Cijfers over jeugd met een migratieachtergrond

Aantal kinderen en jongeren met een migratieachtergrond

Grafiek Achtergrond jeugd van 0 tot 25 jaar in 2020

In 2020 heeft ruim 72 procent van alle 0- tot 25-jarigen in Nederland een Nederlandse achtergrond en bijna 28 procent een migratieachtergrond. Deze laatste groep is opgebouwd uit ruim 66 procent 0- tot 25-jarigen met een niet-westerse migratieachtergrond en bijna 34 procent met een westerse migratieachtergrond. De laatste jaren is er een daling in het aantal kinderen met een Nederlandse achtergrond, van 75,49 procent in 2014 naar 72,24 procent in 2020, en een lichte stijging in het aantal kinderen met een westerse of niet-westerse migratieachtergrond.

Van de jeugd met een niet-westerse migratieachtergrond behoort de grootste groep met ruim 47 procent tot de categorie 'overige'. Hiertoe behoren onder meer kinderen uit Syrië, Afghanistan, Iran en Irak. Na de groep 'overige' vormen kinderen en jongeren met een Marokkaanse achtergrond de grootste groep jeugdigen met een niet-westerse migratieachtergrond, met ruim 19 procent. Bijna 16 procent heeft een Turkse achtergrond, bijna 11 procent een Surinaamse achtergrond en 7 procent is afkomstig uit de (voormalige) Nederlandse Antillen en Aruba.

Sinds 2010 is het aandeel jeugd met een migratieachtergrond binnen de bevolking van 0 tot 25 jaar gestegen van 23,5 procent in 2010 naar ruim 27 procent in 2020. Binnen deze groep is er een verschuiving te zien in de verdeling van de herkomstgroepen. Zo is het percentage met een niet-westerse achtergrond gedaald van 69 procent van de jeugd met een migratieachtergrond in 2010 naar circa 67 procent in 2020. Het percentage met een westerse achtergrond steeg van circa 31 procent in 2010 tot bijna 34 procent in 2020 (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020).

Verdeling van jeugd naar herkomst

Grafiek Verdeling van migrantenjeugd naar herkomst

Ruim 66 procent van de jeugd met een migratieachtergrond heeft in 2020 een niet-westerse achtergrond. Het grootste aandeel wordt gevormd door jeugd in de groep 'overig niet-westerse afkomst'. Deze groep is divers samengesteld en bestaat uit jeugd uit onder meer Somalië, Syrië, Iran, Irak en Afghanistan. Daarna vormen respectievelijk jeugd met een Marokkaanse achtergrond (19 procent), Turkse achtergrond (16 procent), Surinaamse achtergrond (11 procent), jeugd afkomstig uit de (voormalige) Nederlandse Antillen en Aruba (7 procent) en jeugd nmet een Syrische achtergrond (6 procent), de grootste groepen.

Sinds 2010 vertoont de groep 'overig niet-westerse afkomst' de grootste stijging, van 24,47 procent van de jeugd met een migratieachtergrond in 2010 naar bijna 32 procent in 2020. De stijging komt door een toename van het aantal vluchtelingen (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2020).

Deelname voortgezet onderwijs

Steeds meer kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond gaan naar de havo of het vwo. In het schooljaar 2020/’21 zat 39,9 procent van de leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond in het derde leerjaar van het havo/vwo. Van de leerlingen met een Nederlandse achtergrond zat 51,5 procent op havo of vwo.

Vijftien jaar eerder in 2005/'06 ging het om respectievelijk 28,6 procent van de kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond en 45 procent van de leerlingen met een Nederlandse achtergrond. In 15 jaar tijd is het aandeel leerlingen dat havo of vwo volgt het sterkst gestegen bij degenen met een niet-westerse achtergrond.

In 2020/’21 volgde 36,8 procent van de Marokkaans-Nederlandse leerlingen, 33,8 procent van de Turks- Nederlandse leerlingen, 40 procent van de leerlingen van de Surinaams-Nederlandse leerlingen en 31,4 procent van de leerlingen afkomstig uit de voormalige Nederlandse Antillen of Aruba havo/vwo-onderwijs.

Onder leerlingen met een vluchtelingenachtergrond zijn er grote verschillen in onderwijsniveau. Leerlingen met een Iraanse achtergrond gaan vaker naar het havo/vwo dan leerlingen met een Nederlandse achtergrond. Onder hen zat meer dan de helft van de leerlingen in het schooljaar 2019/’20 in een havo- of vwo-klas. Leerlingen met een Somalische of Syrische achtergrond gaan juist veel minder vaak naar havo/vwo. Ongeveer 1 op de 5 volgde in 2019 havo/vwo-onderwijs.

Leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond gaan het vaakst (62 procent) naar het vmbo. Binnen het vmbo volgen leerlingen met een niet-westerse achtergrond vaker de basisberoepsgerichte- en kaderberoepsgerichte leerwegen dan leerlingen met een Nederlandse achtergrond.

Deelname hoger onderwijs

Het aantal kinderen en jongeren met een migratieachtergrond dat in Nederland een hbo- of wo-opleiding volgt is de afgelopen twintig jaar gestegen. Deze stijging zien we in mindere mate ook onder jeugdigen van Nederlandse origine. Het percentage kinderen en jongeren van 18-25 jaar met een niet-westerse achtergrond dat een hbo opleiding volgt is met 8 procent gestegen. Van 11 procent in 2000 naar bijna 19 procent in 2019/2020. Onder kinderen en jongeren zonder migratieachtergrond gaat het om een stijging van 5,6 procent: van 17,3 procent in 2000 naar 22,9 procent in 2019/2020.

