Licht verstandelijk beperkte jeugd

Risicofactoren

Kinderen en jongeren met een lichte verstandelijke beperking lopen een relatief groot risico op bijvoorbeeld gedragsproblemen, psychiatrische problemen, depressiviteit, middelenmisbruik, delinquentie, schooluitval, traumatisering en hechtingsproblemen. Individuele en omgevingsfactoren spelen een rol bij het ontstaan van zulke problemen.

Individuele risicofactoren

Kinderen en jongeren met een lvb hebben beperkte sociale en probleemoplossende vaardigheden. Daardoor kunnen zij zich moeilijker redden in sociale situaties. Zij begrijpen mensen vaak verkeerd en schatten reacties van anderen niet goed in. Ook overschatten zij zichzelf vaak. Zij komen hierdoor in de problemen, raken daar gefrustreerd over en veroorzaken door hun gedrag weer nieuwe problemen.

Ook hebben kinderen en jongeren met een lvb moeite met het bedenken van sociaal adequaat gedrag en maken zij eerder, soms impulsief, een keuze voor een agressieve en minder assertieve aanpak. De negatieve sociale ervaringen die zij daardoor meemaken, kunnen veel invloed hebben op hun zelfvertrouwen. Hun gebrek aan sociale en probleemoplossende vaardigheden vergroot het risico op gedrags- en emotionele problemen.

Informatie verwerken

Kinderen en jongeren met een lvb hebben moeite met het onthouden en verwerken van informatie. Zij hebben een achterstand in het werkgeheugen, een relatief zwak verbaal kortetermijngeheugen en een laag denktempo. Dit zorgt voor problemen rondom planning, kunnen focussen, probleemoplossend vermogen, besluitvorming, zelfregulering en impulscontrole. Omdat deze beperking niet zichtbaar is, worden zij vaak overschat en overvraagd, met als gevolg stress en faalervaringen. Die kunnen een negatieve uitwerking hebben op het zelfvertrouwen en leiden tot schooluitval.

Door het beperkte werkgeheugen blijft ook het taalgebruik en -begrip achter. Hierdoor begrijpen kinderen en jongeren met een lvb minder goed wat er gezegd wordt en hebben zij meer moeite met lezen. Ook kunnen zij hun emoties vaak niet goed verwoorden en beheersen en uiten zij deze op een primaire manier. Doordat zij beperkt inzicht hebben in hun eigen denkprocessen, hebben kinderen en jongeren met een lvb moeite om situaties terug te halen en te analyseren, en om erop te reflecteren. Zij richten zich daardoor eerder op de letterlijk gesproken en negatieve informatie.

Emotionele ontwikkeling

De emotionele ontwikkeling van kinderen en jongeren met een lvb stagneert vaak op het niveau van een schoolkind. Basale emoties als verdriet, liefde en haat zijn goed ontwikkeld, maar door de beperking in hun cognitief functioneren is het voor hen lastig om die emoties te definiëren. Daardoor hebben zij moeite om adequaat te reageren op hun emoties. Sociaal-emotionele vaardigheden die zich op latere leeftijd ontwikkelen, zoals empathie, geweten en omgaan met seksualiteit, zijn bij kinderen en jongeren met een lvb minder goed ontwikkeld.

De combinatie van beperkingen in het geweten, het empathisch vermogen, de cognitieve vaardigheden en zelfsturing leidt tot een beperkte impulscontrole: wat kinderen en jongeren met een lvb voelen, wordt direct omgezet in gedrag. Zij zijn daardoor beïnvloedbaar en kwetsbaar voor de invloed van negatieve vrienden. Ze laten zich makkelijk meenemen in overlastgevend, antisociaal of delinquent gedrag. Slachtoffers van loverboys hebben bijvoorbeeld vaak een lvb.

Ook vergroot een lvb de kans op middelenmisbruik. Jongeren met een lvb kunnen de risico's van middelengebruik minder goed inschatten, zijn minder goed in staat om nee te zeggen en kunnen moeilijk maat houden. Kleine hoeveelheden alcohol of drugs hebben al snel grote gevolgen, zoals delinquentie, agressie of misbruik.

Omgevingsfactoren

Het opvoeden van een kind met een lvb kan lastig zijn, zeker als ouders zelf ook een beperking hebben. Als ouders ontoereikende opvoedvaardigheden hebben of onvoldoende sensitief reageren op hun kind, kan dit belangrijke gevolgen hebben. Onderzoek laat zien dat er bij kinderen met een verstandelijke beperking vaker sprake is van een minder veilige hechting. Deze kinderen lopen een groter risico op het ontwikkelen van een gedesorganiseerde gehechtheid, wat weer de kans vergroot op psychiatrische problemen in het latere leven.

