Onderzoek naar pleegzorg als vorm van jeugdhulp

Sommige kinderen kunnen tijdelijk niet thuis wonen. Zij wonen dan in een pleeggezin, gezinshuis of zorginstelling. De plek hangt af van welke zorg het kind nodig heeft. Pleegzorg is een vorm van jeugdhulp en heeft meerdere varianten, zoals crisispleegzorg, deeltijdpleegzorg en langdurige pleegzorg. Ook is er een verschil tussen netwerkpleegzorg, waarbij een kind bij bekenden woont, en bestandspleegzorg, waarbij het kind in een geselecteerd pleeggezin terechtkomt dat nog onbekend is.

Kenmerken van pleegzorg, gezinshuiszorg en residentiële zorg

Een meerderheid van de kinderen in pleegzorg, gezinshuiszorg of residentiële zorg heeft problemen op individueel, gezins- en sociaal gebied. Deze problemen tussen kinderen verschillen zowel in ernst als in soort. De review toont hiaten aan in de kennis over belangrijke risicofactoren op het moment dat een kind wordt opgenomen in een pleeggezin, gezinshuis of residentiële zorg. Er is meer onderzoek nodig om deze gaten op te vullen. En om de ontwikkeling van kinderen tijdens de plaatsing in de verschillende zorgvormen te relateren aan hun situatie bij opname. 

Risico's en behoeften van kinderen

Kinderen die wonen in een pleeggezin, gezinshuis of residentiële setting hebben verschillende behoeften waar zij hulp bij nodig hebben. Kinderen in pleeggezinnen hebben vooral behoefte aan een stabiele en ondersteunende woonomgeving. In gezinshuizen hebben ze hulp nodig bij hechtings- en traumagerelateerde problemen. Kinderen in de residentiële zorg hebben ondersteuning nodig bij psychische, gedrags- en leerproblemen. 

Er is geen duidelijk bewijs dat pleegzorg of gezinshuizen in het eerste jaar beter zijn dan residentiële zorg. Gezinshuizen laten wel kleine voordelen zien op gedrag en emoties. Opvallend is dat sommige kinderen zonder eerdere problemen later juist slechter gaan functioneren. Dat kan betekenen dat de zorg niet goed bij hen past. 

Verder blijkt dat minderjarige vluchtelingen zich vooral beter voelen als er op hun woonplek aandacht is voor sociale steun, hun cultuur en eigen achtergrond. Pleegzorg sluit vaak het beste aan bij wat deze kinderen nodig hebben.

  • Children referred to foster care, family-style group care, and residential care: (How) do they differ? In deze studie worden de risico's en behoeften van 200 kinderen die in Nederland naar school gaan vergeleken bij opname in een pleeggezin, gezinshuis of residentiële zorg. Kinderen in pleeggezinnen profiteren vooral van een stabiele en ondersteunende gezinsomgeving, wat wordt bevorderd wanneer de biologische ouders ondersteund worden bij hun persoonlijke problemen. Kinderen in gezinshuizen hebben vaker zelf te maken met hechtings- en traumaproblemen, terwijl kinderen in de residentiële zorg vooral behoefte hebben aan gespecialiseerde ondersteuning voor psychische-, gedrags- en leerproblemen. Er is geen duidelijk bewijs dat pleeggezinnen of gezinshuizen effectiever zijn dan residentiële zorg voor de psychosociale ontwikkeling van kinderen in het eerste jaar als ze ergens anders wonen. Wel heeft het wonen in een gezinshuis op sommige gedrags- en emotionele scores kleine voordelen. Opvallend is dat sommige kinderen die geen psychosociale problemen hadden, later slechter gaan functioneren als ze ergens anders gaan wonen. Dat kan betekenen dat de zorg die ze krijgen niet goed aansluit bij wat ze nodig hebben.
  • Research into unaccompanied refugee minors in family foster care: Promoting adaptive functioning? Minderjarige vluchtelingen die geen hulp krijgen, lopen een hoog risico op trauma en problemen met hun functioneren. Pleegzorg lijkt het beste aan hun behoeften te voldoen. Beschermende factoren zijn sociale steun, culturele gevoeligheid en een verbinding met hun eigen cultuur.
  • Similarities and differences in the psychosocial development of children placed in different 24-h settings. Dit onderzoek bekijkt de psychosociale ontwikkeling van kinderen in pleeggezinnen, gezinshuizen en residentiële instellingen. Groepsgewijs zijn er weinig verschillen tussen pleeggezinnen en gezinshuizen, al laten gezinshuizen op sommige gedrags- en emotionele scores iets betere resultaten zien. Individueel verbeterde 18 procent van de kinderen met problemen, terwijl 20 procent zonder eerdere problemen juist verslechterde, mogelijk door een mismatch tussen zorg en kind.

Hoorrecht van minderjarigen

Jongeren van twaalf jaar en ouder kunnen meepraten in familie- en jeugdprocedures via het hoorrecht. Dit betekent dat pleegkinderen hun mening mogen geven als er belangrijke beslissingen over het kind worden genomen. Rechters moeten deze meningen meenemen in hun beslissingen. 

Uit onderzoek blijkt dat ook kinderen vanaf acht jaar hun mening goed kunnen uiten en dat jongere kinderen, met de juiste begeleiding, ook direct of indirect kunnen participeren in besluitvorming. Hoorrecht van kinderen is een fundamenteel recht. De ondersteuning ervan moet worden uitgebreid en de procedure kindvriendelijker worden ingericht om participatie van zowel jongeren als kinderen te verbeteren.

Meer onderzoek over de mogelijkheden om kinderen en jongeren te betrekken bij beslissingen over pleegzorg is nodig. Vanuit de Kennisagenda Pleegzorg is er een onderzoek gestart naar dit thema.

foto Martine Broere

Martine Broere

senior inhoudsdeskundige Vakmanschap en professionalisering
m.broere [at] nji.nl