• WERKEN AAN DE KWALITEIT
  • VAN DE JEUGDSECTOR
Gedragsproblemen

Wat kan de school doen?

Een brede aanpak – gericht op school, ouder én jeugdige – heeft meer effect bij de aanpak van gedragsproblemen dan interventies die zich uitsluitend richten op ouders of jeugdigen. Daarnaast zijn preventieve interventies, gericht op jeugdigen die zich nog in het onderwijs bevinden, succesvoller dan curatieve programma’s gericht op jeugdigen die zijn uitgevallen.

Schoolbrede gelaagde benaderingen

Er zijn aanwijzingen dat schoolbrede en gelaagde benaderingen gedragsproblemen op school kunnen verminderen. Schoolbreed betekent dat de programma’s worden uitgerold over de hele school. Dus niet alleen in de klas, maar ook op de speelplaats, in de kantine en in de buurt en worden uitgevoerd door alle bij de leerling betrokken actoren. Gelaagd betekent dat er een aantal niveaus worden onderscheiden bij het realiseren van een goed onderwijsaanbod.

Laag 1: alledaagse aandacht in de school

Hierbij gaat het allereerst om de algemene alledaagse aandacht in de school voor de drie basisbehoeften van de leerling. Allereerst de behoefte aan relatie, waarbij de leerkracht zodanige aandacht geeft aan de leerling, dat deze zich herkend en erkend voelt, en respect toont ten opzichte van de leerling door gedrag en taalgebruik. Dan is er de behoefte aan competentie (de behoefte van de leerling om effectief te handelen en gewenste resultaten te behalen). Hierbij is de leerkracht degene die de algemene competenties bevordert, met name contact maken, respect tonen, rekening houden met. En ten slotte is er de behoefte van de leerling aan autonomie. Hierbij zal de leerkracht de zelfwerkzaamheid bevorderen, op maat van het niveau en de behoefte van de leerling, en zal de leerkracht zelfvertrouwen geven bij getoonde geslaagde autonomie.

In termen van algemene interventies ('methoden of actieve handelingen om een probleem te voorkomen of op te lossen') is er in deze laag de schoolbrede interventie die betrekking heeft op alle betrokkenen in de school, zoals het programma SchoolWide Positive Behavior Support. Meer specifiek zijn er de interventies die zich richten op alle leerlingen in deze eerste laag en waarin hen wordt duidelijk gemaakt welk gedrag wordt verwacht, wordt goed gedrag beloond en wordt uitgelegd welke consequenties afwijkend gedrag heeft.

Voorbeelden van dit soort interventies die zijn opgenomen in de Databank Effectieve Jeugdinterventies zijn:

Laag 2: leraar voert interventie uit

De tweede laag - die uit de 15 procent risicoleerlingen bestaat - betreft interventies die de leraar met ondersteuning kan uitvoeren in de klas of die op school worden aangeboden aan jeugdigen en ouders. Op dit niveau wordt een zogenaamde multicomponentenbenadering gehanteerd met een goede monitoring van risicoleerlingen, een glasheldere structuur met voorspelbaar gedrag en veel feedback door volwassenen in de school en een intensieve thuis-school communicatie.

Voorbeelden van dit soort interventies die zijn opgenomen in de Databank Effectieve Jeugdinterventies zijn:

Laag 3: Gespecialiseerde individuele interventies

De derde laag - die uit de 5 procent leerlingen die meer nodig hebben bestaat - betreft naast preventieve vaak ook curatieve programma’s. Deze worden samen met andere professionals uitgevoerd, op school en daarbuiten. Meestal wordt de hulp afgesproken en gerealiseerd via het zorg- en adviesteam (ZAT). Veelal wordt gebruik gemaakt van functionele gedragsanalyse, een geïndividualiseerde interventie op basis van een teambrede aanpak en een verhoogde betrokkenheid van ouders en ketenpartners zoals organisaties voor jeugdzorg.

Rol onderwijsprofessionals

Effectief adaptief onderwijs is de verantwoordelijkheid van het gehele team. De leerkracht is de spil, hij geeft het onderwijs concreet vorm, maar hij dient wel ondersteund te worden. Hieronder wordt kort de rol besproken van verschillende onderwijsprofessionals in het voorkomen en verminderen van gedragsproblemen:

De leerkracht:

  • om kunnen gaan met verschillen tussen leerlingen;
  • signaleren van beginnende gedragsproblemen;
  • weten wat te doen met dergelijke signalen;
  • de zorgroute kennen en benutten;
  • kunnen werken met handelingsadviezen van hulpverleners;
  • om kunnen gaan met gedragsmoeilijke leerlingen.

De mentor:

  • handelingsplannen kunnen opstellen en uitvoeren;
  • samen kunnen werken met ouders in zorgtrajecten;
  • in staat zijn casussen voor te bereiden voor bespreking in het zorgteam.

Intern begeleider of zorgcoördinator:

  • leerkrachten coachen bij signaleren van gedragsproblemen, werken met handelingsplannen, samenwerken met ouders, omgaan met handelingsadviezen van hulpverleners;
  • schakel zijn tussen de interne zorg van de school en de externe zorgpartners;
  • op de hoogte zijn van de zorgmogelijkheden van de externe zorginstellingen;
  • coördineren/voorzitten van het zorgteam op school;
  • voorbereiden van casussen die ingebracht worden bij het zorg- en adviesteams;
  • signalen van leerkrachten en zorgpartners kunnen vertalen naar school-zorgbeleid, in goede samenwerking met de schoolleiding.

Gedragswetenschapper in het onderwijs:

  • leerkrachten coachen bij signaleren van gedragsproblemen, opstellen van handelingsplannen, en samenwerken met ouders;
  • onderzoek uitvoeren in het kader van eventueel noodzakelijke nadere probleemtaxatie en diagnostiek van gedragsproblemen;
  • verstrekken van handelingsgerichte adviezen aan leerkrachten en/ of intern begeleider of zorgcoördinator op basis van de resultaten van het onderzoek;
  • op de hoogte zijn van de zorgmogelijkheden van de externe zorginstellingen en indien nodig leerlingen doorverwijzen;
  • bijdrage leveren aan (integrale) indicatiestelling;
  • samenwerken met externe zorgpartners.
Vragen?

Willeke Daamen is contactpersoon.

Foto Willeke  Daamen

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.