'Goede gezinshulp begint bij het zien van het hele gezin'
Al bijna haar hele leven heeft Marleen (40) met hulpverlening te maken: eerst als kind, later als moeder van haar 12-jarige zoon. Ze weet daardoor hoe belangrijk het is om verder te kijken dan degene die vastloopt. Goede gezinshulp begint volgens haar bij het zien van het hele gezin: ouders, kinderen, hun geschiedenis, hun pijn én hun kracht. Dat vraagt om hulpverleners die luisteren, samenwerken en niet loslaten. 'Het echte verschil maak je door in gezinnen te blijven geloven.'
Pas als iemand zich echt veilig voelt, durft die te laten zien wat er werkelijk speelt en kun je behandelen wat eronder zit.
Gedrag vertelt een verhaal
Marleen was vier jaar toen haar ouders uit elkaar gingen. Haar moeder zag dat het niet goed met haar ging en zocht hulp. 'Dat heeft ze goed gezien', zegt Marleen. Toch ging er volgens haar iets wezenlijks mis. 'De nadruk kwam heel erg op mij als kind te liggen. Ik was een "vervelend kind" met "koninginnengedrag". Oftewel: ík moest veranderen. Terwijl onze thuissituatie al jaren instabiel en onveilig was.'
Nu ze zelf moeder is, kijkt ze daar anders naar. 'Natuurlijk liet ik lastig gedrag zien. Maar dat gedrag kwam ergens vandaan.' Volgens Marleen is dat de eerste vraag die hulpverleners zichzelf zouden moeten stellen. Niet: wat is er mis met dit kind? Of: wat doet deze ouder verkeerd? Maar: wat speelt er in dit gezin en wat heeft ieder gezinslid nodig?
Volgens haar is er gelukkig veel veranderd en heeft systeemgericht werken een grotere plek gekregen. Toch ziet ze dat professionals soms nog steeds vooral kijken naar degene die het meest zichtbaar vastloopt. 'Terwijl je iemand pas echt begrijpt als je het hele gezin begrijpt.'
Hulp op eilandjes
Vanaf haar veertiende kreeg Marleen te maken met zware depressies, suïcidaliteit, PTSS, verslaving en later de diagnose borderline. Terugkijkend ziet ze dat die problemen nooit los van elkaar stonden. 'Mijn verslaving stond niet los van mijn trauma's. Mijn boosheid stond niet los van angst. En mijn moederschap stond niet los van mijn eigen jeugd.'
Toch voelde het alsof hulpverleners steeds maar één stukje van haar verhaal zagen. 'De GGZ werkt vaak in eilandjes. Je moet eerst van de ene hulpverlening af voordat je naar de volgende mag. Maar zo werkt het niet.' Volgens Marleen is juist samenwerking nodig als meerdere problemen tegelijk spelen.
Ook de manier waarop ze in gesprekken werd benaderd, sloot niet altijd aan bij wat ze nodig had. 'Tijdens cognitieve gedragstherapie werd steeds gezegd dat ik moest accepteren, loslaten en mijn grenzen aangeven. Maar hoe dan? Ik wist lange tijd niet eens wat ik voelde, waar mijn grenzen lagen of wat ik nodig had. Daarnaast zagen behandelaars mij vaak maar één keer per week of eens per twee weken. Soms had ik de nacht ervoor een enorme paniekaanval gehad, maar zat ik de volgende dag rustig op een stoel. Dan vertelde ik daar niets over. Hulpverleners zagen daardoor vaak alleen een momentopname.'
Door tijd te nemen, ontstaat een completer beeld
Als alleenstaande moeder besefte Marleen dat ze iets aan haar situatie moest doen. Haar zoon had alleen haar. 'Het ging gewoon niet meer. Hij was zo onschuldig en puur; ik kon hem niet aan zijn lot overlaten. Ik moest de beste versie van mezelf worden, voor hem. Mensen zeggen vaak dat je het voor jezelf moet doen, maar dat was voor mij toen tien stappen te ver. Ik begon met herstellen voor hem.'
