Cijfers over gezinnen

Aantal gezinnen in Nederland

In 2025 zijn er ruim 2,6 miljoen gezinnen met thuiswonende kinderen, waaronder ruim 1,8 miljoen met een jongste kind onder de 18 jaar. Het aantal gehuwde paren met thuiswonende kinderen bedraagt in 2025 ruim 1,5 miljoen en is daarmee nog steeds in de meerderheid. Het aantal niet-gehuwde paren met kinderen bedraagt 4670.372. 

In 2025 zijn er 626.593 eenoudergezinnen (circa 24 procent van de gezinnen), waarbij het in de meeste gevallen gaat om een alleenstaande moeder met een of meer kinderen. Het aantal eenoudergezinnen is sinds 2015 toegenomen, toen waren er 545.289 eenoudergezinnen. 

De afgelopen twintig jaar is het aantal gezinnen met kinderen toegenomen met ruim 126.000. Hierbij neemt het aantal ongehuwde paren met kinderen geleidelijk toe. Het aantal gehuwde paren met kinderen neemt daarentegen af. Van het totaal aantal gezinnen met thuiswonende kinderen ging het in 2005 om circa 73 procent gehuwde paren. In 2025 is dit percentage gedaald naar 59 procent van alle huishoudens met thuiswonende kinderen. 

Het percentage ongehuwde paren met thuiswonende kinderen is gestegen van 10 procent in 2005 naar bijna 18 procent in 2025. Ook het aantal eenoudergezinnen is gestegen. In 2005 was circa 18 procent van de gezinnen een eenoudergezin. In 2025 is dit gestegen naar circa 24 procent (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2026).

Kindertal per type gezin

Nog steeds geldt voor de meeste gezinnen met kinderen dat de ouders gehuwd zijn. In 2025 gaat het om ruim 1,5 miljoen gehuwde paren met kinderen. Dat is 59 procent van alle huishoudens met thuiswonende kinderen. 

Bij zowel gehuwde stellen als ongehuwde stellen bestaan de meeste gezinnen uit ouders met twee kinderen. Onder de gehuwde stellen heeft ruim 44 procent twee thuiswonende kinderen; onder de ongehuwde paren gaat het om ruim 45 procent. Bij eenoudergezinnen heeft de meerderheid (bijna 62 procent) één kind (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2026).

Complexe gezinnen

Over het aantal kinderen dat in 2025 opgroeit in een complex gezinsverband zijn nog geen cijfers. De meest recente cijfers dateren uit 2017. Van een complex gezinsverband wordt gesproken als kinderen opgroeien met één of twee stiefouders, stiefbroers of -zussen of halfbroers of -zussen.

In 2017 groeit ruim een half miljoen minderjarige kinderen op in een complex gezinsverband. Dat is 16 procent van de ruim 3,4 miljoen minderjarige kinderen. Twintig jaar eerder ging het om 10 procent van alle minderjarige kinderen.

Daarnaast woonde in 2017 van 21 procent van alle minderjarige kinderen de ouders niet meer bij elkaar. De ouders van deze kinderen waren gescheiden, hadden nooit samengewoond of een van de ouders was overleden.

Van de minderjarige kinderen in complexe gezinsverbanden had circa de helft één of twee stiefouders. 66 procent had wel halfbroers of -zussen en geen stiefbroers of -zussen. 15 procent had wel stiefbroers of -zussen maar geen halfbroers of -zussen (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020).

Definitie

Een gezin bestaat uit een of meer ouders met een of meer kinderen. Het kan gaan om een gehuwd of ongehuwd ouderpaar, of een alleenstaande ouder. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) omschrijft gezinnen als huishoudens waar volwassenen met kinderen samenwonen, waarmee ze een ouder-kind relatie hebben. Adoptie- en stiefkinderen worden daarbij wel meegeteld, pleegkinderen niet. Het gaat om gezinnen die samen in een huis wonen en als zodanig staan ingeschreven bij de gemeente. Weekendgezinnen van ouders met een omgangsregeling worden hierbij dus niet meegeteld. Overigens kan een gezin ook bestaan uit ouders en hun volwassen kinderen. Maar als het over opgroeien en opvoeden gaat, gaat het om gezinnen met minderjarige kinderen of thuiswonende kinderen tot 25 jaar.

Meer informatie

Opvoeden en ouderschap

Foto Kiky van Mook

Kiky van Mook

inhoudsdeskundige Kwaliteit, beleid en monitoring
k.vanmook [at] nji.nl