• WERKEN AAN DE KWALITEIT
  • VAN DE JEUGDSECTOR

Kenmerken

Bij deze problematiek is er sprake van stimulantiagebruik op een zodanige manier dat hierdoor lichamelijke, psychische of sociale problemen ontstaan bij een jeugdige, of op een zodanige manier dat maatschappelijke overlast ontstaat. Het gebruik is niet leeftijdsadequaat, maar moet ook niet verward worden met een stoornis in het gebruik van middelen. In de DSM 5 wordt verslaving ‘een stoornis in het gebruik van middelen’ genoemd. Om vast te stellen of daar sprake van is, zijn er elf kenmerken opgesteld:

  1. vaker en in grotere hoeveelheden gebruiken dan het plan was
  2. mislukte pogingen om te minderen of te stoppen
  3. gebruik en herstel van gebruik kosten veel tijd
  4. sterk verlangen om te gebruiken
  5. door gebruik tekortschieten op het werk, school of thuis
  6. blijven gebruiken ondanks dat het problemen meebrengt op het relationele vlak
  7. door gebruik opgeven van hobby’s, sociale activiteiten of werk
  8. voortdurend gebruik, zelfs wanneer de betrokkene daardoor in gevaar komt
  9. voortdurend gebruik ondanks weet hebben dat het gebruik lichamelijke of psychische problemen met zich meebrengt of verergert
  10. grotere hoeveelheden nodig hebben om het effect nog te voelen oftewel tolerantie
  11. het optreden van onthoudingsverschijnselen, die minder hevig worden door meer van de stof te gebruiken.

Bij misbruik en dwangmatig gebruik is daarnaast vaak sprake van het volgende:

  • Het middel neemt een centrale plaats in het leven van de jeugdige in en verstoort de leeftijdsadequate ontwikkelingstaken (school, invulling vrije tijd, alledaagse levensverrichtingen).
  • De jeugdige heeft onvoldoende invloed op de hoeveelheid en de frequentie van het gebruik.
  • Belangrijke volwassenen en leeftijdsgenoten hebben onvoldoende remmende invloed op de gebruikende jeugdige.
  • De jeugdige liegt en bedriegt omdat hij bang is voor de waarheid of omdat hij zich schaamt voor wat hij heeft gedaan. Ook zal hij vaker liegen om geld als het gebruik duurder wordt. Na verloop van tijd wordt dit liegen een patroon waar de jeugdige moeilijk uitkomt. Liegen en bedriegen als vorm van overleven wordt ook wel het junkiesyndroom genoemd.
  • De jeugdige is steeds meer op zichzelf gericht en houdt minder rekening met anderen.

Het problematisch gebruik van stimulantia komt onder meer tot uiting door:

  • spijbelen
  • stemmingswisselingen
  • liegen
  • onttrekken aan sportactiviteiten
  • ontlopen van niet-gebruikende vrienden
  • ‘blind spots’ (ofwel periodes waarin ouders niet weten wat de jeugdige doet of waar hij is)
  • maken van schulden ten behoeve van het middelengebruik
  • ontwenningsverschijnselen
  • teruglopende schoolprestaties
  • in aanraking komen met de politie
  • crimineel gedrag en gezondheidsproblemen (zoals verminderd gewicht).

Subtypes en/of specificaties

Er zijn verschillende soorten drugs die onder stimulantia vallen.

Cocaïne

Cocaïne is een stimulerend middel en geeft een opgewekt en vrolijk gevoel. Cocaïne is lichamelijk nauwelijks verslavend, maar heeft wel een psychisch sterk verslavende werking. Cocaïne heeft zowel lichamelijke als psychische effecten.

Lichamelijke effecten zijn onder meer:

  • het verdwijnen van een hongerprikkel
  • meer energie
  • tijdelijke toename van spierkracht en uithoudingsvermogen
  • uitputting, omdat oververmoeidheidsprikkel niet meer gevoeld wordt
  • veelvuldig gebruik kan leiden tot waanvoorstellingen.