Ze startte een intensief traject in de reguliere verslavingszorg. De behandeling zelf sloot niet goed bij haar aan, toch gebeurde daar iets heel belangrijks. 'Eigenlijk voelde ik me daar helemaal niet op mijn plek. Het was erg onveilig. Maar omdat hulpverleners mij drie maanden lang bijna dagelijks zagen, kregen zij een veel completer beeld van hoe het werkelijk met mij ging. Ze zagen dat hier iets niet klopte.' Er volgde voor het eerst een diagnostisch onderzoek, waaruit de diagnose borderline kwam. Aanvankelijk wees Marleen die af. 'Ik herkende mezelf totaal niet in alle horrorverhalen die je daarover hoort.'
Herkenning in het verdriet van haar zoon
Na verloop van tijd leerde Marleen haar diagnose beter begrijpen en bleef ze met vallen en opstaan werken aan haar herstel. In die periode overleed haar vader, een belangrijke steun voor haar en haar zoon. Het verlies had grote impact op hen beiden. Bij haar zoon zag ze iets gebeuren wat haar diep raakte. Hij uitte zijn verdriet niet door veel te huilen, maar door boos te worden, te schoppen en te weigeren te praten. 'Ik herkende mezelf als kind meteen in hem.'
Via via kwam ze terecht bij een kinderpsycholoog, die haar zoon begeleidde bij zijn rouw. Tijdens de gesprekken zag de psycholoog ook dat er spanningen speelden tussen moeder en zoon. In plaats van die spanningen zelf te willen behandelen, dacht ze mee over een passende vervolgstap. 'Ze zei: "Ik zie wat er speelt, maar ik ben niet de juiste persoon om jullie hierbij verder te helpen".'
Dat maakte indruk. 'Ik vond dat ontzettend professioneel. Er zijn zoveel hulpverleners die denken dat ze alles moeten kunnen, en daardoor blijven ze soms te lang doormodderen. Terwijl het juist vertrouwen geeft als iemand eerlijk zegt: hiervoor heb je iemand met andere expertise nodig.'
Ruimte voor haar eigen herstel
Het verdriet van haar zoon raakte ook haarzelf. Marleen kon zijn verdriet en haar eigen verdriet moeilijk dragen en viel terug in haar verslaving. Dat ging snel van kwaad tot erger. Tot ze zich op een moment realiseerde: mijn vader zou het vreselijk vinden hoe ons leven er nu aan toe is. Dat besef werd een keerpunt. Waar ze eerder vooral voor haar zoon wilde herstellen, wilde ze nu ook echt voor zichzelf aan de slag.
Marleen koos ervoor om opnieuw hulp te zoeken voor zichzelf, dit keer in een privékliniek. Hier vond ze de samenhangende hulp waarnaar ze lange tijd had gezocht. 'Ze zagen me niet als een verslaafde of als iemand met een diagnose, maar als mens. Mijn verslaving, trauma's en persoonlijkheidsproblematiek werden in samenhang behandeld.'
Ook haar boosheid werd er anders benaderd. Waar die in eerdere hulpverlening vooral als probleemgedrag werd gezien, werd in de privékliniek onderzocht wat eronder zat. 'Zodra ik mijn stem verhief, kreeg ik eerder al snel het stempel "agressief" en werd er gedreigd dat ik de behandeling moest verlaten. Terwijl er nauwelijks werd gekeken naar wat eronder zat. In de privékliniek mocht mijn boosheid er simpelweg zijn.'
'Vurige draakjes mogen er ook zijn'
De kinderpsycholoog zei ooit iets wat Marleen nooit vergat: "Vurige draakjes mogen er ook zijn". 'Boosheid is óók een basisemotie. Bij verdriet maken we vanzelf ruimte, maar boosheid vertelt net zo goed een belangrijk verhaal.'
