![]() |
© Nederlands Jeugdinstituut Catharijnesingel 47 • 3511 GC • Utrecht Postbus 19221 • 3501 DE • Utrecht t: (030) 230 63 44 • f: (030) 230 63 12 e: infojeugd@nji.nl • i: www.nji.nl |
Als kinderen een onderwijsachterstand hebben ontwikkeld, is het moeilijk om deze weer te herstellen. Het voorkómen van onderwijsachterstanden op jonge leeftijd is daarom cruciaal.
Hier vindt u de laatste nieuwsberichten over ontwikkelingsstimulering en aanverwante thema's. Wilt u de berichten per e-mail ontvangen? Neemt u dan een gratis abonnement op de Nieuwsbrief Jeugd.
Oudere berichten zijn terug te vinden in het nieuwsarchief van Nieuwsbrief Jeugd.
De rijksoverheid heeft de laatste jaren een grote impuls gegeven aan de voor- en vroegschoolse educatie. Door een speciale regeling kregen veel gemeenten de middelen om effectieve programma's uit te voeren in peuterspeelzalen en basisscholen.
Ministerraad stemt in met nieuwe wet VVE
De ministerraad heeft juni 2009 ingestemd met het wetsvoorstel Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (OKE). Het voorstel gaat nu naar de Tweede Kamer. Met de nieuwe wet, die 1 augustus 2010 in werking treedt, zijn gemeenten straks verplicht alle jonge kinderen met een taalachterstand voorschoolse educatie aan te bieden. Ook krijgen gemeenten een inspanningsplicht om deze doelgroep te bereiken.
Wetsvoorstel Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (OKE) 
Eerder formuleerde staatssecretaris Dijksma op 23 mei 2008 de voornemens van het kabinet in de beleidsbrief 'Ontwikkelingskansen door kwaliteit en organisatie'.
Volledig doelgroepbereik in 2011
Het rijksbeleid is er op gericht om per 1 augustus 2011 zowel in de voorschoolse als in de vroegschoolse periode alle doelgroepkinderen te bereiken met een programma voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Deze ambitieuze landelijke doelstelling bindt de individuele gemeente niet. Op 4 juni 2007 hebben Rijk en gemeenten het bestuursakkoord 'samen aan de slag' gesloten, waarin is afgesproken dat Rijk en gemeenten samen zullen optrekken in de verbetering en uitbreiding van VVE. Een belangrijk doel is nu om met een VVE-aanbod alle kinderen met taalachterstanden te bereiken. Het streefcijfer is hier dus in een relatief korte tijdsspanne opgehoogd van 50 procent via 70 procent naar 100 procent, deze laatste te bereiken in 2011. In enkele gebieden (Oost-Groningen, Zuid-Limburg, grote steden) worden pilots ingezet om aan het bereik van 100 procent te werken. In 'Samen aan de slag' is afgesproken dat de gemeenten ook eigen middelen inzetten, totaal 56,5 miljoen euro. Dit budget moet onder meer worden aangewend om ook instellingen voor kinderopvang VVE-programma’s te laten aanbieden. Zodoende moeten alle doelgroepkinderen bereikt kunnen worden. De gemeenten kunnen bepalen welke kinderen tot deze doelgroep behoren. In de bestuurlijke afspraken over VVE tussen rijk en gemeenten is vastgelegd dat de omvang van de doelgroep minimaal gelijk is aan het aantal voorschoolse doelgroepleerlingen (van 2,5 tot 4 jaar) op basis van de nieuwe gewichtenregeling.
Op de site van het ministerie is te lezen dat VVE bedoeld is voor ‘kinderen van 2 tot en met 5 jaar, die kans hebben op een (taal)achterstand. De gemeente bepaalt om welke kinderen het gaat met de gewichtenregeling als uitgangspunt. De opleidingsniveaus van de ouders zijn de belangrijkste criteria.’
Toeleiding
De jeugdgezondheidszorg heeft een belangrijke rol bij het signaleren van risico’s op taal- en ontwikkelingsachterstanden. Om deze rol optimaal te kunnen vervullen zal het RIVM een omgevingsanalyse ontwikkelen. Gemeenten krijgen meer beleidsruimte om het OAB-budget in te zetten voor werving en toeleiding. Volgens het 'Besluit doelstelling en bekostiging onderwijsachterstandenbeleid 2006-2010' mag hier tot nu toe maximaal 15 procent van het OAB-budget aan worden besteed. Daarbij kunnen zonodig ook dwangmiddelen worden ingezet, voor ouders die niet zonder meer bereid zijn hun kinderen aan VVE te laten deelnemen. De toeleiding naar VVE zou hand in hand moeten gaan met de toeleiding naar inburgering of volwasseneneducatie.
Kosten van VVE
In 2007 zijn twee studies over de kosten van VVE verschenen.
Sardes rapporteerde over de kosten, organisatorische gevolgen en te verwachten effecten van VVE volgens de vier dagdelen norm. VVE-aanbod van goede kwaliteit zou volgens gangbare wetenschappelijke kwaliteitsnormen vier dagdelen moeten beslaan. Een 'gewone' peuterplaats van twee dagdelen kost ongeveer 1.135 euro, een VVE (of voorschool) peuterplaats van vier dagdelen kost ongeveer 2.000 euro extra. In de studie van Regioplan is te lezen dat de ouderbijdrage die peuterspeelzalen vragen bij 60 procent van de instellingen inkomensafhankelijk is, bij 40 procent vast.
Het is de bedoeling dat in 2011 alle kinderen met een risico op een taalachterstand in het Nederlands deelnemen aan een programma voor voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Daarom moet er een landelijk dekkend VVE-aanbod komen in peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en basisscholen. Dat schrijft staatssecretaris Sharon Dijksma van Onderwijs in de brief ‘Ontwikkelingskansen door kwaliteit en educatie’, die zij op 23 mei aan de Tweede Kamer stuurde. De staatssecretaris schrijft dat nu iets meer dan de helft van de kinderen uit de doelgroep een voorschools educatief programma krijgt aangeboden.
