• WERKEN AAN DE KWALITEIT
  • VAN DE JEUGDSECTOR
Voor- en vroegschoolse educatie (vve)

Wat is voor - en vroegschoolse educatie?

Met voor- en vroegschoolse educatie (vve) wordt in Nederland de maatregelen die onderwijsachterstanden proberen te verminderen bedoeld. Het doel hiervan is kinderen met een risico op onderwijsachterstand (doelgroepkinderen)  een betere start te geven in groep 3 van de basisschool. Tijdens voor- en vroegschoolse educatie (vve) worden de vier belangrijke ontwikkelingsdomeinen bij jonge kinderen gestimuleerd. Dat zijn taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling.

Voorschoolse educatie is in ieder geval bestemd voor doelgroepkinderen tussen 2,5  en 4 jaar oud. Het wordt verzorgd op een voorschoolse voorziening, zoals een peuterspeelzaal, voorschool of kinderdagverblijf. Vroegschoolse educatie is bestemd voor doelgroepkinderen in groep 1 en 2 van de basisschool.

Voor- en vroegschoolse educatie heeft betrekking op de volgende aspecten:

  • Gerichte toeleiding (vooral via consultatiebureaus) van doelgroepkinderen naar voorschoolse voorzieningen (zoals peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en voorscholen).
  • Extra kindplaatsen in voorschoolse voorzieningen voor kinderen, die anders niet aan zo'n voorziening zouden deelnemen.
  • Verbetering van de structurele kwaliteit (gunstiger staf-kindratio, professionalisering). 
  • Verbetering van de proceskwaliteit, onder meer door gebruik te maken van een methode voor voor- en vroegschoolse educatie.
  • Bevorderen van de ouderbetrokkenheid (bij voorschoolse voorziening/school en thuis).

Definitie vve-programma’s

Vve-programma’s zijn educatieve programma’s. Ze zijn gericht op het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden. De programma’s beginnen in een voorschoolse voorziening, zoals een peuterspeelzaal, kinderdagverblijf of voorschool en lopen door tot en met groep twee van de basisschool.

Centrumgerichte en gezinsgerichte programma’s

Er wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen centrumgerichte programma’s (vve-programma’s) en gezinsgerichte programma’s. Centrumgerichte programma’s zijn gericht op het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden. Deze programma’s worden uitgevoerd in een voorschoolse voorziening, zoals een peuterspeelzaal, kinderdagverblijf of voorschool en lopen door tot en met groep twee van de basisschool. Deze vve-programma’s richten zich op alle ontwikkelingsgebieden en worden daarom ook wel een integrale programma’s genoemd.

Ook gezinsgerichte programma’s zijn bedoeld om de onderwijskansen van kinderen uit achterstandssituaties te vergroten. Gezinsgerichte programma’s richten zich echter via de ouders op de kinderen. De ontwikkeling van het kind wordt gestimuleerd doordat ouders thuis met hun kind allerlei speelse activiteiten doen en voorlezen. Verder wordt de ouder-kindinteractie bevorderd en ouders leren vaardigheden om hun kind te ondersteunen en stimuleren bij hun ontwikkeling. Zie ook het overzicht van erkende gezinsgerichte programma’s.

Voor- en vroegschoolse educatie en onderwijsachterstandenbeleid

Voor- en vroegschoolse educatie is een onderdeel van het onderwijsachterstandenbeleid (OAB). Dit beleid kwam tot stand na 1970. De aanleiding was het inzicht dat kinderen uit lagere sociaal- economische milieus, ongeacht hun talenten, minder kansen hebben op een succesvolle schoolloopbaan dan kinderen uit de hogere rangen. Het gaat dus om kinderen, die door een ongunstige omgeving (met name de thuissituatie), op school slechter presteren dan ze bij een gunstiger situatie zouden kunnen doen (Kloprogge en De Wit, 2015). Er is een verschil met kinderen, die door individuele (intellectuele, gedragsmatige of fysieke) handicaps of beperkingen problemen ondervinden in het onderwijs. Voor deze kinderen zijn er speciale voorzieningen die vallen onder het beleid 'Passend Onderwijs'.

Doelgroep en indicatiestelling

Het doel van vve is kinderen met een risico op onderwijsachterstand (doelgroepkinderen) een betere start te geven in groep 3 van de basisschool. Dit doet men onder meer door te zorgen dat alle peuters die het risico lopen op een onderwijsachterstand meedoen aan voorschoolse educatie. De landelijke overheid heeft de opleiding van ouders als criterium gekozen om te bepalen welke kinderen vallen onder de doelgroep voor voorschoolse educatie.

Gemeenten mogen echter voor de voorschoolse educatie een aanvulling hanteren op de landelijke definitie. Veel gemeenten kiezen voor een bredere doelgroep dan alleen kinderen met laagopgeleide ouders, bijvoorbeeld door ook criteria als thuistaal en een weinig stimulerend gezinsklimaat op te nemen. De criteria verschillen dus per gemeente. Zo komen in de ene gemeenten kinderen van statushouders wel voor gesubsidieerde voorschoolse educatie in aanmerking. En in de andere gemeente niet.

Bij het toeleiden van kinderen naar voorschoolse educatie wordt nauw samengewerkt met het consultatiebureau. Het consultatiebureau zorgt, op basis van de door de gemeente bepaalde criteria, voor de indicatiestelling, waarna ouders hun kind kunnen opgeven voor voorschoolse educatie.

Vragen?

Hilde Kalthoff is contactpersoon.

Foto Hilde  Kalthoff

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.