Die andere benadering maakte dat Marleen zich voor het eerst veilig genoeg voelde om ook haar diepste geheimen te delen. 'Zelfs het seksueel misbruik dat ik jarenlang had ontkend, kwam daar pas naar boven.' Terugkijkend ziet Marleen daarin de belangrijkste les uit haar eigen traject: 'Pas als iemand zich echt veilig voelt, durft die te laten zien wat er werkelijk speelt. Pas dan kun je behandelen wat eronder zit.'
Mijn kind kon worden geholpen doordat ik werd geholpen.
Aansluiten bij wat het gezin nodig heeft
Naast de hulp die ze voor zichzelf zocht, volgde Marleen ook het advies van de kinderpsycholoog op. Ze werd doorverwezen naar een behandelaar die gespecialiseerd was in ouder-kindproblematiek. Hoewel ze geen goede ervaringen had met de reguliere hulpverlening, besloot ze de stap te zetten omdat ze de kinderpsycholoog vertrouwde.
Marleen had ervaren dat hulpverleners vanuit goede bedoelingen gemakkelijk vanuit protocollen en behandelplannen werken, zonder eerst goed te kijken naar de persoon en het gezin achter de hulpvraag. Bij de ouder-kindbehandelaar merkte ze dat het ook anders kon. Ze nam de tijd om Marleen en haar zoon te leren kennen en keek naar wat zij nodig hadden. Daarin zit volgens Marleen een belangrijke les voor professionals: 'Vraag jezelf niet af: welk aanbod hebben wij? Maar: wat heeft dit specifieke gezin op dit moment nodig?'
Door eerst goed te luisteren en de tijd te nemen, kreeg de behandelaar zicht op de relatie tussen Marleen en haar zoon. Zo werd hechtingsproblematiek zichtbaar. 'En dat is precies mijn pijnlijke plek. Maar ze heeft daar zo fijn met ons aan gewerkt. De eerste gesprekken waren alleen met mij. Ze vroeg: "Wat heb jij nodig?" Dat raakte me, omdat ik bang was dat ook hier de boodschap was dat ík moest veranderen. Maar ze begreep dat mijn kind alleen geholpen kon worden als ik ook hulp kreeg. Als ze meteen was begonnen met zeggen dat ik dingen anders moest doen als moeder, was ze tegen mijn muur opgelopen. Maar doordat er zoveel ruimte was voor mij en mijn problematiek, kreeg ik tools in mijn moederschap. Mijn kind kon worden geholpen doordat ik werd geholpen.'
In die gesprekken merkte Marleen ook hoe belangrijk erkenning is. 'Als ouder draag je vaak een enorm schuldgevoel met je mee. Mijn zoon is mijn grootste kracht, maar ook mijn grootste kwetsbaarheid. Als ik angst of schaamte voel, helpt het niet als iemand meteen zegt: "Je bent een goede moeder". Daarmee is mijn angst niet weg. Erken éérst wat iemand voelt en waar iemand bang voor is. Pas als die angst er mag zijn, kun je samen verder.'
Hulp die samenkomt
De ouder-kindbehandelaar bleef niet alleen kijken naar wat Marleen en haar zoon op dat moment nodig hadden, maar bleef ook betrokken toen het ingewikkeld werd. Toen de gemeente de ouder-kindbehandeling wilde beëindigen, legde deze behandelaar zich daar niet bij neer. Ze ging in gesprek met de gemeente en andere betrokken professionals om de begeleiding voort te zetten. 'Dat heeft misschien nog wel de meeste indruk op me gemaakt. Ze had ook kunnen zeggen: jammer, het stopt hier. Maar ze liet mij niet los. Zij vond mij de moeite waard om naast mij te blijven staan.'