Staatssecretaris Dijksma geeft aan dat gemeenten een belangrijke rol spelen bij de uitbreiding van het VVE-aanbod. ‘Om gemeenten in staat te stellen de werving en toeleiding van kinderen naar VVE op orde te krijgen, wil ik hen hiervoor meer bestedingsruimte geven binnen de specifieke uitkering. De 31 grote gemeenten (G31) hebben deze bestedingsruimte al. Voor de andere gemeenten wil ik dit voor 1 januari 2009 realiseren. Zo kan de aanpak van de gemeenten, van de signalering van een risico op een taalachterstand tot en met de deelname aan VVE, een sluitende aanpak worden. Dit is ook vastgelegd in de bestuurlijke afspraken met de VNG. Voorbeelden van maatregelen binnen een sluitende aanpak: het bereiken van ouders door het geven van voorlichting en het afleggen van huisbezoeken.’
Als VVE wordt aangeboden, is het noodzakelijk dat gebruik wordt gemaakt van VVE-programma’s van bewezen kwaliteit en dat de programma’s worden uitgevoerd onder goede condities, zo schrijft Dijksma in de brief.
Uit meerdere onderzoeken blijkt dat voor een optimaal resultaat een VVE-programma het beste kan worden uitgevoerd onder de volgende voorwaarden:
De betrokkenheid van de ouders bij de taalontwikkeling van hun kind is essentieel. In veel VVE-programma’s is een ‘oudercomponent’ opgenomen. Ook zijn er diverse gezinsgerichte VVE-programma’s die vooral in combinatie met een instellingsgericht VVE-programma effectief blijken te zijn. Om hun kind goed te kunnen ondersteunen is ook de Nederlandse taalontwikkeling van de ouders belangrijk. De betrokkenheid van de ouders bij de taalontwikkeling van hun kind is essentieel. Binnen de bestaande wettelijke kaders zijn veel mogelijkheden om ouders van kinderen met een taalachterstand sterker te betrekken bij de taalontwikkeling van hun kinderen en ook ouders te wijzen op het belang van hun eigen taalontwikkeling om hun kinderen goede ontwikkelingskansen te bieden. (…) Een deel van de doelgroepouders is inburgeringsplichtig of inburgeringsbehoeftig. Deze doelgroep kan dus via de inburgering bereikt worden.
In de brief worden twee voorbeelden genoemd van trajecten die een verbinding leggen tussen de taalontwikkeling van het kind en de ouders: 'Boekstart Nederland' en 'Taalkracht voor consultatiebureaus'.
Het kabinet geeft met maatregelen vorm aan harmonisatie van de kwaliteit van peuterspeelzalen en kinderopvang waarbij ruimte is voor de verschillen tussen deze instellingen.
Er komt een landelijk kwaliteitskader voor peuterspeelzalen waarin wettelijk wordt vastgelegd aan welke eisen de peuterspeelzalen moeten voldoen. Hierbinnen zullen de minimumeisen voor een basiskwaliteit worden vastgelegd in een wet. Verder geeft staatssecretaris Dijksma aan dat er gewerkt zal worden aan het waarborgen van een goed ambitieniveau in het peuterspeelzaalwerk.
De staatssecretaris is van plan om eind 2009 het wetsvoorstel in te dienen waarin het verbeteren van de kwaliteit, de versterking van de regierol van gemeenten en het toezicht worden opgenomen. Het streven is om het wetsvoorstel per 1 januari 2010 in werking te laten treden. De verbetering van de financiële toegankelijkheid van peuterspeelzalen voor kinderen die voor- en vroegschoolse educatie nodig hebben, wordt per 1 januari 2009 geregeld in het Besluit doelstelling en bekostiging onderwijsachterstandenbeleid 2006-2010.
In een brief van 31 maart 2006 brengt minister Van der Hoeven de Tweede Kamer op de hoogte van de stand van zaken en de voornemens ten aanzien van het beleid op het terrein van voor- en vroegschoolse educatie (VVE).
Voor- en vroegschoolse educatie op de kortere termijn (2006-2010)
Op de korte termijn wordt gewerkt aan versterking van de huidige structuur van voor- en vroegschoolse educatie via verbetering van de professionaliteit van leidsters en leerkrachten, ondersteuning van gemeenten en het organiseren van toezicht
VVE op de langere termijn (Vanaf 2010)
Het uitwerken van het lange termijn perspectief VVE moet worden bezien in de brede context van de motie Van Aartsen/Bos (Kinderopvang op school) en de motie Hamer (Schotse model). Verder worden hierbij betrokken:
'Vooruitlopend hierop zal de aandacht voorlopig gericht worden op VVE als doelgroepenbeleid met als doel te komen tot betere leerprestaties van leerlingen in het vervolgonderwijs, tot minder schooluitval en uiteindelijk tot het vergroten van de kans van slagen op de arbeidsmarkt. Hierbij moet uiteindelijk gestreefd worden naar een sluitende doelgroepvoorziening in zowel de voorschool als de vroegschool. Van belang is dat met deze ambitie ook de moeilijk bereikbare (allochtone) achterstandskinderen worden bereikt. Tevens moet worden bezien op welke wijze ouders betrokken kunnen worden bij de VVE-programma's die hun kinderen volgen. Daarnaast zullen ook een aantal knelpunten in de aansturing van VVE moeten worden opgelost.'
Toekomst voor- en vroegschoolse educatie (VVE)
, brief minister Van der Hoeven aan de Tweede Kamer, 31 maart 2006.
