Hoe ga ik om met een kind dat druk of afgeleid gedrag laat zien?

Als een kind druk, impulsief, dromerig of snel afgeleid is, kan dat ingewikkeld zijn in de groep of klas. Voor het kind zelf is het vaak ook moeilijk. Het helpt om niet alleen naar het gedrag te kijken, maar vooral naar wat kinderen nodig hebben om mee te doen, te leren en zich goed te voelen. Kleine aanpassingen in de omgeving kunnen veel verschil maken, ook voor de hele groep. Op deze pagina lees je wat je kunt doen als professional.

Eerst begrijpen, dan handelen 

Als professional neem je altijd jezelf mee in hoe je naar kinderen en jongeren kijkt. We hebben allemaal verwachtingen van hoe kinderen zich ontwikkelen en gedragen. Probeer daarom eerst goed te kijken naar wat er precies speelt, zonder meteen conclusies te trekken. Wat zie je? Wat valt je op? En wat maakt dat je je zorgen maakt, of denkt dat een kind extra ondersteuning nodig heeft? 

Onthoud dat kinderen en jongeren van elkaar verschillen. Hun leeftijd, ontwikkeling, ervaringen en omgeving spelen daarbij een belangrijke rol. Een open, nieuwsgierige en begripvolle houding helpt om beter te begrijpen wat een kind meemaakt en nodig heeft. Sta ook af en toe stil bij je eigen reactie. Welke verwachtingen of zorgen neem jij mee? Door bewust te blijven van je eigen blik, voorkom je dat je te snel in verklaringen of labels gaat denken en vooral aandacht houdt voor wat kinderen en jongeren nodig hebben. 

Trek samen op met ouders 

Een goede samenwerking met ouders is belangrijk. Ouders kennen hun kind goed en kunnen vaak belangrijke informatie geven over wat er thuis speelt. Tegelijkertijd zie jij hoe het gaat op school, in de opvang of in andere situaties. Wacht niet tot er grote zorgen zijn of een uitgebreid dossier ligt. Maak liever vroeg en informeel contact. 

Begin gesprekken open en nieuwsgierig. Vertel wat je ziet bij het kind. Vraag hoe ouders dit zien en wat zij denken dat hun kind zou helpen. Zoek niet naar wie verantwoordelijk is, maar probeer samen te begrijpen wat er speelt en wat kan helpen. Als jullie elkaar regelmatig informeren, ook over kleine of positieve ontwikkelingen, ontstaat een sterkere basis om samen naar oplossingen te zoeken wanneer er zorgen zijn. 

Observeer in verschillende situaties 

Gedrag ziet er niet in iedere situatie hetzelfde uit. Een kind dat in de kring niet stil kan zitten, kan tijdens gym juist helemaal tot zijn recht komen. Een kind dat moeite heeft met luisteren, kan heel geconcentreerd werken als het iets mag doen waar het enthousiast over is. 

Observeer daarom op verschillende momenten en verschillende situaties. Kijk niet alleen naar wat moeilijker gaat, maar vooral naar wat wél lukt. Let juist op de sterke kanten van het kind. Zoals creativiteit, enthousiasme, humor, intelligentie, behulpzaamheid of leiderschap. Deze bieden vaak aanknopingspunten voor ondersteuning. 

Vraag je ook af welke behoefte achter het gedrag kan zitten. Probeert een kind prikkels te vermijden of juist op te zoeken? Verveelt een kind zich, of wordt het juist overvraagd?  Begrijpt een kind wat er wordt verwacht in een situatie? Hetzelfde gedrag kan verschillende oorzaken hebben. 

Vragen om te onderzoeken: 

  • Wanneer is het kind betrokken? 
  • Wanneer lukt samenwerken? 
  • Wanneer lukt concentreren? 
  • Wat helpt het kind dan? 
  • Hoe kun je dit gebruiken in een situatie die ingewikkelder is voor het kind?

Bespreek het met het kind 

Bespreek met een kind wat het goed vindt gaan en wat het ingewikkeld vindt. Bespreek ook waardoor het kind denkt dat dit komt en bedenk samen wat helpt. Sommige kinderen kunnen zelf al goed aangeven waar ze behoefte aan hebben. Bij andere kinderen lukt dat nog niet altijd goed. Probeer dan samen te verkennen wat helpt. Dit begint met een kind serieus te nemen, oprechte interesse te tonen en goed te luisteren. 

Vraag bijvoorbeeld: 

  • Wat helpt jou om je te concentreren in de klas? 
  • Wanneer lukt het je om rustig te luisteren bij de uitleg, en wanneer minder? 
  • Hoe lukt het je om een ruzie op te lossen? 
  • Weet je wat je moet doen als je zelfstandig gaat werken? 
  • Wanneer gaat het goed en wanneer is het lastig? 
  • Wat kun je zelf doen, en wat kan ik doen om te helpen? 

Niet ieder kind kan hier meteen antwoord op geven. Toch laat je met zulke vragen zien dat je naast het kind staat en samen wil zoeken naar oplossingen. Voer dit gesprek het liefst op een rustig moment, voordat een situatie escaleert. 

Pas de omgeving aan 

De gesprekken met kinderen en ouders leveren vaak waardevolle inzichten op. Vaak zit de grootste winst in het aanpassen van de omgeving. Kleine veranderingen kunnen al veel verschil maken. 

