![]() |
© Nederlands Jeugdinstituut Catharijnesingel 47 • 3511 GC • Utrecht Postbus 19221 • 3501 DE • Utrecht t: (030) 230 63 44 • f: (030) 230 63 12 e: infojeugd@nji.nl • i: www.nji.nl |
Kinderen met een onderwijsachterstand zijn kinderen die door het opleidingsniveau van hun ouders het risico lopen dat zij op school achterblijven bij leeftijdgenoten.
Hier vindt u de laatste nieuwsberichten over onderwijsachterstand en aanverwante thema's. Wilt u de berichten per e-mail ontvangen? Neemt u dan een gratis abonnement op de Nieuwsbrief Jeugd.
Oudere berichten zijn terug te vinden in het nieuwsarchief van Nieuwsbrief Jeugd.
Wanneer heeft een kind een onderwijsachterstand? Hoeveel achterstandsleerlingen zijn er officieel? En hoe ontstaan onderwijsachterstanden?
Onderwijsachterstanden ontstaan door een samenspel van risicofactoren. Deze factoren kunnen te maken hebben met de kinderen zelf en met de omgeving waarin zij opgroeien.
Kindfactoren
Verschillen in schoolprestaties tussen kinderen zijn voor een deel te verklaren uit aangeboren kenmerken, die niet allemaal even sterk te beïnvloeden zijn. Sommige kinderen zijn van nature intelligenter dan andere kinderen. Kinderen kunnen ook beperkingen hebben die positieve contacten tussen ouder en kind in de weg staan en daardoor een negatieve invloed hebben op hun cognitieve ontwikkeling. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren bij een lichamelijke handicap, een moeilijk temperament of autisme.
Gezinsfactoren
Onderwijsachterstanden kunnen ook te maken hebben met het gezin waarin een kind opgroeit. Op dit moment blijkt de opleiding van de ouders het meest bepalend voor het latere schoolsucces van kinderen. Het achterblijven van veel - niet-westerse - allochtone kinderen is over het algemeen ook te verklaren uit het opleidingsniveau van de ouders. Hoger opgeleide ouders zijn gemiddeld beter in staat om een stimulerende omgeving voor hun kinderen te creëren. Zij maken gebruik van opvoedingsprincipes die een positieve invloed hebben op de cognitieve ontwikkeling van hun kinderen. Bovendien sluiten hun opvoedingsprincipes aan bij die van het basisonderwijs.
Ook andere factoren die direct of indirect te maken hebben met het functioneren van het gezin, zoals armoede, onveiligheid in de buurt, opgroeien in eenoudergezin en psychische problemen van de opvoeder, kunnen het risico op onderwijsachterstanden vergroten, zeker wanneer ze in combinatie met elkaar spelen.
Schoolfactoren
Op schoolniveau kunnen er risico's liggen in het leefklimaat en de kwaliteit van de school. Een belangrijke risicofactor is de toenemende verdeling in ‘zwarte’ en ‘witte’ scholen. Uit onderzoek blijkt dat homogene groepen vooral nadelig zijn voor laag presterende leerlingen. In groepen met laag presterende leerlingen passen leerkrachten en leerlingen hun verwachtingen en gedrag steeds meer naar beneden aan. In heterogene groepen blijken zwakke leerlingen juist beter te presteren. Op overwegend zwarte scholen zitten veel zwakpresterende leerlingen bij elkaar, vaak met meerdere moedertalen. Dat heeft een negatief effect op de prestaties van de individuele leerlingen. Bovendien zijn positieve onderwijscondities en goede schoolklimaten ook nog eens ongelijk over scholen verdeeld.
Meer informatie
Meer informatie over risicofactoren bij onderwijsachterstanden is te vinden in:
Risicofactoren bij onderwijsachterstanden 
Algemene informatie over oorzaken en achtergronden van problematische ontwikkeling bij kinderen staat in:
Oorzaken en achtergronden van problematische ontwikkeling 
Onderwijsachterstanden kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de maatschappij en voor de betrokken individuen. Ze leiden tot slechtere loopbaanperspectieven, maken het moeilijker om mee te komen in de maatschappij en vergroten de kans dat de volgende generatie ook met een onderwijsachterstand aan de school begint.
Loopbaanperspectieven
Een kind dat met een onderwijsachterstand aan de basisschool begint, haalt deze achterstand nauwelijks meer in zolang hij op school zit. Kinderen die een achterstand hebben op het gebied van taal, riskeren een onderwijsachterstand in alle vakken. Dat komt doordat taal een instrument is waarmee leerkrachten de kinderen in alle vakken kennis en vaardigheden bijbrengen. Daarnaast hebben kinderen met een onderwijsachterstand een grotere kans op schooluitval en een kleinere kans om een hoge opleiding af te ronden.