Slechts een handvol kinderdagverblijven maakt gebruik van VVE
Veel allochtone kinderen hebben een taalachterstand op het moment dat zij de
basisschool op 4 jarige leeftijd voor het eerst bezoeken. Deze achterstand geldt ook voor sommige groepen autochtone kinderen, zij het in mindere mate. Uit onderzoek blijkt dat kinderen deze achterstand in het vervolg van het onderwijs niet of nauwelijks inlopen. Om deze problematiek het hoofd te bieden geldt vanaf 2000 de ‘Regeling voor- en vroegschoolse educatie’(VVE). De Regeling biedt gemeenten de mogelijkheid om kinderen op jonge leeftijd mee te laten doen aan educatieve programma’s. De programma’s starten in de voorschoolse fase (kinderopvang of peuterspeelzaalwerk) en lopen door tot in de eerste twee groepen van de basisschool. De doelstelling van de regeling is de verbetering van de startcondities van doelgroepen kinderen. Als ‘hard’ doel wordt gesteld dat in 2006 ten minste de helft van alle doelgroepen kinderen deelneemt aan VVE-programma’s.
Hoewel de regeling open staat voor zowel peuterspeelzalen, basisscholen als
instellingen voor kinderopvang blijkt in de praktijk dat VVE slechts in een handvol
kinderdagverblijven wordt aangeboden. Dat is vreemd omdat ook in
kinderdagverblijven kinderen worden opgevangen die behoren tot de VVE-doelgroepen. Uit een onderzoek dat Deloitte in opdracht van de gemeente Rotterdam heeft uitgevoerd blijkt bijvoorbeeld dat circa 10% van de kindplaatsen in de kinderopvang door doelgroepkinderen wordt bezet. Onderzoek in Amsterdam wijst op een nog hoger aandeel. Er van uitgaande dat doelgroepenkinderen in de eigen woonomgeving worden opgevangen en daardoor geconcentreerd in homogene kinderdagverblijven verblijven zou 10% van de kinderdagverblijven een VVE-programma kunnen aanbieden. Bij circa 3.000 kinderdagverblijven in Nederland zouden, deze redenering volgend, ongeveer 300 kinderdagverblijven VVE moeten aanbieden(150 wanneer wordt uitgegaan van 50% bereik onder de doelgroep). Een Quick-scan (literatuur, interviews met gemeenten, kinderopvanginstellingen en programma-aanbieders) leert echter dat slechts 30 tot 40 kinderdagverblijven een of andere vorm van educatie aanbieden. Deze discrepantie tussen de evidente behoefte aan VVE-programma’s ten behoeve van doelgroepen die worden opgevangen in de reguliere kinderopvang en het zeer geringe aanbod aan VVE
in kinderdagverblijven is het onderwerp van deze studie.
Uitgaande van de overtuiging dat in de reguliere kinderopvang substantiële aantallen kinderen worden opgevangen die behoren tot de VVE-doelgroep willen de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport inzicht in de vraag waarom VVE zo weinig wordt aangeboden in kinderdagverblijven en wat de faal- en succesfactoren zijn bij de realisering van VVE in de kinderopvang. Om deze reden hebben beide ministeries eind september 2004 Deloitte ICS BV opdracht geven een inventariserend onderzoek uit te voeren naar de toepassing van VVE in de reguliere kinderopvang.
Dit onderzoek is uitgevoerd in de maanden oktober, november en december 2004.
Hoe verder met VVE: specifiek of algemeen: alleen voor doelgroepkinderen of kindercentra voor alle kinderen? Deze keus presenteert Sardes voor in de nota: 'Voor- en Vroegschoolse Zorg en Educatie. De toekomst verkend'; een studie in opdracht van het ministerie van OCW:
De afgelopen jaren is veel bereikt met VVE. De meeste gemeenten hebben VVE een prominente plaats gegeven in het lokale onderwijsplan. In 2006 zou volgens het ministerie van OCW minstens de helft van de kinderen uit de doelgroep aan een VVE-programma moeten deelnemen. Als dit doel is bereikt, hoe dan verder? Anke van Kampen, Jo Kloprogge, Sjak Rutten, en Berend Schonewille beschrijven in de compacte degelijke nota de stand-van-zaken van VVE, de onderzoeksmatige fundering en verder verdiepen ze de verschillende bouwstenen van VVE. De rol van ouders op de kindontwikkeling wordt niet uitgebreid behandeld. De studie bevat veel gegevens over de deelname aan peuterspeelzalen en kinderopvang, gebruik van VVE-programma's, een overzicht van de ontwikkelingen in Zweden, Engeland en Vlaanderen, en een beraming van de kosten van de twee scenario's.
Effect VVE
De effecten van VVE op de cognitieve- en taalontwikkeling van kinderen kunnen groot zijn, mits de uitvoeringscondities goed zijn. Veel – ook buitenlands onderzoek – laat zien dat de kwaliteit van het programma en de uitvoering van het programma daarbij de doorslag geeft. Naarmate de kwaliteit beter is, zijn de effecten groter.Vooral kinderen uit achterstandsgroepen lijken veel baat te hebben van kwalitatief hoogwaardige voor- en vroegschoolse interventies.
Maar in de praktijk van alledag komen we problemen tegen Met name het realiseren van de dubbele bezetting blijkt een financieel probleem. Ook is de basisinfrastructuur van peuterspeelzalen vaak niet voldoende om VVE-programma’s goed uit te voeren.
Hoe verder met VVE: specifiek of algemeen?
Sardes beschrijft twee scenario's. Het eerste scenario gaat uit van de bestaande situatie en probeert door het zoveel mogelijk wegnemen van belemmeringen en knelpunten binnen de huidige structuur en verantwoordelijkheidsverdeling de situatie zoveel mogelijk te verbeteren. Het tweede scenario beschrijft een optimale situatie los van de huidige situatie, waarin de knelpunten van het huidige systeem niet voorkomen. Dit scenario biedt enerzijds een aantrekkelijk toekomstbeeld, anderzijds is de realisatie door de breuk met de huidige situatie een ingewikkelde opgave. Daarom is na de beschrijving van de twee scenario's een aparte paragraaf gewijd aan de beschrijving van een traject dat aangeeft hoe de overgang van de huidige situatie naar het tweede scenario gerealiseerd zou kunnen worden.