Psychische effecten zijn onder meer:

  • een opgewekte, vrolijke of zelfs euforische stemming
  • verhoogde zelfverzekerdheid en de overtuiging dat er beter gepresteerd wordt
  • depressieve gevoelens na uitwerking van het middel
  • leeg ‘katterig’ gevoel na uitwerking van het middel
  • rusteloosheid, agitatie en overmoedigheid na langdurig gebruik.

Amfetamine

Amfetamine heeft een sterke en langdurige stimulerende werking. De straatnaam voor amfetamine is speed. Amfetamine kent weinig lichamelijke ontwenningsverschijnselen. Gebruikers worden echter wel snel psychisch afhankelijk van het middel.

Effecten van amfetamine zijn onder meer:

  • toename energie en alertheid
  • toename van het zelfvertrouwen
  • verminderde zelfkritiek
  • onderdrukte vermoeidheid
  • onderdrukt eetlust en hongergevoel.

Risico’s van het gebruik van amfetamine zijn onder meer:

  • overbelasting hart en bloedvaten
  • vermoeidheid, slapeloosheid en depressieve gevoelens na uitwerking van het middel
  • uitdroging en oververhitting
  • hersenschade bij langdurig gebruik.

Synthetische of natuurlijke stoffen die hallucinaties opwekken.

Onder deze stoffen valt bijvoorbeeld xtc. De effecten en risico’s van deze drugs zijn verschillend, maar komen deels ook overeen. De belangrijkste risico’s zijn:

  • overdosering; een overdosering van xtc is zeer gevaarlijk en kan de dood tot gevolg hebben
  • bad trip of flippen
  • depressieve gevoelens, tijdens en na uitwerking van het middel
  • hersenbeschadiging, oververhitting, uitdroging, psychoses en slaapstoornissen.

Het gebruik van xtc kan psychische afhankelijkheid tot gevolg hebben.

Methylfenidaat (Ritalin) en dexamfetamine

Middelen op basis van methylfenidaat en dexamfetamine worden voorgeschreven bij ADHD en narcolepsie (slaapzucht). Methylfenidaat en dexamfetamine hebben een stimulerende werking op het centrale zenuwstelsel en verhogen het vermogen tot concentratie. Hierdoor worden mensen met ADHD minder snel afgeleid en rustiger. De stoffen methylfenidaat en dexamfetamine zijn nauw verwant aan amfetamine. De werking hiervan is vergelijkbaar met amfetamine maar is veel minder sterk. Zonder medisch toezicht bestaat de kans op overdosering.

Overdosering heeft mogelijk nare gevolgen waaronder:

  • braken
  • agitatie
  • trillen
  • spiertrekkingen
  • hallucinaties
  • delirium.

Culturele, leeftijds- en seksespecifieke kenmerken en verloop

Met betrekking tot problematisch gebruik van stimulantia is relevant dat:

  • jeugdigen met een islamitische achtergrond minder alcohol en drugs gebruiken (Gunning, 2005; Slot, 2004).
  • er een significante relatie is tussen depressiviteit tijdens het laatste jaar op de basisschool / het begin van de adolescentie en drugsgebruik (Heuves, 2006; Slot, 2004).
  • jeugdigen met ADHD eerder geneigd zijn tot problematisch gebruik en ook eerder in vergelijking met hun leeftijdsgenoten. Zij vormen een kwetsbare groep. ADHD vergroot de kans op verslaving (Gunning, 2005)
  • agressief gedrag op kinderleeftijd de kans op (problematisch) middelengebruik verhoogt (Slot, 2004)
  • problematisch gebruik van middelen, voornamelijk bij jongeren met een licht verstandelijke beperking, tot een eerste psychose kan leiden (Noorlander, 2001).

Gebruik van middelen komt het meest voor bij jongeren vanaf 14 jaar. Bij deze jongeren is sprake van geregeld recreatief gebruik. Het problematisch gebruik van middelen, zoals beschreven bij kenmerken, kan leiden tot misbruik van de middelen (Gunning, 2005; Heuves, 2006). Het misbruik kan ertoe leiden dat de jongere afhankelijk wordt van het middel en ontwenningsverschijnselen vertoont. Dit kan uiteindelijk leiden tot dwangmatig gebruik of verslaving (Heuves, 2006).

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies. Sluit mededeling over cookies