Wie doet wat in jeugdreclassering?

Politie

De politie kan op basis van een aangifte of uit eigen beweging een minderjarige verdachte aanhouden. Na een aanhouding kan de politie besluiten om:

  • Een transactie op te leggen om een zaak te seponeren. Het gaat dan om zeer lichte delicten. Een transactie is een schriftelijk voorstel om verdere strafvervolging af te kopen door een bepaald bedrag te betalen. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld verkeersovertredingen, het rijden met een onverzekerde bromfiets of vernieling van geringe omvang.
  • Een jongere uit te laten stromen omdat hij/zij niet langer als verdachte wordt aangemerkt.
  • Een jongere door te verwijzen naar de regionale Halt-organisatie.
  • Een zaak door te verwijzen naar het Openbaar Ministerie. In dat geval wordt de zaak ook gemeld bij de Raad voor de Kinderbescherming, die vervolgens een raadsonderzoek instelt.

Bij de eerste drie besluiten komt een jongere verder niet met de jeugdstrafrechtketen in aanraking.

Leerplichtambtenaar

Een leerplichtambtenaar heeft de volgende taken en verantwoordelijkheden:

  • toezien op de naleving van de Leerplichtwet waaronder de kwalificatieplicht
  • controleren van in- en uitschrijvingen bij school
  • instellen van onderzoek naar leerlingen die zonder toestemming wegblijven van school
  • samen met school en ouders naar oplossingen zoeken bij problemen met schoolbezoek
  • maatschappelijke zorg verlenen om ongeoorloofd schoolverzuim en vroegtijdig schoolverlaten te beperken
  • doorverwijzen naar hulpverlening
  • deelnemen aan diverse zorgadviesteams of overleg met of deelname aan wijk- of gebiedsteams
  • zorgen voor handhaving, zoals wanneer ouders/verzorgers of leerlingen geen gehoor geven aan waarschuwingen of aanwijzingen van school of leerplichtambtenaar
  • behandelen van extra verlofaanvragen als verlof meer dan 10 schooldagen betreft
  • opmaken van proces-verbaal als ouders of leerlingen geen gehoor geven aan de aanwijzingen van de school en de leerplichtambtenaar

Halt

Halt heeft de wettelijke taak om grensoverschrijdend gedrag van jongeren te bestraffen. Daarnaast geeft Halt voorlichtingen op scholen, sportverenigingen of in de wijk. Ook kunnen zij op maat interventies en projecten aanbieden.

Via een Halt-straf kunnen jongeren rechtzetten wat zij fout hebben gedaan, zonder dat dit leidt tot een strafblad. Een Halt-straf heeft tot doel grensoverschrijdend gedrag zo vroeg mogelijk te stoppen en genoegdoening te bieden aan de slachtoffers en aan de maatschappij.

Een Halt-straf bestaat uit de volgende onderdelen:

  • gesprekken met jongere, ouders en de Halt-medewerker
  • vergoeden van eventuele schade
  • aanbieden van excuses aan het slachtoffer
  • maken van leeropdrachten
  • optioneel: het maken van een werkopdracht.

Tijdens de Halt-straf onderzoekt de Halt-medewerker of er sprake is van achterliggende problematiek. Dit gebeurt aan de hand van een landelijk ontwikkelde en erkende signaleringslijst. Halt biedt zelf geen hulpverlening. Als er extra zorg nodig is, kan Halt in overleg met het gezin de jongere of het gezin verwijzen naar de juiste hulp of ondersteuning.

Een positief afgeronde Halt-straf wordt niet opgenomen in de justitiële documentatie. Een jongere krijgt dus geen ‘strafblad’. Halt stuurt een positief bericht aan de politie en deze zal op zijn beurt de zaak seponeren. Als een jongere een Halt-straf weigert of niet afrondt en zijn zaak wordt doorgestuurd naar de officier van Justitie, dan volgt over het algemeen wel opname in de justitiële documentatie.

Zie ook de cijfers over Halt-bureau.

Raad voor de Kinderbescherming

Als een minderjarige vanwege een strafbaar feit een proces-verbaal krijgt of in verzekering wordt gesteld, dan brengt de politie de Raad voor de Kinderbescherming op de hoogte. Deze volgt deze minderjarige gedurende zijn straftraject en zorgt dat alle activiteiten van de Raad voor de Kinderbescherming, de politie en de officier van justitie op elkaar zijn afgestemd. De Raad voor de Kinderbescherming heeft bij jeugdstrafrechtzaken de volgende taken.

Onderzoek

Vaak is een melding van een proces-verbaal of inverzekeringstelling van een minderjarige voor de Raad voor de Kinderbescherming aanleiding voor een onderzoek naar de jongere en zijn omstandigheden. De raadsonderzoeker praat ook met andere betrokkenen die hem over de jongere kunnen informeren, zoals een leerkracht. Vaak zijn deze gesprekken voor de raadsonderzoeker voldoende om een goed beeld te krijgen van de jongere.