Scenario 1: Voorschool voor doelgroepkinderen
De ambitie van het eerste scenario is 100% van de doelgroep te bereiken. Kinderen met geïndiceerde onderwijsachterstanden kunnen vanaf de leeftijd van 2,5 jaar gedurende vier dagdelen per week terecht in een voorschool dicht bij huis. De voorschool kan worden aangeboden door een peuterspeelzaal, een kinderdagverblijf of een basisschool. Voorzieningen waar minstens 40% van de leerlingen een leerlinggewicht hebben komen in aanmerking om een voorschool in te richten. Het Ministerie van OCW zorgt voor de regelgeving, de aanwezigheid en toegankelijkheid van de voorscholen.
Als plussen en minnen noemt Sardes:
Scenario 2: Centrum voor zorg en educatie voor alle kinderen
Dit scenario wil een integraal systeem met hoge kwaliteitsnormen zijn: een fijnmazig netwerk van Centra voor Zorg en Educatie (CZE), toegankelijk voor alle jonge kinderen. Goede educatie en zorg op jonge leeftijd heeft positieve effecten op de brede ontwikkeling van alle kinderen, met extra veel opbrengst voor kinderen uit achterstandsituaties. Eén algemene voorziening voor alle kinderen voorkomt segregatie en leert kinderen al op jonge leeftijd met leeftijdgenootjes van verschillende achtergronden om te gaan. Kinderen met speciale behoeften, bijvoorbeeld achterstandsgroepen kunnen deelnemen aan speciale programma's. De CZE's onderhouden veel contact met de ouders: huidige ouderprojecten worden uitgebouwd tot structurele oudercomponent bij de voorziening. In dit verband stelt Sardes voor dat de huidige VVE-programma's samen smelten in een landelijk kindontwikkelingsprogramma en een basisopleiding. CZE's mogen variëren op dit landelijk programma maar er wordt streng de hand gehouden aan kwaliteitsnormen. Er is ruimte voor innovatieve programma's maar die worden eerst op beperkte schaal uitgeprobeerd en geëvalueerd. Ouders hebben het recht om hun kinderen hier gratis of tegen bescheiden vergoeding vijf dagdelen per week onder te brengen. Extra gebruik van CZE wordt in beginsel door de ouders bekostigd, bijvoorbeeld extra dagdelen, avonden, weekends, vakantie. De Rijksoverheid zorgt voor de centrale aansturing: de aanwezigheid en toegankelijkheid van CZE's is wettelijk verankerd, basisfinanciering loopt van rijk naar instelling.
Plussen en minnen
Met het rapport levert Sardes gedegen materiaal voor verdere beleidsontwikkeling. Terzijde kan worden opgemerkt dat nog een verdergaand scenario denkbaar is: één instelling voor 0 tot 12 jarigen. Organisatorische afstemming vanuit één pedagogisch-didactisch concept mét aandacht voor de specifieke levensfasen: baby's, peuters, kleuters en schoolkinderen: CZE + basisschool onder één CAO. Dit najaar werd in Den Haag overeenstemming bereikt over het aanbieden van kinderopvang door basisscholen.
De onderzoekers schrijven: 'De keuze voor scenario 2 zou een gedurfde keuze zijn, waardoor Nederland aansluiting krijgt bij de koplopers in Europa.'
A. van Kampen e.a., 'Toekomst Voor- en Vroegschoolse Zorg en Educatie. De toekomst verkend', Utrecht: Sardes, 2005, 37 p. + 46 p. Te downloaden van www.sardes.nl.
Om te stimuleren dat scholen hun aandacht meer gaan vestigen op vroegschoolse educatie heeft de overheid voor de jaren 2008 - 2009 een eenmalige financiële subsidie beschikbaar gesteld. De middelen uit deze subsidie kunnen onder meer aangewend worden voor de aanschaf van programma's voor vroegschoolse educatie.
De stimuleringsregeling heeft betrekking op integrale centrumgerichte programma's (de zogenaamde vve-programma's) die door een onafhankelijke erkenningscommissie erkend zijn als (in theorie) effectief. Integrale gezinsgerichte programma's en programma's voor taalstimulering komen vanaf 1 januari 2009 ook voor de regeling in aanmerking op voorwaarde dat deze in combinatie met een centrumgericht programma worden uitgevoerd.
Meer informatie over de regeling is te lezen in de volgende documenten die u als pdf-bestand (uitleg) kunt downloaden via de site van het CFI:
Een opsomming van specifieke programma's vindt u in het overzicht Programma's ontwikkelingsstimulering voor het jonge kind.
Het 'Landelijk Beleidskader Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid 2002-2006' geeft op lokaal niveau vorm aan de bestrijding van onderwijsachterstanden. Het beleidskader luidde in 2002 een nieuwe fase in het achterstandenbeleid in, die zal duren tot augustus 2006. Voor- en vroegschoolse educatie vormt sinds 2002 een belangrijk onderdeel van het achterstandenbeleid.
Volgens het beleidskader dient een gemeente een globaal plan te ontwikkelen voor onderwijsachterstandenbeleid, op basis van een analyse van de lokale situatie. Dit plan moet inzicht geven in de uitgangspunten die de gemeente hanteert voor haar achterstandenbeleid. Tevens moet eruit blijken welke middelen beschikbaar zijn. Het schoolbestuur formuleert aanvullende kaders en uitgangspunten voor de eigen school, onder andere voor de inzet van 'gewichtengelden' en 'cumi-faciliteiten' voor leerlingen met een achterstandsrisico.