Meedoen in de maatschappij
Met een lage of zelfs helemaal geen startkwalificatie is het moeilijker om volwaardig deel te nemen aan de maatschappij. Zonder startkwalificatie heeft iemand een grotere kans op werkloosheid, een lager inkomen en sociale uitsluiting. Uit onderzoek van het Centraal Bureau voor Statistiek blijkt ook dat laagopgeleiden korter en ongezonder leven. Laagopgeleide 65-jarigen hebben naar verwachting gemiddeld nog negen jaar zonder lichamelijke beperkingen voor de boeg, terwijl hoogopgeleiden er nog veertien hebben.
Op de lange termijn kost een achterstandsleerling de maatschappij vaak veel geld door zijn afhankelijkheid van uitkeringen, zijn onbenutte talent en zijn grotere afhankelijkheid van gezondheidszorg.
Generatieperspectieven
Onderwijsachterstanden blijken van generatie op generatie te worden doorgegeven. De kinderen van ouders met een lagere sociaal-economische status hebben meer kans om met een onderwijsachterstand aan de basisschool te beginnen en daardoor later zelf ook een lagere sociaal-economische status te krijgen.
Bronnen: SCP, CBS, ministerie van OCW
Dit onderdeel gaat over het beleid rondom onderwijsachterstanden en bevat een selectie van beleiddstukken die daarvoor relevant zijn.
Het onderwijsachterstandenbeleid van de overheid is gericht op het voorkomen en terugdringen van achterstanden en zo de kansen, leerprestaties en schoolloopbanen van kinderen en jongeren te verbeteren.
Voor het achterstandenbeleid is jaarlijks een bedrag van ongeveer 487 miljoen euro beschikbaar. Voor scholen is de toekenning van het geld geregeld in de gewichtenregeling voor het basisonderwijs en de Regeling Leerplusarrangement VO en Nieuwkomers VO voor het voortgezet onderwijs. Het grootste deel van dat geld gaat rechtstreeks naar de scholen. Een kleiner deel, ongeveer 175 miljoen euro, gaat naar de gemeenten voor de voorschoolse educatie en de schakelklassen.
De laatste tien jaar bestaat het overheidsbeleid in grote lijnen uit maatregelen en extra middelen voor:
Voor- en vroegschoolse educatie
Voor- en vroegschoolse educatie (VVE) is het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen met kans op een taalachterstand in de periode voordat zij naar school gaan en tijdens de eerste paar schooljaren. VVE wordt gefinancierd volgens de gewichtenregeling van het onderwijsachterstandenbeleid. Scholen krijgen voor kinderen met ouders met een lage of zeer lage opleiding een extra gewicht van 0,3 of 1,2. De gewichtenregeling kent een drempel die met ingang van het schooljaar 2008-2009 is vastgesteld op 6 procent. Een school krijgt extra middelen toegekend als de opgetelde leerlinggewichten dat niveau overschrijden.
Meer informatie over de gewichtenregeling
Met ingang van het schooljaar 2009/2010 ontvangen scholen in zogenaamde impulsgebieden naast het gewichtengeld nog een extra bedrag per gewichtenleerling. Deze scholen zijn gevestigd in postcodegebieden met veel lage inkomens of uitkeringen.
Schakelklassen
Schakelklassen zijn bedoeld voor kinderen met een extra grote taalachterstand in het basisonderwijs. Leerlingen krijgen in een aparte groep les om hun achterstand weg te werken en vervolgens volledig deel te kunnen nemen aan het reguliere onderwijs. Gemeenten zijn sinds augustus 2006 verantwoordelijk voor het inrichten van schakelklassen. Zij ontvangen hiervoor jaarlijks een uitkering van het Rijk.
Ondersteuning schoolloopbaan
Leerlingen en hun ouders kunnen ondersteuning in de schoolloopbaan krijgen van oudercontactpersonen en in de vorm van extra taalondersteuning. Voor leerlingen in het voortgezet onderwijs bestaat ook extra ondersteuning in de vorm van mentoring en huiswerkbegeleiding. Verder is het belangrijk dat niet alleen binnen, maar ook buiten de school - bijvoorbeeld in het kader van de brede school - aandacht aan de schoolloopbaan van kinderen wordt besteed.
