• WERKEN AAN DE KWALITEIT
  • VAN DE JEUGDSECTOR
Voor- en vroegschoolse educatie (vve)

Onderwijsachterstandenbeleid en voor- en vroegschoolse educatie

Onderwijsachterstandenbeleid voor jonge kinderen

Vve in zijn huidige vorm bestaat eigenlijk pas vanaf ongeveer 2000. Daarvoor was sprake van een breder opgezet onderwijsachterstandenbeleid (OAB), waar in diverse onderwijsvoorrangsgebieden al sinds de jaren zeventig programma's uitgevoerd werden, om de ontwikkeling van jonge kinderen te stimuleren.

Het onderwijsachterstandenbeleid richtte zich aanvankelijk vooral op basisscholen in bepaalde achterstandswijken in de middelgrote en grote steden, waarbij ook de omgeving van de school en de kinderen werd betrokken. Ook gezinsgerichte ontwikkelingsstimulering hoorde hierbij. Het beleid bestond met name uit het beschikbaar stellen van extra personele faciliteiten aan scholen met kinderen met sociaal-economische achterstanden. Deze regeling voor extra personele faciliteiten werd in 1985, tegelijk met de invoering van de basisschool, omgezet in de zogenaamde gewichtenregeling, waardoor scholen met veel achterstandskinderen meer personele faciliteiten kregen.

In de jaren ’90 richtte het onderwijsachterstandenbeleid zich meer op jonge kinderen. Het toenmalige ministerie Welzijn, Volksgezondheid en Sport (inmiddels Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS)) introduceerde Opstap (ouders met kinderen tussen 4 en 6 jaar), het eerste gezinsgerichte stimuleringsprogramma.

De gedachte achter de gezinsgerichte inzet is dat omstandigheden in gezin en opvoeding de verschillen in ontwikkeling van kinderen verklaren. Daarnaast zou de aanpak van die omstandigheden de achterstanden kunnen verminderen. Het accent van gezinsgerichte programma’s ligt op het bevorderen van de interactie tussen ouder en kind.

Opstap wist voor het eerst (migranten)gezinnen te bereiken, die tot dusver nauwelijks werden bereikt. Succesfactoren zijn het concrete materiaal met activiteiten die ouder en kind thuis gaan doen en de begeleiding in huisbezoeken. Voor het eerst in Nederland werden vrouwen ingezet die uit de doelgroepen kwamen en de taal van de ouders spraken. Zij werden aanvankelijk buurtmoeders en later contactmedewerkers genoemd. Inmiddels wordt het werken met intermediairs breed toegepast. Na Opstap werden gezinsgerichte programma’s voor ouders met jongere kinderen ontwikkeld: Instapje (1 tot 2 jaar) en Opstapje (2 tot 4 jaar).

Van gezinsgericht naar centrumgericht

In 1994 werd het onderwijsachterstandenbeleid gedecentraliseerd naar de gemeenten, met voor- en vroegschoolse educatie als een van de speerpunten. De commissie Meijnen rapporteerde dat centrumgerichte programma’s, onder bepaalde voorwaarden, het meest effectief zouden zijn. Twee centrumgerichte programma’s, Kaleidoscoop en Piramide, werden ontwikkeld en vanaf 2000 op grote schaal geïmplementeerd. Veel gemeenten met kinderen met een ‘gewicht’ kregen een uitkering voor het aanbieden van centrumgerichte programma’s. De definitie van vve werd beperkt tot centrumgerichte stimulering. Hiermee werd een abrupte omzwaai gemaakt van gezinsgerichte programma’s naar centrumgerichte programma’s.

Periode 2000-2005: de voorscholen

Rond de eeuwwisseling kent het onderwijsachterstandenbeleid een nieuwe start, als onderdeel van het Grotestedenbeleid (GSB), dat zich richt op de 31 (middel) grote steden: de zogenoemde G4 en G27. Vve krijgt een prominente plaats in het onderwijsachterstandenbeleid, dat op zijn beurt geïntegreerd wordt in een breder pakket van GSB-maatregelen en -activiteiten op gemeentelijk niveau.
Zoals hiervoor al vermeld krijgen gemeenten van het Ministerie van OCW geld voor scholen en peuterspeelzalen met meer dan 70% achterstandskinderen. Hiermee kunnen ze Kaleidoscoop en Piramide invoeren. Daarmee ontstaat het concept 'voorschool': een combinatie van een peuterspeelzaal en een basisschool met veel of alleen maar achterstandskinderen, idealiter in één gebouw.

De knip tussen voorschool en vroegschool

Vanaf 2006 komt een einde aan deze stimuleringsregelingen en is vve structureel ondergebracht in het GOA. Verder wordt de lumpsumbekostiging van de basisscholen ingevoerd. De extra middelen vanwege de 'gewichtenregeling' voor de kleuters uit groep 1 en 2 gaan dan niet langer meer naar de gemeenten maar naar de schoolbesturen. Hierdoor wordt de zogenoemde 'knip' een feit: gemeenten zijn voortaan beleidsmatig en financieel verantwoordelijk voor het vve-beleid in de voorschoolse periode. Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de vroegschoolse educatie. De gemeente is verantwoordelijk voor de regie van het onderwijsachterstandenbeleid, waaronder vve.

Meer variatie

Verder wil de landelijke overheid vve aanbieden aan álle doelgroepkinderen. Het is echter onmogelijk om zoveel kinderen te bereiken wanneer vve zich beperkt tot de achterstandswijken. Veel gemeenten kiezen er dan voor vve ook in de rest van de stad aan te bieden. In die wijken ontstaan dan vaak gemengde groepen, waarin zowel doelgroep- als niet-doelgroepkinderen zitten. Een andere manier om meer doelgroepkinderen te bereiken is vve op kinderdagverblijven te financieren. Dit gebeurt in steeds meer gemeenten. Er ontstaan tussen en binnen gemeenten steeds meer verschillen in de invulling van vve. Naast de voorscholen komen er allerlei andere vormen, al dan niet in combinatie met 'brede scholen' of 'integrale kindercentra'. Sinds enige jaren zijn er startgroepen.

Wet OKE kwaliteitsverbetering en harmonisatie

Sinds de wet OKE (per 1 augustus 2010) hebben gemeenten de wettelijke verantwoordelijkheid om een goed voorschools aanbod te doen aan alle jonge kinderen met een (taal)achterstand.

Verder wil de overheid kinderdagverblijven en peuterspeelzalen geleidelijk meer op één lijn brengen (harmoniseren). Door harmonisatie van de regelgeving voor voorschoolse voorzieningen brengt de wet OKE een aantal verbeteringen aan in het stelsel van voorzieningen voor jonge kinderen. Inmiddels gelden voor kinderopvang en peuterspeelzalen op veel punten dezelfde kwaliteitseisen.

Weer aandacht ouderbetrokkenheid

Vanaf 2010 ontstond er weer belangstelling voor wat vervolgens ouderbetrokkenheid werd genoemd. Meta-analyses (Desforges en Abouchaar 2003, Melhuish et al 2010) lieten zien dat een combinatie van een centrumgerichte en een gezinsgerichte aanpak het meest effectief is voor de ontwikkeling van kinderen. Binnen de voor- en vroegschoolse educatie werden criteria voor ‘Ouders’ vastgesteld die worden beoordeeld door de Inspectie van het Onderwijs. Dit gaf een impuls aan het bevorderen van ouderbetrokkenheid in de voor- en vroegschoolse educatie, onder meer wat betreft gezinsgerichte stimulering.

Vragen?

Hilde Kalthoff is contactpersoon.

Foto Hilde  Kalthoff

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.