De school maakt samen met de omgeving een plan waarin staat hoe de school concreet invulling wil geven aan het achterstandenbeleid. Dat plan is gebaseerd op een diagnose van de eigen situatie en maakt duidelijk welke ondersteuning de school vraagt. Het schoolbestuur toetst het schoolplan. Als het schoolbestuur positief oordeelt, dient hij het plan in bij de gemeente. In het OGOO overlegt de gemeente met de schoolbesturen over onder andere de bereikte resultaten en inzet van de middelen van zowel gemeente als schoolbesturen. Dit leidt tot een lokaal onderwijsachterstandenplan, dat kan worden vastgesteld door de gemeenteraad.
Zie verder: de Algemene maatregel van bestuur
'Landelijk Beleidskader Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid 2002-2006' 
Hier staan adviezen over voor- en vroegschoolse educatie aan de rijksoverheid. In de eerste plaats vindt u hier het visiedocument van de MO-groep over de kerntaken van peuterspeelzalen. Verder heeft de overheid om advies gevraagd over de invulling van het beleid voor 0- tot 6-jarigen in het rapport 'Grenzeloos leren' en de 'Beleidsbrief Peuterspeelzaalwerk'. De reacties daarop van de vier adviesorganen vindt u eveneens hier.
Iedere peuter recht op vier dagdelen ‘leeropvang’
Ieder kind zou tussen zijn tweede en vierde jaar twee dagen (of vier dagdelen) per week naar de kinderopvang moeten. Daarbij moet het niet alleen maar spelen, maar ook educatief verantwoorde activiteiten krijgen aangeboden, zo adviseert de Onderwijsraad.
Vanuit de kernvraag ‘Wat wil de maatschappij bereiken met nul- tot twaalfjarigen?’ en gefundeerd op de pedagogische en ontwikkelingspsychologische kennisbasis bepleit de Onderwijsraad: ‘Een rijk programma voor alle kinderen’. Om dit mogelijk te maken adviseert de raad de verschillende opvoedingsferen meer op elkaar aan te laten sluiten. Dit versterkt bovendien de effectiviteit.
De Onderwijsraad geeft prioriteit voor de leeftijdsgroep tot zes jaar. Vooral de eerste levensjaren zijn cruciaal voor de verdere ontwikkeling van kinderen. Deze leeftijdsgroep heeft baat bij een breed programma, dat hen op een speelse manier zowel voorbereidt op het schoolse leren als hen vormt in hun persoonsontwikkeling. Daarbij pleit de raad nadrukkelijk voor een pedagogische invalshoek als het gaat om voorzieningen voor kinderen voor opvang, educatie en vrije tijd.
Het rapport ‘Een rijk programma voor ieder kind’ geeft een overzicht van de ontwikkelingsstadia en ontwikkelingstaken van kinderen tussen nul en twaalf jaar en de pedagogische eisen die hieruit voortvloeien. Het beschrijft de inhoudelijke programmering van organisaties als de basisschool, de peuterspeelzaal en de kinderopvang. Ook het ‘programma’ van het gezin en van vrijetijdsvoorzieningen komt daarbij aan bod. Verder gaat de raad in op de (gewenste) situatie met betrekking tot de opleidingen die gericht zijn op het werken met nul- tot twaalfjarigen (mbo/pabo).
Verbetering van de programma’s voor het jonge kind
De pedagogische invalshoek blijft in het debat over kinderopvang te veel onderbelicht, vindt de Onderwijsraad. Dit moet juist het vertrekpunt zijn. ‘De raad pleit ervoor de komende jaren de nadruk te leggen op verbetering van de programma’s voor het jonge kind (nul- tot zesjarigen). Deze leeftijdsperiode is immers cruciaal voor het verdere ontwikkelingsverloop, zowel voor de taal- en cognitieve ontwikkeling als voor de morele ontwikkeling en de persoonsvorming. Diverse studies hebben inmiddels laten zien dat de voorschoolse periode een belangrijke, bepalende rol speelt bij het verloop van de verdere schoolloopbaan en daarmee voor het verdere leven. Interventies in deze leeftijdsperiode, bijvoorbeeld voorschoolse educatie voor achterstandskinderen, blijken aantoonbare en blijvende effecten te hebben op het schoolse leren en de verdere loopbaan van kinderen.’ (p. 87) ‘Gezien het belang van een goede en brede ontwikkeling van het jonge kind, pleit de raad voor een breed toegankelijke leeropvang voor alle twee- tot driejarigen. Als ideaal ziet de raad vier dagdelen leeropvang als voorziening voor alle twee- en driejarigen, niet alleen voor kinderen uit achterstandssituaties.’ (p. 89)
Eén pedagogische invalshoek
Vanuit deze invalshoek staat voorop dat de verschillende opvoedingssferen op elkaar dienen aan te sluiten. Opvoeding en educatie zijn gebaat bij een zekere congruentie en verbinding tussen de verschillende sferen. Dit versterkt bovendien de effectiviteit. Deze verbinding kan tot stand worden gebracht door de gewenste doelen als vertrekpunt te nemen. Wat wil de maatschappij bereiken met nul- tot twaalfjarigen?
Het advies geeft inzicht in de pedagogische en ontwikkelingspsychologische kennisbasis over opvang en educatie van nul- tot twaalfjarigen. Daaruit blijkt ten eerste dat de eerste levensjaren van een kind een cruciale rol vervullen voor de verdere ontwikkeling. Daarnaast wordt het belang van een brede ontwikkeling benadrukt; zowel de cognitieve ontwikkeling als de fysieke, de motorische, de sociaal-emotionele en de morele ontwikkeling zijn van groot belang. Op basis van de literatuur geeft het advies een aanzet voor de doelen van opvang, opvoeding en educatie voor deze leeftijdsgroep. Deze doelen zijn geformuleerd als criteria waaraan aanbod en werkwijze van pedagogische voorzieningen getoetst kunnen worden:
‘Leeropvang’ als verbijzondering van algemene kinderopvang
De raad wil het accent leggen op ontwikkeling van ‘leeropvang’: een meer educatief gericht programma dat binnen de bestaande voorzieningen uitgevoerd kan worden. Dit programma is toegankelijk voor alle kinderen van ongeveer tweeënhalf tot vier jaar, dus niet alleen voor peuters en kleuters uit achterstandssituaties. Vier dagdelen leeropvang wordt op deze wijze een toegesneden onderwijsvervroeging, met een breed programma dat voor ieder kind waardevol is. Met het oog op de financiële realiteit en praktische uitvoerbaarheid stelt de raad voor om vooralsnog de vier dagdelen leeropvang alleen voor driejarigen volledig te subsidiëren.