Bestrijding voortijdig schoolverlaten
In 2006 hebben de minister en staatssecretaris van Onderwijs de ‘Aanval op de uitval’ ingezet. Dat is een pakket van extra maatregelen om schooluitval actief te bestrijden. Het gaat bijvoorbeeld om projecten waarin jongeren begeleid worden bij de overgang van het vmbo naar het mbo, of waarin het onderwijsaanbod beter wordt afgestemd op de belevingswereld van jongeren door het aanbieden van onderwijs waarin cultuur en sport een grotere rol spelen. Meer informatie vindt u in het dossier Voortijdig schoolverlaten.
Bestrijding taalachterstand
Een van de maatregelen tegen onderwijsachterstanden is het bestrijden van de taalachterstand van kinderen en hun ouders. Dat houdt bijvoorbeeld in dat ouders en jonge kinderen gestimuleerd worden om vaker deel te nemen aan activiteiten om de taal beter te leren. Andere activiteiten zijn gericht op het verminderen van de taalachterstand van kinderen bij het verlaten van de basisschool. Taalachterstanden kunnen ook bestreden worden door extra aandacht aan taal te besteden in het voortgezet onderwijs tijdens het vak Nederlands, maar ook tijdens andere vakken.
Volgens de gewichtenregeling die het ministerie van OCW gebruikt voor het toekennen van vergoedingen aan het onderwijs, is een achterstandsleerling een leerling in het reguliere basisonderwijs met ouders die weinig opleiding hebben gehad. Daarbij gelden twee categorieën:
Achtergrond
Deze regeling is gebaseerd op het idee dat het lage opleidingsniveau van de ouders doorslaggevend is voor het ontstaan van onderwijsachterstanden. De voorgaande regeling die nog tot 2009 voor een deel van de basisschoolleerlingen geldt, was deels op de opleiding van de ouders en deels op etniciteit gebaseerd. De gewichtenregeling voor de vergoeding van onderwijs door de rijksoverheid, geldt sinds 1 augustus 2006 en wordt in fasen ingevoerd. Na vier jaar, in het schooljaar 2009/2010, moet deze voor de hele leerlingenpopulatie van kracht zijn.
Uitgangspunten
De gewichtenregeling werkt als volgt. Het gewicht van een leerling wordt op basis van een verklaring van de ouders vastgesteld op het moment dat het kind de school binnenkomt. Deze verklaring wordt bewaard in de schooladministratie. Het gewicht van een leerling blijft gedurende de hele basisschoolperiode hetzelfde, ook al verandert het opleidingsniveau van de ouders in de tussentijd. Iedere leerling krijgt een gewicht van 1. Achterstandsleerlingen tellen zwaarder.
In de regeling die sinds het schooljaar 2006/2007 geldt, krijgen leerlingen een extra gewicht van 0,3 als beide ouders of de ouder die belast is met de dagelijkse verzorging niet meer heeft gevolgd dan een lbo- of vbo-opleiding of maximaal twee jaar vervolgonderwijs na de basisschool. Leerlingen van wie een van de ouders maximaal basisonderwijs of speciaal onderwijs heeft gehad en de ander maximaal lager beroepsonderwijs of vmbo, krijgen een extra gewicht van 1,2.
Voortgezet onderwijs
In het voortgezet onderwijs worden achterstandsleerlingen niet zoals in het basisonderwijs geïdentificeerd. Daar wordt onderwijsachterstand op schoolniveau vastgesteld door te bepalen hoeveel leerlingen afkomstig zijn uit een achterstandswijk. Dit gegeven vormt de basis voor het Leerplusarrangement VO. Die regeling houdt in dat scholen die twee jaar achter elkaar minimaal 30 procent leerlingen uit achterstandswijken hebben, extra geld van het ministerie ontvangen. Dit wordt vastgesteld door de postcodes van leerlingen te koppelen aan de probleemcumulatiegebieden die het CBS onderscheidt.
Daarnaast is er een aparte Nieuwkomers VO-regeling. Een school krijgt extra geld voor elke leerling die korter dan twee jaar in Nederland is en die niet de Nederlandse nationaliteit heeft.
Hier vindt u een selectie van relevante beleidsstukken, analyses of adviezen.
De korte omschrijvingen zijn ontleend aan de literatuurcatalogus van het Nederlands Jeugdinstituut.
Welke programma's bestaan er voor het voorkomen van onderwijsachterstanden, welke daarvan werken en welke instrumenten zijn te gebruiken voor de signalering en screening van onderwijsachterstanden?