De stijging is het grootst onder de jongeren met een Turkse (7 procent in 2000 naar 18 procent in 2019) en Marokkaanse (8 procent in 2000 naar 19 procent in 2019) migratieachtergrond. De stijging onder jongeren afkomstig uit de (voormalige) Nederlandse Antillen en Aruba is kleiner. Dit kan verklaard worden doordat relatief veel van deze jongeren al deelnamen aan het hoger onderwijs.

Grotere stijging onder vrouwen

Meer vrouwen dan mannen volgen een hbo-opleiding. In 2019/2020 geldt dat voor alle herkomstgroepen. De stijging van het aantal vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond dat een hbo-opleiding volgt is aanzienlijk groter dan die van vrouwen met een Nederlandse achtergrond.

Het verschil tussen vrouwen met een Nederlandse achtergrond en vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond wordt steeds kleiner. Zo volgde in 2000 11 procent van de vrouwen van 18-25 jaar met een niet-westerse achtergrond een hbo-opleiding. In 2019 is dit gestegen naar bijna 21 procent. Onder vrouwen met een Nederlandse achtergrond gaat het om bijna 19 procent in 2000 naar ruim 24 procent in 2019/2020.

Wetenschappelijk onderwijs

Ook binnen het wetenschappelijk onderwijs zijn kinderen en jongeren met een migratieachtergrond bezig met een inhaalslag. Het verschil met hun leeftijdsgenoten met een Nederlandse achtergrond wordt kleiner. Zo volgt inmiddels 12 procent van de van 18-25 jaar kinderen en jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond een opleiding in het wetenschappelijk onderwijs.

Onder jeugd met een Nederlandse achtergrond gaat het om ruim 14 procent. Twintig jaar eerder ging het om respectievelijk 5 procent en bijna 10 procent. Ook in het wetenschappelijk onderwijs stijgt het percentage het meest onder meisjes met een Turkse-, Marokkaanse en Surinaamse migratieachtergrond.

Arbeidsmarkt 

De arbeidsparticipatie onder de beroepsbevolking van 15 tot 25 jaar met een niet-westerse migratieachtergrond is de afgelopen tien jaar aanzienlijk gestegen. Van 43 procent in 2010 naar ruim 51 procent in 2020. Onder jongeren met een Nederlandse achtergrond vond een kleinere stijging plaats. Van ruim 65 procent in 2010 naar bijna 67 procent in 2020.

De arbeidsmarktparticipatie steeg het hardst onder jongeren met een Turkse – en Marokkaanse achtergrond. In 2010 had 39 procent van de jongeren met een Turkse achtergrond betaald werk. In 2020 is dit gestegen naar 54,5 procent. Onder jongeren met een Marokkaanse achtergrond gaat het om respectievelijk 40,5 procent en 53 procent.

Ook het aantal jongeren dat op zoek is naar werk is, met uitzondering van 2020 tijdens de coronapandemie, de laatste tien jaar onder zowel jongeren met – en zonder migratieachtergrond gedaald. Nog steeds geldt echter dat jongeren met een niet-westerse migratieachtergrond vaker werkloos zijn dan jongeren van Nederlandse origine.

In 2020 was 15 procent van de jongeren van 15 tot 25 jaar met een niet-westerse migratieachtergrond werkzoekend. Onder jongeren met een Nederlandse achtergrond gaat het om 7,5 procent. In 2019, toen er nog geen pandemie was, ging het om respectievelijk 11 procent en 5,4 procent.

Definitie

In de statistieken verwijst de term 'migratieachtergrond' naar kinderen en jongeren die niet in Nederland geboren zijn of van wie een of beide ouders elders geboren zijn.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) hanteert bij de presentatie van cijfers de volgende indeling:

  • Nederlandse achtergrond: een persoon van wie beide ouders in Nederland zijn geboren, ongeacht het land waar de persoon zelf is geboren;
  • Westerse migratieachtergrond: iemand die in Nederland woont en van wie ten minste één ouder in een land in Europa (exclusief Turkije), Noord-Amerika, Oceanië, Indonesië of Japan is geboren. Op grond van hun sociaal-economische en sociaal-culturele positie worden mensen met een migratieachtergrond uit Indonesië en Japan tot de westerse migratieachtergrond gerekend;
  • Niet-westerse migratieachtergrond: iemand die in Nederland woont en van wie ten minste één ouder in een land in Afrika, Latijns-Amerika, Azië (exclusief Japan en Indonesië) of Turkije is geboren.

Verder wordt onderscheid gemaakt tussen personen die zelf in het buitenland zijn geboren (de eerste generatie) en personen die in Nederland zijn geboren (de tweede generatie).

Bij het afbakenen van mensen met een migratieachtergrond staat het geboorteland van de ouders centraal. Minstens een van de ouders is in het buitenland geboren. Van mensen met een Nederlandse achtergrond zijn beide ouders in Nederland geboren.

Lees ook

Deniz Ince

Drs. Deniz Ince

medewerker inhoud