Een specifieke beroepsopleiding voor onderwijs en opvang aan het jonge kind
Een pedagogische verdieping van opvang en onderwijs aan jonge kinderen vraagt om een specifieke beroepsopleiding op hbo-niveau. De Onderwijsraad stelt voor een differentiatie in de pabo-opleiding in te voeren. Na één gemeenschappelijk jaar kunnen studenten kiezen uit de differentiatie ‘jonge kind’ (van nul tot acht jaar) en de differentiatie ‘oudere kind’ (van zes tot twaalf jaar).
VVE
Over VVE schrijft de Onderwijsraad:
‘In 2007 is de eerste meting van de Landelijke Monitor VVE uitgevoerd. Daarin is geconstateerd dat ongeveer de helft (53%) van de doelgroep (kinderen met taalachterstanden) in de voorschoolse periode, dat wil zeggen de kinderen van tweeëneenhalf tot vier jaar, een vve-peuterspeelzaal of voorschool bezoekt. Dat zijn ongeveer 23.000 kinderen. Een klein percentage van de doelgroep, ongeveer 3%, gaat naar een kinderdagverblijf dat vve aanbiedt. In de vroegschoolse periode ligt het bereik ruim boven de helft: twee derde (67%) van de vier- en vijfjarige gewichtenleerlingen, ongeveer 40.000 kinderen, profiteert van een vve-programma. Over het algemeen wordt in grotere gemeenten een hoger bereik gerealiseerd dan in kleinere gemeenten. Het kabinet wil dit percentage de komende jaren fors opschroeven, tot uiteindelijk 100% in 2011. Om meer doelgroepkinderen te bereiken zijn verschillende opties mogelijk. De gemeente kan kiezen voor ‘verwatering’: programma’s op meer plaatsen laten aanbieden, ook daar waar relatief minder doelgroepkinderen komen. Dit brengt aanzienlijk hogere kosten met zich mee, bijvoorbeeld vanwege inzet en scholing van personeel. Het is ook mogelijk om intensiever in te zetten op screening van doelgroepkinderen en hen actiever te werven voor peuterspeelzalen. Verder kunnen ook kinderopvangcentra betrokken worden bij uitvoering van voor- en vroegschoolse educatie; een knelpunt daarbij is dat de programma’s daarvoor niet automatisch geschikt zijn en dat kinderopvangpersoneel apart getraind moet worden. Met ingang van 1 augustus 2006 is nieuwe wetgeving voor onderwijsachterstanden (waaronder voor- en vroegschoolse educatie valt) van kracht. Een belangrijke verandering is dat de rol van de gemeenten minder belangrijk en die van de schoolbesturen belangrijker is geworden. Gemeenten zijn verantwoordelijk geworden voor het voorschoolse deel (peuterspeelzalen en kinderopvang); de schoolbesturen voor het vroegschoolsedeel (eerste twee groepen basisschool). De bekostiging van het vroegschoolse deel verloopt daardoor niet meer via de gemeente, maar gaat rechtstreeks naar de schoolbesturen. Met name gemeenten zijn niet blij met deze ‘knip’, omdat de doorgaande lijn lastiger te bewaken wordt en zij geen zeggenschap hebben over de invulling van de vroegschoolse educatie door de basisschool. De laatste jaren is juist sterk ingezet op het realiseren van een doorgaande lijn tussen voorschoolse educatie en kleutergroepen in het basisonderwijs, vooral door te werken met hetzelfde programma, door gezamenlijke scholing van leidsters en leerkrachten en door afspraken te maken over observatie en overdracht van kinderen. De doorgaande lijn moet nu gegarandeerd worden door minimaal een keer per jaar een lokaal educatief overleg tussen gemeenten en schoolbesturen te hebben. De vraag is of dit voldoende is. Een met de scheiding tussen peuterspeelzaal en basisschool samenhangend knelpunt is de indruk dat basisscholen in toenemende mate niet met ‘zwarte’ peuterspeelzalen willen samenwerken bij het vormgeven van hun vve-beleid. Zij willen niet het stigma van een achterstandsschool krijgen.
Vve-programma’s te cognitief?
Er is een groot aantal vve-programma’s op de markt. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen gezinsgerichte en instellingsgerichte programma’s. De meest gebruikte programma’s zijn de integrale programma’s Piramide (51% van de gemeenten), Startblokken- Basisontwikkeling (36%), Kaleidoscoop en Ko Totaal (beide 11%). Veel gebruikt zijn verder: Ik ben Bas (31% van de gemeenten, vooral in kleinere gemeenten), de Taallijn VVE (30%) en Boekenpret (29%).92 Dit zijn geen integrale programma’s, maar programma’s die gericht zijn op een deel van de doelgroep (bijvoorbeeld voorschools), of programma’s die betrekking hebben op een specifiek aspect van de ontwikkeling (bijvoorbeeld rekenen). De gezinsgerichte programma’s worden wat minder gebruikt dan de instellingsgerichte programma’s. Opstapje, Spel aan Huis (beide voor peuters) en Opstap Opnieuw (voor kleuters) zijn de meest gebruikte programma’s. De overige programma’s zijn slechts in enkele gemeenten in gebruik. Een kritiekpunt is dat er wel erg veel vve-programma’s in omloop zijn en dat iedere gemeente of begeleidingsdienst een eigen versie maakt. Dit maakt een goede vergelijking en effectonderzoek lastig. Sommige deskundigen maken ook het verwijt dat veel vve-programma’s te sterk zijn gericht op cognitieve aspecten (met name taalontwikkeling) en te weinig op sociaal-emotionele en motorische vaardigheden. Een adequate sociaal-emotionele ontwikkeling is echter een belangrijke voorwaarde voor cognitieve ontwikkeling en heeft een belangrijk voorspellend karakter voor latere prestaties. Kinderen moeten een bepaald gedrag hebben geleerd, zoals de aandacht kunnen richten en vasthouden, opdrachten kunnen begrijpen en onthouden, taakgericht kunnen werken. Kinderen moeten ook hun ontwikkelingstaken succesvol hebben vervuld; dit draagt bij aan belangrijke voorwaarden als vertrouwen in eigen kunnen, exploratiedrang en zich veilig voelen. Een optimaal verlopende cognitieve ontwikkeling vraagt om een bepaalde ‘gedragsinfrastructuur’. Volgens andere deskundigen is deze eenzijdige gerichtheid vooral een imagokwestie en besteden de vve-programma’s er zeker aandacht aan.