Als kinderen eenmaal een onderwijsachterstand hebben, is het moeilijk om die in te lopen. Daarom is het cruciaal om onderwijsachterstanden op jonge leeftijd - in de voorschoolse periode - te voorkomen. De programma’s die daarvoor bedoeld zijn, worden onderverdeeld in gezinsgerichte programma’s en centrumgerichte programma’s.
Gezinsgerichte programma’s worden uitgevoerd binnen het gezin. In deze programma’s wordt geprobeerd om de attitudes en het gedrag van de ouders te veranderen en daarmee de ontwikkeling van het kind positief te beïnvloeden. Uit internationaal onderzoek naar gezinsgerichte programma’s blijkt dat de effecten op de cognitieve ontwikkeling van kinderen bescheiden zijn. Bovendien zijn ze kleiner dan de effecten van centrumgerichte programma’s. Niettemin blijkt uit onderzoek naar de Nederlandse gezinsgerichte programma’s Opstap en Instapje dat ze wel degelijk een aantal positieve effecten op de ontwikkeling en het schoolsucces hebben.
Centrumgerichte programma’s - ook wel VVE-programma’s genoemd - worden uitgevoerd in peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en de onderbouw van de basisschool. Centrumgerichte programma’s kunnen op de korte termijn vooral positieve effecten hebben op de cognitieve ontwikkeling en de taalontwikkeling van kinderen. Effecten op het sociaal-emotionele domein zijn veel minder vaak aangetoond. Welke effecten centrumgerichte programma’s op de lange termijn hebben is niet zo duidelijk. Volgens sommige overzichtsstudies is er sprake van een 'uitdoving' van de positieve effecten, terwijl andere juist een behoud van effecten op de lange termijn laten zien. De effecten van centrumgerichte programma's blijken samen te hangen met de condities waaronder ze worden uitgevoerd.
Specifieke werkzame ingrediënten zijn:
Meer algemeen werkzame ingrediënten zijn:
In Nederland zijn diverse centrumgerichte programma’s beschikbaar. Naar een aantal daarvan is effectiviteitsonderzoek gedaan. De programma’s Piramide en Kaleidoscoop hebben beiden een positief effect op de cognitieve ontwikkeling en de taalontwikkeling. Van het programma Startblokken van Basisontwikkeling zijn nog geen effecten op de cognitieve ontwikkeling en de taalontwikkeling aangetoond, maar zijn wel wat positieve effecten op de sociaal-emotionele ontwikkeling gevonden.
Veel auteurs pleiten voor combinatieprogramma’s waarin uitvoering in een centrum wordt gecombineerd met aandacht voor de thuissituatie en activiteiten die ouders met kinderen kunnen uitvoeren. Deze combinatieprogramma’s blijken effectiever dan gezinsgerichte programma’s. Ondersteuning van gezinnen wordt vaak gezien als belangrijk voor het behouden van effecten op de langere termijn en als bescherming tegen bijvoorbeeld kindermishandeling en verwaarlozing, psychosociale problemen en criminaliteit op latere leeftijd.
Oudere kinderen met onderwijsachterstanden kunnen baat hebben bij programma’s voor verlengde schooldag, naschoolse opvang en vakantiekampen. Zulke programma’s kunnen bescheiden effecten hebben op de schoolprestaties van risicoleerlingen.
Een ander voorbeeld van een interventie op latere leeftijd is plaatsing in een schakelklas. Schakelklassen zijn bedoeld voor leerlingen met een grote taalachterstand. Effectonderzoek liet positieve resultaten zien, want de meeste schakelklaskinderen waren vooruitgegaan in taal en lezen.
Meer informatie over het voorkomen en terugdringen van onderwijsachterstanden is te vinden in:
Voorkomen en terugdringen van onderwijsachterstanden 
De hieronder genoemde interventies zijn beschreven in de databank Effectieve Jeugdinterventies. In deze databank zijn interventies opgenomen die op zijn minst theoretisch goed onderbouwd zijn en door een onafhankelijke erkenningscommissie zijn erkend.
Programma’s tegen onderwijsachterstanden zijn vaak preventief van aard. Ze worden meestal uitgevoerd in de voor- en vroegschoolse periode. Deze programma’s zijn bedoeld voor kinderen uit kansarme milieus die het risico lopen dat zij niet of onvoldoende mee kunnen komen op school.
Naast centrumgerichte programma’s die hoofdzakelijk worden uitgevoerd in kinderdagverblijven, peuterspeelzalen en basisscholen, bestaan er programma’s die hoofdzakelijk thuis worden uitgevoerd met ouders en kinderen. Daarnaast is een onderscheid te maken tussen integrale programma’s die zich richten op meerdere ontwikkelingsgebieden, en programma’s die zich richten op een specifiek ontwikkelingsgebied, bijvoorbeeld taalontwikkeling.
