• WERKEN AAN DE KWALITEIT
  • VAN DE JEUGDSECTOR
Beslissen over hulp

Machtiging uithuisplaatsing

Soms is een ondertoezichtstelling niet genoeg, bijvoorbeeld als het voor een kind gevaarlijk is om thuis te blijven wonen. De kinderrechter beslist dan dat het kind tijdelijk ergens anders gaat wonen, in een tehuis of bij een pleeggezin. De kinderrechter kan een machtiging uithuisplaatsing afgeven wanneer dit noodzakelijk is:

  • In het belang van de verzorging en opvoeding van een kind. 
  • Om de geestelijke of lichamelijke gesteldheid van het kind te onderzoeken.

Aanvraag machtiging uithuisplaatsing

De Raad voor de Kinderbescherming, het openbaar ministerie en een gecertificeerde instelling (GI) kunnen de kinderrechter vragen om een machtiging uithuisplaatsing. De raad en het openbaar ministerie moeten bij hun verzoek een besluit van het college van burgemeester & wethouders (B&W) aan de kinderrechter geven, omdat ze niet zelf jeugdhulp mogen inzetten. Een gecertificeerde instelling kan zonder besluit van B&W om uithuisplaatsing vragen.

Duur machtiging uithuisplaatsing

Met de machtiging uithuisplaatsing kan het kind voor de duur van maximaal één jaar uit huis geplaatst worden. De rechter kan de machtiging telkens met een jaar verlengen.

Machtiging gesloten jeugdhulp

De kinderrechter kan een machtiging uithuisplaatsing ook afgeven voor een plaatsing in een instelling voor gesloten jeugdhulp. Deze vorm van hulp is bedoeld voor jongeren met ernstige gedragsproblemen.
Bovendien kan de rechter besluiten tot een voorwaardelijke machtiging. Als de jongere zich aan de voorwaarden houdt die in de machtiging zijn beschreven, hoeft hij niet (terug) naar de instelling voor gesloten jeugdhulp. De rechter geeft deze voorwaardelijke machtiging alleen als de jeugdige het met de voorwaarden eens is. De instelling voor gesloten jeugdhulp mag zonder toetsing door de rechter besluiten om de jongere alsnog gedwongen op te nemen wanneer hij zich niet aan de voorwaarden houdt of wanneer de problemen toch te zwaar zijn om buiten de instelling te behandelen.

Rechten van het kind

Uit huis geplaatste kinderen hebben het recht te horen welke beslissingen over hen worden genomen en waarom. Hulpverleners zijn verplicht met kinderen van 12 jaar of ouder het hulpverleningsplan of plan van aanpak en voorgenomen veranderingen daarin te bespreken. Als een kind zijn vader of moeder niet meer ziet, heeft het kind wel recht op informatie over zijn ouders en familie. Bij jongeren ouder dan 16 jaar hebben hulpverleners toestemming van de jongere nodig om informatie met ouders te bespreken. Kinderen kunnen zelf een gesprek met de kinderrechter vragen wanneer voor hen een machtiging uithuisplaatsing wordt aangevraagd of wanneer deze maatregel verlengd moet worden. In ieder geval moet de kinderrechter kinderen van 12 jaar of ouder bij zo’n maatregel altijd naar hun mening vragen. Kinderen kunnen niet zelf in hoger beroep gaan. Dat moet hun wettelijke vertegenwoordiger doen. Als die wettelijk vertegenwoordiger dat niet wil, kunnen kinderen bij de kantonrechter vragen om een bijzondere curator te benoemen die voor hen in hoger beroep kan gaan.

Rechten van ouders

Voordat de kinderrechter een beslissing neemt, moet hij de mening van de ouders horen. Als ouders het niet eens zijn met de beslissing, kunnen zij in hoger beroep gaan. Daarvoor hebben ze wel een advocaat nodig.

Internationale wetgeving

Op uithuisplaatsing is ook internationale wet- en regelgeving van toepassing. Dit zijn het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), en de Richtlijnen voor Alternatieve Zorg van Kinderen waarin de verplichtingen van het verdrag zijn uitgewerkt. Nederland heeft ingestemd met dit verdrag en is daarom verplicht binnenlandse wet- en regelgeving erop af te stemmen.

Ondersteuning ouders

In het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) ligt het accent op het ondersteunen van de ouders in de gezinssituatie. Voor een kind dat toch tijdelijk of blijvend niet in het eigen gezin kan opgroeien, moet de overheid (in Nederland: de gemeente) zorgen voor alternatieve opvang. Eerst moet gekeken worden of het kind terecht kan bij familie. Dan of een vervangend gezin (pleeggezin) een mogelijkheid is en pas in laatste instantie, als het echt niet anders kan, of een residentiële instelling een alternatief is.

Rechten van het kind

Het IRVK stelt dat een kind dat uit huis is geplaatst, recht heeft op een regelmatige evaluatie van zijn of haar behandeling en of de uithuisplaatsing nog nodig is. Tijdens de uithuisplaatsing heeft het kind het recht om contact te hebben met zijn ouders, zo lang dat niet schadelijk voor hem is.

Bronnen
 

Vragen?

Cora Bartelink is contactpersoon.

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.