• WERKEN AAN DE KWALITEIT
  • VAN DE JEUGDSECTOR
Autisme

Wat werkt?

Autismespectrumstoornissen (ASS) zijn niet te genezen. Behandeling kan zich wel richten op het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen met ASS, het beperken van de nadelige gevolgen van de stoornis en het aanpakken van comorbiditeit. Hoewel het onderzoek naar interventies bij autisme de laatste jaren flink is toegenomen, weten we nog niet wat de ‘beste behandeling’ is en ook niet welke onderdelen van die behandelingen de beste effecten teweeg brengen.

Gezien de zeer uiteenlopende uitingsvormen is in alle gevallen grondige diagnostiek een belangrijke voorwaarde om te komen tot een zo integraal mogelijke behandeling. De inmiddels klassieke behandelprincipes van Rutter (1985) kunnen daarbij als leidraad dienen:

  1. Facilitatie en stimulatie van cognitie, taal en socialisatie/sociaal-emotionele ontwikkeling
  2. Vermindering van autistisch-gerelateerd maladaptief gedrag zoals rigiditeit, stereotypie en inflexibiliteit
  3. Elimineren van niet-specifiek maladaptief gedrag zoals hyperactiviteit en disruptief gedrag
  4. Verminderen van stress binnen het gezin.

Werkzame elementen

Er zijn verschillende behandelingen beschikbaar voor kinderen en jongeren met ASS. Veel daarvan zijn nog niet goed onderzocht. De behandelingen die het best zijn onderzocht hebben een aantal overeenkomsten die nationaal en internationaal door onderzoekers en experts worden gezien als essentiële onderdelen of werkzame elementen.

  1. Het geven van psycho-educatie met duidelijke uitleg over de diagnose, de aard en etiologie van de stoornis en de betekenis hiervan voor bijvoorbeeld de opvoeding, de gezinssituatie en de toekomst.
  2. Het bieden van een integrale aanpak (met ondersteuning thuis, op school, tijdens het werk en in de vrije tijd).
  3. Het gezin betrekken bij de behandeling en het ondersteunen van de gezinsleden zodat zij zo goed mogelijk leren omgaan met de ASS.
  4. In de behandeling aansluiten bij de interesses en capaciteiten van het kind met ASS, om zo de behandelmotivatie te verhogen.
  5. Interventies systematisch inzetten, op basis van doelen die zijn opgesteld na uitgebreid onderzoek. Vervolgens de voortgang van de jeugdige monitoren (en ingrijpen als duidelijk wordt dat interventies onvoldoende werken).
  6. Het structureren en begrijpelijk maken van de omgeving van het kind met ASS met behulp van educatieve interventies en visuele schema’s.
  7. Het inzetten van specifieke interventies om beperkingen in de sociale communicatie en beperkt, zich herhalend gedrag aan te pakken (denk aan communicatieve interventies als de Picture Exchange Communication System-methodiek).
  8. Een functionele aanpak voor probleemgedrag (als angst of agressie): eerst vaststellen waarom het kind dit gedrag vertoont en op basis daarvan specifieke interventies inzetten (bijvoorbeeld intensieve gedragstherapie of cognitieve gedragstherapie).

Best onderzochte aanpakken

Drie typen interventies zijn vooralsnog het best onderzocht: intensieve gedragstherapie waarvan vooral positieve effecten worden gevonden op cognitieve vaardigheden, taal en specifiek problematisch gedrag (als angst en zelfverwonding); educatieve interventies die een positieve bijdrage kunnen leveren aan het structureren en verduidelijken van de omgeving en het aanleren van praktische vaardigheden; en sociaal-communicatieve interventies die jeugdigen zonder spraak kunnen helpen om zich duidelijk te maken en jeugdigen met spraak kunnen helpen om sociale interacties beter te begrijpen.

Comorbiditeit

Bij kinderen en jongeren met ASS komt comorbiditeit veel voor, maar er is nog weinig bekend over werkzame elementen bij de behandeling van comorbiditeit. Veel comorbide symptomen als angst, oppositioneel gedrag en concentratieproblemen, zullen bij een adequate behandeling van het autisme verminderen. Wanneer er echter sprake is van een comorbide stoornis, wordt aanbevolen deze te behandelen volgens de daarvoor geldende richtlijnen. Voor jeugdigen met hoogfunctionerend ASS en comorbide angst of agressie kan cognitieve gedragstherapie positieve effecten hebben. Ditzelfde lijkt te gelden voor jeugdigen met hoogfunctionerend ASS en depressie. Voor jeugdigen met laagfunctionerend ASS en problematisch gedrag (als zelfverwonding of angst) kan intensieve gedragstherapie positief werken.

Medicatie

Als psychosociale interventies niet werken, kan medicatie overwogen worden. Medicatie heeft geen direct effect op de sociale en communicatieve kernsymptomen van autisme. Wel kan medicatie gedragsproblemen die met autisme samenhangen (zoals disruptief gedrag, ADHD symptomen, angst- en depressie en dwangmatig gedrag) verminderen en zo het kind ontvankelijker maken voor andere, bijvoorbeeld gedragsmatige, interventies. De combinatie van psychofarmaca en psychosociale interventies komt in aanmerking wanneer ernstige symptomen blijven bestaan ondanks de inzet van psychosociale interventies.

Meer informatie

Meer informatie over wat werkt bij autisme kunt u vinden in: Wat werkt bij autisme.
Meer informatie over medicatie en psychologische behandelvormen bij autisme is ook te vinden op de website van het Kenniscentrum kinder- en jeugdpsychiatrie.

Vragen?

Joanne van den Eijnden is contactpersoon.

Foto Joanne van den Eijnden

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.