Vervolgonderzoek (uitgebreid strafonderzoek)

In sommige gevallen is meer onderzoek nodig, bijvoorbeeld omdat sprake is van ernstige opvoedingsproblemen. Verder kan de Raad voor de Kinderbescherming de rechter adviseren de jongere te laten onderzoeken door een speciale deskundige, zoals een pedagoog, psycholoog of psychiater.

Slachtoffer-dadergesprek

Een gesprek tussen een slachtoffer en een dader is zowel voor de jonge dader als voor het slachtoffer vrijwillig. De Raad voor de Kinderbescherming heeft de taak om jongere daders te selecteren en vervolgens aan te melden voor een slachtoffer-dadergesprek bij de Stichting Slachtoffer in Beeld (SIB). Slachtoffer in Beeld informeert de Raad voor de Kinderbescherming over het verloop van het gesprek. De Raad voor de Kinderbescherming bericht het Openbaar Ministerie over de afloop ervan.

Onderzoeksrapport en strafadvies

De raadsonderzoeker sluit zijn onderzoek af met een brief of rapport. Hij beschrijft het verloop van het onderzoek en neemt er informatie in op die anderen hebben gegeven. Daarnaast geeft de raadsonderzoeker de mening van de ouders en de jongere weer. Verder vermeldt hij de conclusies die de Raad voor de Kinderbescherming uit het onderzoek trekt. Als de raadsonderzoeker een jeugdreclasseringsmaatregel adviseert, formuleert hij onderwerpen waar de begeleiding van de jeugdreclassering zich op moet richten. Het rapport eindigt met een strafadvies aan de officier van justitie en eventueel aan de rechter.

Coördinatie van de taakstraf

Als een jongere een taakstraf moet verrichten, dan coördineert de Raad de uitvoering daarvan. De Raad voor de Kinderbescherming zorgt voor een passende taakstraf voor de jongere en informeert de officier van justitie over het verloop ervan.

Casusregie

De Raad voor de Kinderbescherming bewaakt tijdens het straftraject (inclusief het nazorgtraject) van de jongere de samenhang tussen de activiteiten van alle instanties en personen die met de jongere te maken hebben. Het doel daarvan is dat alle activiteiten goed op elkaar afgestemd worden.

Zie ook de cijfers over Raad voor de Kinderbescherming.

Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP)

In opdracht van het Openbaar Ministerie (de officier van Justitie of de rechter-commissaris die het strafrechtelijk vooronderzoek leidt) geeft het NIFP advies over de vraag of er een relatie bestaat tussen een delict waarvan de jongere wordt verdacht en een eventuele psychiatrische stoornis en/of gebrekkige cognitieve ontwikkeling. Het is één van de taken van het NIFP om onafhankelijke rapporteurs (psychologen, psychiaters) in te schakelen als de rechter opdracht geeft tot het verrichten van nader gedragsonderzoek (psychologisch en/of psychiatrisch onderzoek). Deze onafhankelijk deskundigen rapporteren ook over de kans op herhaling en adviseren over hoe herhaling voorkomen kan worden. Het NIFP bewaakt de kwaliteit van de rapportage van de ingeschakelde deskundigen.

Officier van justitie van Openbaar Ministerie

De officier van justitie bij het Openbaar Ministerie (OM) beslist of hij een jongere zal vervolgen door de zaak aan te brengen bij de kinderrechter. Deze beslissing neemt hij op basis van het opsporingsonderzoek van de politie of, bij gecompliceerde zaken, op basis van het gerechtelijk vooronderzoek. Bij zijn beslissing betrekt de officier óók het door de Raad voor de Kinderbescherming uitgebrachte strafadvies en de informatie die hij daarbij over de jongere en zijn omstandigheden heeft gekregen.

Als de officier van justitie besluit om een zaak aan te brengen bij de kinderrechter, dan is het Openbaar Ministerie verantwoordelijk voor het plannen van de zitting, het laten tekenen van een dagvaarding en het gereed maken van de zaak voor de zitting. Dit betekent dat het Openbaar Ministerie ervoor zorgt dat alle stukken, zoals de rapportages van de Raad en het NIFP, tijdig bij het dossier zijn gevoegd. Nadat de rechter een vonnis heeft geveld, ziet het OM erop toe dat de straf ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd.

De officier van justitie heeft de bevoegdheid om van vervolging af te zien of voorwaarden te stellen om strafvervolging te voorkomen. De officier van justitie nodigt de jongere uit om een passende afdoening te bespreken. De voorwaarden die gesteld kunnen worden, bestaan bijvoorbeeld uit het betalen van een geldsom, het uitvoeren van een taakstraf of het opleggen van begeleiding door de Jeugdreclassering. De officier kan de jongere zonder tussenkomst van de rechter een taakstraf tot 60 uur opleggen. Indien de jongere het delict ontkent of niet akkoord gaat met het voorstel van de officier van justitie wordt de zaak alsnog doorgezet naar de kinderrechter.