Effectiviteit van voorscholen en vve-programma’s
Er is redelijk veel empirisch onderzoek gedaan naar de effecten van educatieve opvang en voorzieningen die voorschoolse programma’s aanbieden (‘voorscholen’), zowel nationaal als internationaal. Van de volgende elementen is inmiddels redelijke empirisch onderbouwd dat ze bijdragen aan positieve effecten: start van het programma rond tweeëneenhalf à drie jaar; deelname voor ten minste vier dagdelen; en een dubbele bezetting van de groep (circa acht kinderen per leerkracht). (…) Alle studies laten positieve resultaten op de lange termijn zien, zoals hogere leerprestaties, minder behoefte aan speciaal onderwijs, minder vertragingen in de schoolloopbaan, minder gedragsproblemen en criminaliteit, en meer doorstroming naar hoger vervolgonderwijs en daarmee naar een beter betaalde baan. Deze en andere studies laten tevens zien dat zowel cognitieve als niet-cognitieve vaardigheden zoals motivatie, doorzettingsvermogen en zelfbeheersing in belangrijke mate bepalend zijn voor succes op school en in het verdere leven. Een grootschalig Engels onderzoek – het ‘EPPE-project’ – is specifiek uitgevoerd met het oog op evidence-based beleidsvorming. Dit onderzoek toont aan dat kwalitatief goede voorscholen leiden tot aantoonbare positieve effecten op de ontwikkeling van kinderen, tot aan het einde van het tweede jaar van de basisschool. Het gaat hierbij zowel om de intellectuele ontwikkeling (hogere scores op tests voor lezen en rekenen) als om de sociale en gedragsmatige ontwikkeling (‘peer sociability’ en ‘self regulation’). Vooral kinderen in achterstandssituaties (laag sociaal milieu en/of een grote kans op leerproblemen) profiteren sterk van deelname, vooral wanneer gewerkt wordt met gemengde groepen (kinderen van verschillende sociale achtergronden). Een belangrijke uitkomst is verder dat kwaliteit ertoe doet. Centra met hoger gekwalificeerd personeel, vooral goed getrainde leerkrachten, leveren een betere kwaliteit en bereiken ook betere resultaten met de kinderen. Tot slot blijkt dat effecten aanmerkelijk kunnen worden verhoogd door ouders actief te betrekken bij het programma, ook wanneer ouders uit een laag sociaal milieu zijn: “What parents do is more important than who they are”.
Het grote aantal programma’s dat in Nederland wordt gebruikt bemoeilijkt een systematische evaluatie. Evaluatieonderzoek wordt ook bemoeilijkt doordat de voorwaarden waaronder de programma’s worden uitgevoerd sterk variëren, per programma, maar ook per locatie. Op veel locaties zijn niet altijd twee leidsters of leerkrachten aanwezig (zeker niet in de eerste twee jaren basisonderwijs), zijn ze niet altijd gekwalificeerd voor het uitvoeren van het programma of wordt alleen een gedeelte van het programma uitgevoerd. Onderzoeken leveren dan ook soms tegenstrijdige uitkomsten op. (…) Zelfbewustzijn bij de uitvoering en het inschakelen van partijen als schoolbegeleidingsdiensten zijn belangrijke voorwaarden om het effect van voor- en vroegschoolse educatie te vergroten. (…) De Inspectie heeft in de vier grote steden de kwaliteit van vve onderzocht en beoordeelt deze als voldoende. Wel tekent de Inspectie hierbij aan dat de kwaliteit van de taalcomponent verbeterd kan worden. De taalontwikkeling van de kinderen wordt onvoldoende systematisch gevolgd en het gericht en bewust differentiëren van de kinderen komt niet op alle onderzochte locaties even goed uit de verf. Waar de onderzoeken eensgezind over zijn is het belang van de kwaliteit van het personeel.’ (p. 48-51)
‘Een rijk programma voor ieder kind’. Den Haag: Onderwijsraad, 2008, 130 p., ISBN 978-90-77293-77-5. Te downloaden van http://www.onderwijsraad.nl/.
In zijn advies 'Spelenderwijs. Kindercentrum en basisschool hand in hand' raadt de Onderwijsraad aan om kinderopvang en peuterspeelzalen samen te voegen tot kindercentra, die aansluiten op de basisschool. Kinderen met een achterstand krijgen daarbij een ontwikkelingsgericht 'pluspakket'.
De hoofdpunten uit het advies van de Onderwijsraad zijn:
W. Meijnen, lid van de Onderwijsraad, benadrukt dat het bij het kindercentrum niet gaat om schoolse vormen van leren. Spelen is essentieel voor de ontwikkeling van kinderen. Hij denkt dat scholen zelf de aanzet moeten geven om een kindercentrum aan zich te binden en dat uiteindelijk school en centrum ook fysiek dicht bij elkaar dienen te staan.
