• WERKEN AAN DE KWALITEIT
  • VAN DE JEUGDSECTOR
Databank Instrumenten

Het belang van gevalideerde en gestandaardiseerde instrumenten

De begrippen 'gevalideerd' en 'gestandaardiseerd' zeggen iets over de kwaliteit van een instrument. Als een instrument gevalideerd is, betekent dit dat er onderzoek is gedaan naar de validiteit en de betrouwbaarheid: het instrument meet daadwerkelijk wat het moet meten, ook als het gebruikt wordt in verschillende situaties door verschillende personen. Gestandaardiseerd betekent dat het instrument een vast 'format' heeft, oftewel voor ieder kind hetzelfde is. Hierdoor zijn vergelijkingen beter mogelijk, omdat bijvoorbeeld verschillende antwoorden op dezelfde vragen niet het gevolg zijn van verschillen in de vragen.

Vroegsignalering van psychosociale problemen

Een goede illustratie van het belang van gevalideerde en gestandaardiseerde instrumenten vormt het onderzoek van Vogels (2008). Vogels deed onderzoek in de jeugdgezondheidszorg (jgz) naar de vroegsignalering van psychosociale problemen. Bij het onderzoek waren 3.140 kinderen betrokken die door 117 jgz-medewerkers werden onderzocht in het kader van het Standaard Periodiek Gezondheidsonderzoek (PGO). De jgz-medewerkers maakten geen gebruik van gevalideerde en gestandaardiseerde instrumenten, maar vertrouwden op hun klinisch oordeel. Na afloop van het PGO gaven zij hun oordeel over de aanwezigheid van psychosociale problemen bij de kinderen. Gemiddeld signaleerden de jgz-medewerkers problemen bij bijna 21 procent van de kinderen. Maar dit percentage bleek sterk te variëren tussen individuele medewerkers - meer dan op basis van toeval verwacht mocht worden. Alleen vertrouwen op het klinisch oordeel is dus niet toereikend.

De beperkingen van het klinisch oordeel

Ook internationaal is onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van het klinisch oordeel. Zo vonden Sand en anderen (2005) dat door het klinisch oordeel slechts 30 procent van de kinderen met ontwikkelingsproblemen herkend werd. Daarentegen bleek dat gestandaardiseerde instrumenten een sensitiviteit en specificiteit konden hebben van 70 tot zelfs 90 procent. Sensitiviteit staat daarbij voor de mate waarin het instrument personen die het beoogt te identificeren inderdaad herkent. Specificiteit staat voor de mate waarin het instrument de personen die het niet beoogt te identificeren correct uitsluit.

Meten wat gemeten moet worden

Met gevalideerde en gestandaardiseerde instrumenten weten de gebruikers dat ze meten wat ze willen meten. Daardoor is de kans veel kleiner dat zij kinderen over het hoofd zien die behandeling nodig hebben. Daarnaast wordt de kans kleiner dat kinderen die geen (zware) problemen hebben, onnodig behandeling krijgen. Dit blijkt ook uit een overzichtsstudie van Durlak en Wells (1998). Zij verzamelden de uitkomsten van 130 studies naar preventieprogramma's voor kinderen en jongeren met psychosociale problemen. Daaruit bleek dat de programma's een stuk effectiever waren als de deelnemende kinderen en jongeren met gevalideerde instrumenten waren gevonden. Volgens Durlak en Wells was dat echter bij slechts 38 procent van de programma's gebeurd.

Bronnen

  • Durlak, J.A. en A.M. Wells (1998), 'Primary prevention mental health programs for children and adolescents: a meta-analytic review', in: 'American Journal of Community Psychology', jaargang 25, nummer 2, p.115-152.
  • Sand, N., M. Silverstein, F.P Glascoe, V.B. Gupta, T.P. Tonniges en K. O’Connor (2005), 'Pediatricians' reported practices regarding developmental screening: do guidelines work? Do they help?', in: 'Pediatrics', jaargang 116, nummer 1, p.174-179.
  • Vogels, A.G.C. (2008), 'The identification by Dutch preventive child health care of children with psychosocial problems: do short questionnaires help?'. Groningen, Rijksuniversiteit Groningen.
Vragen?

Danielle de Veld is contactpersoon.

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.