Ook de kans op verwaarlozing en traumatisering is groter bij kinderen en jongeren met een lvb. Opvoed- en opgroeiproblemen kunnen op latere leeftijd leiden tot een verhoogd risico op onder andere crimineel gedrag, overmatig drugs- en drankgebruik, vereenzaming en financiële problemen.

Uit onderzoek blijkt dat kinderen en jongeren met een lvb minder vaak deelnemen aan vrijetijdsactiviteiten. Zij hebben minder vaak hobby's, zijn minder vaak lid van een sportvereniging en hebben minder vrienden. In combinatie met andere risicofactoren kan dit leiden tot een negatieve invulling van de vrije tijd.

Beïnvloedbare factoren

Risicofactoren zijn te onderscheiden in beïnvloedbare en niet-beïnvloedbare factoren. Erfelijke aanleg is bijvoorbeeld een factor die zich niet laat beïnvloeden door een interventie.

Voor professionals die werken met kinderen en jongeren met een lvb of hun ouders zijn vooral de beïnvloedbare factoren belangrijk. Ook voor mensen die een interventie willen ontwikkelen zijn deze factoren relevant. Belangrijke beïnvloedbare factoren zijn de opvoedingsomgeving en de sociale en probleemoplossende vaardigheden van kinderen en jongeren. Via deze factoren kan een professional de problemen die samengaan met een lvb verminderen.

Van kennis naar praktijk

Hoe vertaalt een professional de kennis over beïnvloedbare en niet-beïnvloedbare factoren naar de praktijk? Een interventie voor kinderen en jongeren met een lvb heeft de meeste kans van slagen wanneer de professional:

  • alle relevante beïnvloedbare en niet-beïnvloedbare factoren in kaart brengt;
  • doelen stelt die rechtstreeks verband houden met de beïnvloedbare risico- en beschermende factoren (bijvoorbeeld ouders leren op een effectieve manier te reageren op het gedrag van hun kind);
  • methodieken gebruikt waarvan bewezen is dat die de risicofactoren bij een lvb verminderen en de beschermende factoren vergroten (bijvoorbeeld de sociale en probleemoplossende vaardigheden van het kind versterken en een positief sociaal netwerk creëren).

Bronnen

  • Beer, Y. de (2011). De kleine gids: Mensen met een licht verstandelijke beperking. Deventer: Kluwer
  • Boertjes, M.J., & Lever, M.S. (2007). LVG en jeugdcriminaliteit. Diemen: expertisecentrum Jeugdzorg- Gehandicaptenzorg William Schrikker.
  • Collot d’Escury, A. (2007). Lopen jongeren met een lichte verstandelijke beperking meer kans om in aanraking te komen met justitie? Kind en adolescent, 28 (3), 128-137
  • Dalmijn, E. W., & van Lisdonk, J. (2017). Tienerzwangerschap bij meiden met een lichte verstandelijke beperking. JGZ Tijdschrift voor jeugdgezondheidszorg, 49(1), 8-13.
  • Greeven, H. (2014). Rapportage onderzoek naar jongeren met een licht verstandelijke beperking. Gouda:  JSO.
  • Huizinga, M., Graas, D., & Bexkens, A. (2017). Kinderen met een licht verstandelijke beperking in het passend onderwijs: visie op ondersteuning in de klas. Apeldoorn / Antwerpen: Garant uitgevers
  • Kenniscentrum kinder- en jeugdpsychiatrie (z.j.). Jeugdigen met een Lichte Verstandelijke Beperking (lvb) én een psychiatrische stoornis. Utrecht: Kenniscentrum KJP.
  • Moonen, X. & Kaal, H. (2017). Jeugdigen en jongvolwassenen met licht verstandelijke beperkingen en criminaliteit. Justitiële Verkenningen, 43, 9-24.
  • Nouwens, P. J., Lucas, R., Embregts, P. J., & van Nieuwenhuizen, C. (2017). In plain sight but still invisible: A structured case analysis of people with mild intellectual disability or borderline intellectual functioning. Journal of Intellectual & Developmental Disability, 42(1), 36-44.
  • Porton, E. (2010). Sociale informatieverwerking bij kinderen met een lichte verstandelijke beperking (lvb) en gedragsproblemen. Utrecht: Universiteit Utrecht, Faculteit Sociale Wetenschappen.
  • Soenen, S. M. T. A. (2016). Mild intellectual disability: an entity? Mapping clinical profiles and support needs (Doctoral dissertation).
  • Willner, P., Bailey, R., Parry, R., & Dymond, S. (2010). Evaluation of executive functioning in people with intellectual disabilities. Journal of Intellectual Disability Research, 54, 366-379.
Vragen?

Joanne van den Eijnden is contactpersoon.

Foto Joanne van den Eijnden

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies. Sluit mededeling over cookies