• WERKEN AAN DE KWALITEIT
  • VAN DE JEUGDSECTOR
Voor- en vroegschoolse educatie (vve)

Onderzoek

Naar de effecten van voor- en vroegschoolse educatie (vve) lopen er diverse onderzoeken. Onderstaand treft u een overzicht. 

Vijf innovatiecentra 

Vijf gemeenten hebben, samen met voorschoolse instellingen en andere partners, innovatiecentra opgericht om vve te versterken. De organisaties willen, ieder vanuit een andere invalshoek, een impuls geven aan de kwaliteit van hun vve-beleid en -aanbod.

De volgende vijf gemeenten hebben een vve-innovatiecentrum:

Het onderzoek bij de innovatiecentra richt zich op de vraag of de gekozen maatregelen een positief effect hebben op de kwaliteit van de vve. Welke factoren zijn bepalend? De onderzoekers beoordelen de afzonderlijke innovaties op hun waarde. Daarnaast vergelijken en interpreteren zij de gemeenschappelijke resultaten. Het onderzoek is gestart in september 2017 en de resultaten worden eind 2020 bekend gemaakt. 

Projectleider en onderzoekers

Het Kohnstamm Instituut is de projectleider en voert het onderzoek uit samen met KBA Nijmegen en de Vrije Universiteit Amsterdam. Het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) subsidieert het onderzoek. Het Nederlands Jeugdinstituut benut en verspreidt de opgedane kennis.

Begeleidingscommissies

Het NRO organiseert een begeleidingscommissie voor feedback op de wetenschappelijke opzet en uitvoering van het onderzoek. Daarnaast organiseert het onderzoeksconsortium een begeleidingscommissie van stakeholders. Zij spelen een belangrijke rol bij de verspreiding, implementatie en borging van de innovaties. 

Landelijk onderzoek: pre-COOL

In 2009 is het cohortonderzoek 'Het jonge kind' gestart. Dit zogenoemde 'pre-COOL' onderzoekt de effecten van verschillende vormen van kinderopvang en van voor- en vroegschoolse educatie. Pre-COOL wordt uitgevoerd door medewerkers van het Kohnstamm Instituut, het ITS/Radboud Universiteit Nijmegen en de Universiteit Utrecht.

De kinderen in het onderzoek zijn onderverdeeld in kinderen die voor- en vroegschoolse educatie krijgen, en kinderen die daar niet aan deelnemen. Er worden gegevens verzameld over:

  • De cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen.
  • De gezinnen waar deze kinderen uit komen.
  • De (kwaliteit van de) voorschoolse voorzieningen en de kleutergroepen van het basisonderwijs.

Hieronder de bevindingen van de onderzoeken naar respectievelijk de kwaliteit van voorschoolse educatie (Leseman & Veen 2016) en vroegschoolse educatie (Veen et al. 2017). Vervolgens worden de bevindingen van beide onderzoeken aan elkaar gerelateerd .

Voorschoolse educatie:  kinderen halen achterstand in

Het pre-COOL onderzoek (Leseman & Veen 2016) laat zien dat vrijwel alle kinderen die aan een voorschoolse voorziening deelnemen, vooruit gaan in hun ontwikkeling. Kinderen uit de doelgroep van vve gaan echter significant meer vooruit. Wat betreft woordenschat wordt de helft tot twee derde van de achterstand ingelopen. Wat betreft aandacht (onderdeel executieve vaardigheden) lopen de doelgroepkinderen de helft tot driekwart van de achterstand in (Leseman & Veen 2016).

De inhaalslag voor woordenschat was het grootste voor kinderen met een niet-westerse achtergrond (gemiddeld groot effect). Het inhaaleffect is groter als:

  • Fantasiespel sterker bevorderd en spel vaker verrijkt wordt.
  • Er gewerkt wordt met een vve-methode, vermoedelijk omdat er daardoor een evenwichtig aanbod aan taal- en rekenactiviteiten ontstaat, en er meer sprake is van spelbevordering en spelverrijking.
  • Er veel professionalisering op de werkvloer is, met name coaching.

Voor rekenen is geen inhaaleffect gevonden tussen doelgroep- en niet-doelgroepkinderen (achterstanden blijven gelijk). Voor de speelwerkhouding is juist een licht toenemende achterstand geconstateerd. Waar dit laatste precies mee te maken heeft, moet nog verder worden onderzocht.

Meer positief effect bij hogere educatieve kwaliteit

Er zijn meer positieve effecten op de ontwikkeling van kinderen als er sprake is van een hoge mate van educatieve kwaliteit. De educatieve kwaliteit is aanzienlijk hoger als de meerderheid van een groep bestaat uit doelgroepkinderen. De pedagogisch medewerkers zijn dan expliciet gericht op het bevorderen van de ontwikkeling. Ze bieden meer stimulerende activiteiten aan, er is meer begeleid spel en het vve-programma wordt beter uitgevoerd.

Onderzoek kwaliteit vroegschoolse educatie

Educatieve kwaliteit vroegschoolse educatie is te laag

De proceskwaliteit van de kleutergroepen is in het sociaal-emotionele domein gemiddeld goed. De kwaliteit in het educatieve domein is echter laag en niet hoger (en in groep 2 eerder lager) dan in de voorschoolse educatie (Veen et al. 2017). Uitzondering is het aanbod taalactiviteiten, dat gemiddeld hoog is en hoge prioriteit heeft. Anders dan in de voorschoolse fase, bleek er in de kleutergroepen geen duidelijk effect van het gebruik van erkende vve-programma’s en ook waren de effecten niet hoger bij meer doelgroepkinderen in een groep.

