarkt, garage, werkplaats, mode-atelier etcetera. De inrichting van de ruimte komt in alle trainingen van Kaleidoscoop aan de orde.

Een van de basisproblemen zonder dubbele bezetting is het uitvoeren van het speelleren in de kleine groep. Om dat goed en dagelijks te kunnen doen, heb je eigenlijk meer handen op de groep nodig.

Mogelijke oplossingen zijn:

  •  De kleine groep doen (met vijf tot zes kinderen) terwijl de andere kinderen zelfstandig speelwerken in de hoeken. Let er bij de samenstelling van het kleine groepje op dat het heterogeen is samengesteld, qua ontwikkeling van de kinderen. Kinderen die onder de vve-doelgroep vallen moeten minimaal drie keer per week aan een kleine groep meedoen (en liever vaker!).
    Het is ook belangrijk dat je als leerkracht heel goed weet wat de vve-kinderen extra nodig hebben op het gebied van o.a. taal: het belang van een kindvolgsysteem en opbrengstgericht werken.
  • Een andere mogelijkheid is om de oudste kleuters (groep 2) langzaam toe te leiden naar zelfstandig werken tijdens speelwerken en speelleren in de kleine groep. Natuurlijk hebben ze ook begeleiding nodig, maar wellicht minder dan voorheen.
  • Probeer op andere manieren extra handen op de groep te regelen, bijvoorbeeld door ouders in te zetten. Dat is zeker niet optimaal, maar beter dan niets.
  • Zet de ib-er in om speelleren in de kleine groep te kunnen doen. Haal liever de ib-er in de klas dan dat de ib-er kinderen uit de klas haalt.

Bij al deze mogelijke tussenoplossingen is het belangrijk dat er een ervaren leerkracht op de groep staat die Kaleidoscoop heel goed in de vingers heeft.

Vragen?

Jolyn Berns is contactpersoon.

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies. Sluit mededeling over cookies