Tegelijkertijd kwam de hulp rondom Marleen en haar zoon steeds meer samen. Waar ze eerder vaak had ervaren dat hulpverleners ieder naar hun eigen stukje keken, gingen haar behandelaars nu juist met elkaar in gesprek. Marleen kreeg individuele hulp, haar zoon had een eigen behandelaar en samen volgden ze de ouder-kindbehandeling. 'Onze behandelaars hadden onderling contact. Soms zaten we zelfs met z'n allen om tafel om te bespreken wat mijn zoon en ik nodig hadden.'
Die verbinding maakte het verschil. Volgens Marleen zou die samenwerking in de hulpverlening vanzelfsprekender moeten zijn. 'Een ouder heeft individuele doelen. Een kind ook. Maar daarnaast heb je gezinsdoelen. Die moeten met elkaar verbonden worden.'
Naast gezinnen blijven staan
Tegenwoordig geeft Marleen vanuit haar ervaringsdeskundigheid trainingen aan zorgprofessionals en deelt ze haar verhaal op sociale media om taboes rondom borderline en complexe gezinssituaties te doorbreken. Daarmee wil ze de brug slaan tussen hulpverleners en gezinnen.
Volgens haar begint die verbinding met menselijkheid. 'Luister echt. Probeer te begrijpen wat iemand nodig heeft. Denk niet meteen: dit gedrag zie ik, dus deze behandeling hoort daarbij. Wees eerlijk over wat je wel en niet kunt, werk samen en blijf naast mensen staan als het ingewikkeld wordt.' Tegelijk ziet ze ook een verantwoordelijkheid voor ouders zelf. 'Ook wij moeten, hoe moeilijk dat soms ook is, uit schuld en schaamte stappen en blijven vertellen wat we nodig hebben.'
Marleen wil professionals één duidelijke boodschap meegeven: 'De lijn tussen een moeilijk leven en een goed leven is soms heel dun. Het verschil zit in die paar hulpverleners die echt luisteren, samenwerken en naast je blijven staan. Blijf geloven in gezinnen. En laat ze niet los.'
De belangrijkste lessen van Marleen voor professionals
Kijk naar het hele gezin, niet alleen naar degene die vastloopt
Gedrag van een kind of ouder staat nooit op zichzelf. Kijk verder dan degene die het meest opvalt en probeer te begrijpen wat er speelt binnen het gezin. Pas als ieder gezinslid de juiste ondersteuning krijgt, kan een gezin echt verder.
Geef ruimte aan boosheid: "Vurige draakjes mogen er ook zijn"
Boosheid wordt vaak snel begrensd of bestempeld als agressief, terwijl er juist angst, verdriet of pijn onder kan schuilgaan. Geef die emotie eerst de ruimte; pas daarna ontstaat er plek voor het echte gesprek.
Zorg eerst voor veiligheid en erkenning
Ouders dragen vaak al een zwaar schuldgevoel met zich mee. Wuif hun zorgen of schaamte niet snel weg met goedbedoelde geruststellingen, maar neem éérst serieus waar een ouder bang voor is. Pas wanneer een ouder zich echt veilig en gehoord voelt, durft die te laten zien wat er werkelijk speelt.
Ken je eigen grenzen en verwijs door als dat nodig is
Blijf als professional niet doormodderen als je het niet weet; eerlijk doorverwijzen naar een specialist geeft juist vertrouwen.
Luister voordat je met oplossingen komt
Vraag niet eerst: welk aanbod hebben wij? Maar: wat heeft dit gezin op dit moment nodig? Sluit aan bij de hulpvraag, niet bij het beschikbare aanbod.
Werk samen vanuit gezamenlijke gezinsdoelen
Verbind individuele doelen van ouders en kinderen met gezamenlijke gezinsdoelen. Door samen te werken en informatie te delen, ontstaat een completer beeld en betere ondersteuning.
Blijf naast gezinnen staan
Juist hulpverleners die blijven luisteren, meedenken en gezinnen niet loslaten, kunnen het verschil maken. Blijf geloven in de kracht en mogelijkheden van gezinnen, ook als het ingewikkeld wordt.