Mogelijke redenen gebrekkige educatieve kwaliteit

De beleidsaandacht was de afgelopen jaren vooral op de voorschoolse periode gericht. Er waren hierdoor geen impulsen van buiten om de kwaliteit van vroegschoolse educatie te verbeteren. Een mogelijk andere reden is dat er in de kleuterbouw grotere groepen zijn dan bij voorschoolse educatie. Daarbij is de groepsgrootte de afgelopen jaren door bezuinigingen ook nog toegenomen. Dit maakt het voor leerkrachten in de kleutergroepen moeilijker dan voor pedagogisch medewerkers in de voorschoolse educatie om gericht aandacht te besteden aan de ontwikkeling van individuele doelgroepkinderen. Tot slot is mogelijk dat effecten  van vroegschoolse educatie zich pas op langere termijn laten zien.

Betere kwaliteit gaat samen met hogere resultaten

Er is veel variatie tussen kleutergroepen. In  kleutergroepen met een goed aanbod en hoge kwaliteit is de ontwikkeling van doelgroepkinderen ook gunstiger. Investeren in het verbeteren van de ontwikkelingsomgeving loont dus.

Beide onderzoeken in samenhang: stabiele kwaliteit nodig

Slechts een klein deel van de doelgroep-leerlingen krijgt zowel in de voorschoolse als in de vroegschoolse periode een aanbod van (relatief) hoge kwaliteit. Effectieve voor- en vroegschoolse educatie vraagt om een meerjarig traject waarin brede ontwikkelingsstimulering van hoge kwaliteit wordt geboden aan kinderen die dit vanwege hun achtergrond nodig hebben.

Onderzoek naar vve-programma’s

Het pre-COOL-onderzoek maakt geen onderscheid tussen specifieke vve-programma’s. In het verleden zijn er wel verschillende onderzoeken verricht naar de (kortetermijn) effecten van vve-programma’s (centrumgericht) en gezinsgerichte programma’s.

Centrumgerichte programma’s

Niet bij alle vve-programma’s (centrumgerichte programma's) die zijn opgenomen in de Databank Effectieve Jeugdinterventies, is onderzoek gedaan naar de effecten op kinderen. Onderzoek naar Kaleidoscoop en Piramide toont geringe positieve effecten op taal en cognitie en Kaleidoscoop ook op emotionele stabiliteit. Het onderzoek naar Startblokken toont effect op de sociaal-emotionele ontwikkeling.

In 2000 is een onderzoek verricht naar Kaleidoscoop en Piramide (Veen et al., 2000). Er werden twee groepen kinderen op drie verschillende momenten met elkaar vergeleken door middel van een taaltoets, een cognitieve toets en een sociaal-emotionele toets. De ene groep kinderen kreeg voor- en vroegschoolse educatie met het Kaleidoscoop- of Piramideprogramma, de andere groep deed niet mee met een voor- en vroegschools programma. De resultaten lieten zwakke tot medium-sterke positieve effecten zien op het gebied van taal- en cognitieve ontwikkeling, maar er werden geen effecten gevonden op sociaal-emotioneel gebied.

Enige jaren later werd Startblokken-Basisontwikkeling onderzocht door het SCO-Kohnstamm Instituut (Veen et al., 2006). Op drie verschillende momenten zijn twee groepen kinderen met elkaar vergeleken op taal, ordenen en sociaal-emotionele ontwikkeling. De resultaten wijzen uit dat er geen effecten zijn van Startblokken op het cognitieve domein en op de taalontwikkeling van kinderen. Een opvallend resultaat is dat Startblokken wél effect laat zien op aspecten van de sociaal-emotionele ontwikkeling, werkhouding en aangenaam gedrag van kinderen (Veen et al., 2006).

Gezinsgerichte programma’s

Bovenstaande onderzoeken zijn allemaal gericht op de zogenoemde centrumgerichte programma's: dat zijn programma's die in een peuterspeelzaal (of tegenwoordig ook: kindcentrum) worden uitgevoerd. Er zijn ook gezinsgerichte programma's, zoals Instapje, Opstapje, Opstap en meer recent VVE-Thuis.

De Katholieke Universiteit van Nijmegen (Riksen-Walraven, 1994) heeft aangetoond dat Instapje (kinderen 1-2 jaar) een positief effect heeft op de kwaliteit van ondersteuning die de moeder het kind biedt én op de ontwikkeling van kinderen.

De effecten van het programma Opstap (kinderen 4-6 jaar) zijn op longitudinale wijze onderzocht door de Universiteit Utrecht (Van Tuijl, 2002; Van Tuijl & Siebes, 2006). In dit onderzoek zijn een experimentele groep en een controlegroep met elkaar vergeleken. Driehonderd gezinnen zijn gevolgd tijdens de hele basisschoolperiode. Uit het onderzoek blijkt dat Opstap positieve effecten heeft op de doorstroom van kinderen binnen de basisschool. Ook is de ouder-kind interactie na Opstap verbeterd.

Vragen?

Hilde Kalthoff is contactpersoon.

Foto Hilde  Kalthoff

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.