Kinderrechter

Als de jongere wordt gedagvaard moet hij voor de kinderrechter verschijnen. Als deze de jongere schuldig bevindt, kan hij een straf opleggen, zoals een geldboete, een taakstraf of een vrijheidsstraf (jeugddetentie). Een andere mogelijkheid is dat de kinderrechter de jongere een maatregel oplegt. Het jeugdstrafrecht kent een tweetal maatregelen om de jongere te behandelen: Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen, de zogeheten PIJ-maatregel, en de gedragsbeïnvloedende maatregel. Daarnaast kan de kinderrechter een jongere gedurende de proeftijd jeugdreclasseringsbegeleiding opleggen (maatregel Toezicht en Begeleiding).

Justitiële Jeugdinrichting

Als een jongere wordt veroordeeld tot jeugddetentie dan wordt deze straf ten uitvoer gelegd in een justitiële jeugdinrichting (JJI). Jongeren met een PIJ-maatregel worden ook in een justitiële jeugdinrichting geplaatst. Een justitiële jeugdinrichting kan in het kader van een scholings- en trainingsprogramma ook jeugdhulp inzetten.

De duur van het verblijf varieert van enkele dagen tot maximaal 7 jaar in het geval van een (verlengde) PIJ-maatregel.

Al voorafgaand aan de terechtzitting kan een jongere in een justitiële jeugdinrichting terechtkomen: dat is meestal het geval als de rechter-commissaris bij voorgeleiding besluit om de jongere in voorlopige hechtenis te nemen. De meeste jongeren die in voorlopige hechtenis worden genomen verlaten de inrichting echter al voordat hun zaak op de zitting komt, omdat bij jongeren de voorlopige hechtenis vaak onder voorwaarden wordt geschorst.

Na detentie van een jeugdige is het doel om hem goed te laten herintreden binnen de maatschappij. Daarom wordt binnen een justitiële jeugdinrichting ook scholing en training aangeboden. Deze programma’s sluiten niet altijd aan bij de individuele omstandigheden van een jeugdige, al was het alleen al vanwege de (beperkte) duur van jeugddetentie. Een Scholings- en Trainingsprogramma kan ingezet worden gedurende de laatste drie maanden van de detentie. Hiervoor wordt een intensief begeleidingstraject ingezet, welke uitgevoerd wordt in de omgeving waar de jeugdige naar terugkeert. De jeugdreclasseringsbegeleiding speelt hierin een belangrijke rol.

Zie ook de cijfers over Justitiële Jeugdinrichting.

Ministerie van Justitie en Veiligheid

De verantwoordelijkheid voor jongeren in een justitiële jeugdinrichting ligt bij de sector Justitiële Jeugdinrichtingen van de Dienst Justitiële Inrichting (DJI). De DJI is een uitvoeringsorganisatie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. De sector Justitiële Jeugdinrichtingen is er een onderdeel van. De DJI draagt ook zorg voor vervoer van en naar de rechtbank vanuit de justitiële (jeugd)inrichting.

Gecertificeerde instellingen

Gecertificeerde instellingen zijn instellingen die van overheidswege gecertificeerd zijn om kinderbeschermingsmaatregelen en maatregelen in het kader van de jeugdreclassering te mogen uitvoeren. Binnen de context van de jeugdreclassering meerdere rollen en taken:

  • uitvoering van diverse jeugdreclasseringsmaatregelen
  • het opstellen van bepalingen voor jeugdhulp
  • het doorverwijzen van de jongere naar andere zorgverleners 

Gemeenten

De gemeentelijke jeugdhulp werkt onder andere samen met de justitieketen. Daarbij hebben gemeenten de taak om 'procesregie' te voeren op de jeugdbeschermingsketen en de jeugd- en adolescenten strafrechtketen door bijvoorbeeld heldere afspraken te maken met volwassenreclassering en de Raad voor de Kinderbescherming. 

Wanneer een GI of reclasseringsorganisatie jeugdhulp wil inzetten die in strafrechtelijke beslissing zit, is daarvoor geen formeel besluit van de (jeugd)reclassering of overleg met de gemeente nodig (Jeugdwet art 3.5. lid 4). De GI of reclasseringsorganisatie kan rechtstreeks bij de jeugdhulpaanbieder aanmelden, die op zijn beurt de gemeente zal informeren over de start van de jeugdhulp.

Vanuit het uitgangspunt één gezin, één plan, één regisseur ligt het wel voor de hand om waar mogelijk met de betrokken gemeente af te stemmen. Hier worden lokaal afspraken over gemaakt.

Marie-Christine van der Veldt