Integrale centrumgerichte programma’s (vve-programma’s)
Integrale gezinsgerichte programma’s
Programma’s voor taalstimulering
In de databank Effectieve Jeugdinterventies zijn op dit moment geen interventies opgenomen die zich richten op onderwijsachterstand bij oudere kinderen. Informatie over activiteiten en projecten voor oudere kinderen kunt u vinden onder de rubriek Wat werkt? in dit dossier.
Instrumenten voor de signalering en screening van onderwijsachterstanden zijn grotendeels gericht op observatie van kinderen in de voor- en vroegschoolse leeftijd. Deze instrumenten zijn bedoeld om de brede ontwikkeling van kinderen in kaart te brengen en over langere tijd te volgen. Pedagogisch medewerkers en leerkrachten binnen de kinderopvang en het basisonderwijs gebruiken deze instrumenten om een beeld te krijgen van het ontwikkelingsniveau van individuele kinderen en eventuele ontwikkelingsachterstanden te signaleren. Daarnaast bieden de instrumenten aanknopingspunten voor het aanpassen van het activiteitenaanbod aan de behoeften van individuele kinderen en van de hele groep.
Cito is een organisatie die toetsen, examens en volgsystemen ontwikkelt voor de voorschoolse educatie en het onderwijs. Basisscholen gebruiken bijvoorbeeld de Eindtoets Basisonderwijs, ook wel bekend als de Cito-toets en onderdelen van het Leerlingvolgsysteem om de vorderingen van hun leerlingen te volgen.
Cognitieve testen die speciaal ontwikkeld zijn voor migrantenleerlingen zijn: de Leertest voor Etnische Minderheden (LEM) en de Multiculturele Capaciteiten Test - Middelbaar niveau (MCT-M).
De jeugdgezondheidszorg heeft een taak in de vroegsignalering van spraak- en taalstoornissen. Meetinstrumenten die hierbij worden ingezet zijn onder andere het onderdeel ‘communicatie’ van het Van Wiechenonderzoek en het VTO Taal 2-jarigen instrument. Geen van de gebruikte instrumenten komt in aanmerking voor landelijke implementatie omdat er onvoldoende bewijs is voor de effectiviteit in het opsporen van taalachterstanden. Voorlopig adviseert het RIVM om het Van Wiechenonderzoek te gebruiken voor de 0- tot 4-jarigen. De jeugdarts of logopedist van de GGD beoordeelt de spraak- en taalontwikkeling bij 5-jarigen.
Hieronder vindt u een selectie van beschrijvingen uit de databank Instrumenten, Richtlijnen en Kwaliteitsstandaarden.
Hieronder vindt u een selectie van relevante onderzoeken die zijn opgenomen in de databank Nederlands Onderzoek Jeugd en Opvoeding. Deze databank bevat beschrijvingen van lopend en afgesloten onderzoek.
Hier vindt u enkele suggesties voor literatuur over onderwijsachterstand. Dit is een selectie uit de literatuurcatalogus van het Nederlands Jeugdinstituut, waarin u elders op deze site ook zelf kunt zoeken naar literatuur.
Meer congressen voor de jeugdsector vindt u elders op de site in de agenda.
Hieronder vindt u een beknopte uitleg van begrippen die te maken hebben met onderwijsachterstand. De omschrijvingen komen uit de Jeugdthesaurus, die u elders op deze site kunt raadplegen.
Hieronder vindt u een greep uit de publicaties over onderwijsachterstand of aanverwante thema's. Elders op deze site vindt u een overzicht van alle NJi-publicaties.
| Publicaties | |||
|---|---|---|---|
| Gratis downloads: |
|||
| Titel | Auteur | Jaar | |
| Effectiviteit van voor- en vroegschoolse programma’s in Nederland | Meij, H., K. Mutsaers en T. Pennings | 2009 | |
| Op het puntje van je stoel | Vegter, J en Schonewille, J (red.) | 2008 | |
| Kaleidoscoop in kinderdagverblijven | Schonewille J. en Brandenbarg N. | 2008 | |
| Ouders Actief | Ince, D. en H. Kalthoff | 2007 | |
| Participatie aan VVE-programma´s | Pennings, T. | 2007 | |
| Ontwikkelingsstimulering in multifunctionele voorzieningen | Kalthoff, H. en T. Pennings | 2007 | |
| Taaltalent | Nederlands Jeugdinstituut / NJi | ||