• WERKEN AAN DE KWALITEIT
  • VAN DE JEUGDSECTOR
Cijfers over Jeugd en Opvoeding

Angststoornissen

Een angststoornis wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een pathologische (ziekelijke) angst. Als angst geen reële grond heeft, de dreiging niet in de buurt is en iemand er sociale problemen door ondervindt, is er sprake van een stoornis.

Angststoornissen bij kinderen en jongeren uiten zich op allerlei manieren: fysiologisch (trillen, hoofdpijn, buikpijn), cognitief (vervelende gedachten over nare dingen die kunnen gebeuren, overmatig piekeren) en gedragsmatig (angstige situaties uit de weg gaan, huilen, verstijven, bevriezen, prikkelbaar of opstandig gedrag, en geruststelling vragen).

In het psychiatrisch handboek Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders' (DSM-5) worden de volgende typen angststoornissen onderscheiden:

  • separatieangststoornis;
  • gegeneraliseerde angststoornis;
  • sociale angststoornis;
  • selectief-mutisme;
  • paniekstoornis;
  • agorafobie;
  • obsessief-compulsieve stoornis;
  • posttraumatische stressstoornis;
  • specifieke fobie.

Voor elk van deze angststoornissen zijn specifieke criteria opgesteld.

Bron

  • American Psychiatric Association (2014). Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5). Amsterdam: Boom Psychologie & Psychiatrie.

Kerncijfers

Recente landelijke cijfers over het aantal jeugdigen met een angststoornis zijn niet aanwezig. De laatste cijfers dateren uit 1997 (voor jeugd tot 18 jaar) en 2010 (voor 18-24 jarigen). Bevolkingsonderzoek in Zuid Holland in 2003 biedt daarnaast cijfers over de prevalentie van angststoornissen bij kinderen tot 16 jaar.

Ruim 10 procent van de Nederlandse jongeren van 13 tot en met 17  jaar heeft het half jaar voorafgaand aan het onderzoek een angststoornis gehad. Dit komt neer op ongeveer 114.000 jongeren (Verhulst e.a. 1997). In de categorie van 18 tot 24 jaar ligt het percentage angststoornissen op 11,7 procent over het afgelopen jaar. De meest voorkomende angststoornissen binnen beide leeftijdsgroepen zijn de sociale fobie en de specifieke fobie. Deze stoornissen komen meer voor bij meisjes dan bij jongens. Deze gegevens komen uit interviewstudies onder jongeren (Verhulst e.a., 1997) en jongvolwassenen (De Graaf e.a. 2010).

In bevolkingsonderzoeken in Zuid Holland werden in 2003 door ouders bij 2,5% van de kinderen in de leeftijd 2-3 jaar angstige/depressieve klachten gerapporteerd. In de leeftijdsgroep 6 – 16 jaar scoort 3,2% van de kinderen op de schaal angstig/depressief (Tick, et al., 2007).

Laatst bewerkt: 23 februari 2018


Gebruikte onderzoeken en/of registraties

Gebruikte publicaties

  • Graaf, R. de, Have, M. ten, Dorsselaer, S. van (2010). 'De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking NEMESIS-2 : opzet en eerste resultaten'. Utrecht: Trimbos-instituut
  • Tick, N.T., & Ende, J. van der, & Verhulst, F.C. (2007). Twenty-year trends in emotional and behavioral problems in Dutch children in a changing society. Acta Psychiatrica Scandinavia, 116, 473-482.
  • Verhulst, F.C., Ende, J. van der, Ferdinand, R.F., Kasius, M.C. (1997). 'De prevalentie van psychiatrische stoornissen bij Nederlandse adolescenten'.

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies. Sluit mededeling over cookies