Voorbeelden: 

  • Geef één opdracht tegelijk.
  • Deel taken op in kleine stappen.
  • Vraag een kind te vertellen wat het moet gaan doen na een opdracht.
  • Gebruik duidelijke routines.
  • Werk met een planning of checklist. 
  • Bied structuur en voorspelbaarheid.
  • Wissel luisteren af met actief doen.
  • Las korte beweegmomenten of 'hersenpauzes' in.
  • Zorg voor een opgeruimde en rustige omgeving.
  • Beperk afleidende prikkels als dat helpt. 

Vaak profiteren ook andere kinderen van meer structuur, duidelijke routines of afwisseling. Aanpassingen voor één kind kunnen dus de hele groep helpen.  

Geef kinderen ruimte om zelf te reguleren 

Sommige kinderen merken zelf dat het te druk wordt in hun hoofd of lichaam. Spreek samen af wat ze dan kunnen doen. 

Bijvoorbeeld: 

  • een kort beweegmoment nemen;
  • even water halen;
  • op een rustige plek werken;
  • een koptelefoon gebruiken;
  • een afgesproken kaartje inzetten voor een korte pauze. 

Belangrijk is dat dit niet als straf voelt, maar als hulpmiddel. Geef kinderen waar mogelijk regie over hoe zij hiermee omgaan. Het kan als leerkracht spannend zijn om kinderen meer regie te geven. Want hoe reageren andere kinderen hier op? In de praktijk blijkt dat andere leerlingen dit vaak goed snappen als de leerkracht het uitlegt.

Geef positieve aandacht 

Kinderen merken hoe volwassenen over hen praten en reageren. Als een kind vaak negatieve feedback krijgt, kan het zichzelf gaan zien als lastig of problematisch. Daarom is het belangrijk om positieve aandacht bewust in te zetten. Benoem wat goed gaat. En besteed aandacht aan inzet, behulpzaamheid, creativiteit en doorzettingsvermogen. 

Wees je ervan bewust dat andere kinderen horen hoe je over een kind praat. Corrigeer bij voorkeur rustig en dichtbij. Geef complimenten juist zichtbaar. Zo help je mee aan een positieve reputatie van het kind binnen de groep. 

Bereid overgangsmomenten goed voor 

Overgangsmomenten zijn momenten waarop kinderen van de ene activiteit of plek naar de andere gaan. Bijvoorbeeld van de klas naar het schoolplein. Of van spelen naar opruimen. Voor veel kinderen zijn zulke momenten lastig. Dan wordt het onrustig en raken kinderen sneller afgeleid. 

Help kinderen door: 

  • activiteiten tijdig aan te kondigen;
  • duidelijk te maken wat er gaat gebeuren;
  • gerichte opdrachten te geven;
  • te checken of een kind heeft begrepen wat er wordt verwacht;
  • een vast ritueel te gebruiken bij overgangen;
  • kinderen genoeg tijd te geven om over te schakelen.

Werk samen met collega's 

Vraag ook collega's om mee te kijken. Een onderwijsassistent, pedagogisch coach, kwaliteitscoördinator, intern begeleider of vakleerkracht ziet soms andere dingen dan jij. Samen kun je vaak een completer beeld maken van wat een kind nodig heeft. Verplaats je hierbij in het kind: hoe ervaart het kind de dag? 

Blijf proberen en bijstellen 

Handelingsgericht werken is geen trucje dat altijd werkt. Wat vandaag helpt, kan morgen minder goed werken. Kinderen ontwikkelen zich. Groepen veranderen. Er komen nieuwe leerkrachten, nieuwe situaties en nieuwe uitdagingen. Blijf daarom evalueren. Door steeds opnieuw te kijken, ontdekken jij, het kind en de ouders samen wat helpt. 

Vragen die je kunt stellen:  

  • Wat werkt goed? 
  • Wat werkt minder goed? 
  • Wat hebben we geleerd? 
  • Wat heeft dit kind nu nodig? 

Wat kun je morgen al uitproberen? 

Je hoeft niet alles tegelijk te veranderen. Kies één of twee aanpassingen die passen bij dit kind en de situatie. Kijk een tijdje wat het effect is en bespreek daarna samen met het kind, de ouders en collega's wat wel en niet helpt. Door kleine veranderingen uit te proberen en regelmatig te evalueren, ontdek je steeds beter wat dit kind nodig heeft om mee te doen, te leren en zich prettig te voelen.

In het kort 

Kijk bij druk of afgeleid gedrag niet alleen naar wat een kind doet, maar vooral naar wat het nodig heeft om mee te doen, te leren en zich goed te voelen. Observeer het kind in verschillende situaties, ga in gesprek met het kind, ouders en collega's en gebruik wat goed gaat als uitgangspunt. Kleine aanpassingen in de omgeving kunnen veel verschil maken, ook voor de hele groep. Zoals meer structuur, duidelijke communicatie, minder prikkels of ruimte voor beweging. Geef positieve aandacht en help kinderen om steeds beter te herkennen wat hen helpt. Blijf samen uitproberen, evalueren en bijstellen. Want wat werkt, verschilt per kind, situatie en moment. 

Foto Danielle de Veld

Dr. Danielle de Veld

inhoudsdeskundige Passende hulp
d.develd [at] nji.nl