Meijnen stelt in 'Het Onderwijsblad' dat kindercentra segregatie kunnen voorkomen (juli 2002). Hij geeft aan dat er nu een tweedeling dreigt aan het begin van de schoolloopbaan: voorschoolse educatie voor achterstandskinderen en betaalde kinderopvang voor kinderen van werkende ouders. Door opvang en basisonderwijs aan elkaar te koppelen wordt integratie mogelijk.
'Spelenderwijs. Kindercentrum en basisschool hand in hand'. Advies Onderwijsraad, juni 2002, is te downloaden van www.onderwijsraad.nl.
Meer informatie: Onderwijsraad, Nassaulaan 6, 2514 JS Den Haag, tel. (070) 310 00 00.
Versterking van het algemeen beleid moet prioriteit krijgen in het beleid voor 0- tot 6-jarigen. Dat stelt de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) in zijn advies 'Educatief centrum voor ouder en kind'. In zo'n educatief centrum werken onderwijs, welzijn en zorg samen. Hun expertise over voor- en vroegschoolse educatie (VVE) wordt in het centrum bijeengebracht.
Dat wil nog niet zeggen dat ook de uitvoering van VVE-programma's geconcentreerd moet worden. VVE-programma's kunnen in of vanuit een educatief centrum worden gegeven. De doelgroepen moeten gezocht worden op plaatsen waar ouders en kinderen samen komen, of op plaatsen waar ouders bij kinderactiviteiten betrokken kunnen worden.
Het educatief centrum voor ouder en kind sluit aan bij het uitgangspunt van de RMO dat de VVE-programmering gericht moet zijn op gezinnen in hun sociale omgeving. De programma's moeten gemeenschapsgericht (community-based) zijn, waarbij zij afhankelijk van de doelgroep thuis of in een centrum uitgevoerd worden.
Om het VVE-beleid in het bestuurlijk bestel te verankeren, kan het centrum worden opgezet onder regie van de gemeente.
'Educatief centrum voor ouder en kind. Advies over voor- en vroegschoolse educatie'. Den Haag, RMO, 2002, 38 p.,10,50 euro. Te koop bij Sdu Uitgevers, postbus 20014, 2500 EA Den Haag, fax (070) 378 97 83. Het advies is ook te downloaden van www.adviesorgaan-rmo.nl
Onderzoeksbureau Sardes heeft bij sleutelfiguren het draagvlak onderzocht van de drie beleidsopties voor het 0- tot 6-jarigenbeleid. Uit dat onderzoek blijkt dat vrijwel alle respondenten één integraal beleid voor 0- tot 6-jarigen het meest wenselijk vinden. Daarbij staan zij een geleidelijke en gestructureerde ontwikkeling voor.
Eén integraal beleid lijkt de enige oplossing voor de huidige knelpunten. Toch is niet iedereen onverdeeld enthousiast over dit scenario. Als bezwaren worden genoemd: de aansluiting met het beleid voor 6- tot 12-jarigen, het uniforme karakter van de ouder- en kindcentra, en de vrees dat de aandacht te veel gevestigd zal worden op structuuringrepen in plaats van het zoeken naar oplossingen voor praktijkproblemen.
Overigens lost ook dit scenario, net als de andere, niet alle problemen op. De behoefte aan voldoende gekwalificeerd personeel in de voor- en vroegschoolse educatie speelt een rol in elk scenario en wordt urgenter naarmate de deelname aan voorschoolse activiteiten groeit. Functiedifferentiatie en het aantrekkelijker maken van het werken in zowel de voorschoolse als de schoolse omgeving zijn elementen die in de verdere uitwerking in elk scenario een rol moeten spelen.
A. van Kampen en K. Vosters, 'Verkenning VVE. Een nadere uitwerking van de drie beleidsopties over voor- en vroegschoolse educatie in Grenzeloos leren'. Utrecht, Sardes, 2002. Het advies is te bestellen bij Sardes, postbus 2357, 3500 GJ Utrecht, tel. (030) 232 62 00, of te downloaden van www.sardes.nl
Vanwege de financiële implicaties van het VVE-beleid is het ministerie van Financiën nauw betrokken bij de huidige en toekomstige vormgeving ervan. Daarom stelde het ministerie aan het SCO-Kohnstamm Instituut de onderzoeksvraag:
'Hoe kan het (onderwijs)beleid voor 0- tot 6-jarigen het beste worden vormgegeven zodanig dat het leidt tot:
- verhoging van de deelname aan VVE door kinderen die de doelgroepen vormen van het achterstandsbeleid;
- een betere inhoudelijke en organisatorische afstemming van VVE-activiteiten in de welzijnssector en het onderwijs in de onderbouw van het basisonderwijs?'
In het onderzoek onderscheidt het SCO-Kohnstamm Instituut drie modellen voor voor- en vroegschoolse educatie, waarvan de kosten zijn beraamd (deze modellen komen niet geheel overeen met de beleidsopties van de ministeries van OC&W en VWS):
Bij model A worden bovendien twee varianten onderscheiden: in optie 1 komen de middelen voor VVE terecht bij de gemeente, die daarmee (samen met bestuurders van scholen en welzijnsinstellingen) de regie voert over de samenwerking tussen peuterspeelzalen en basisscholen. In optie 2 ontvangen basisscholen de VVE-middelen rechtstreeks, waardoor het initiatief voor de keuze (voor de opzet) van een speelzaal bij hen ligt.
Het SCO-Kohnstamm Instituut concludeert uit het onderzoek:
A. Veen en S. van der Ploeg, 'Opzet en bekostiging van VVE', Amsterdam, SCO-Kohnstamm Instituut, 2002, 101 p.
Meer informatie: SCO-Kohnstamm Instituut, Postbus 94208, 1090 GE Amsterdam, telefoon (020) 525 13 57, www.sco-kohnstamminstituut.uva.nl.
De ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OC&W) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) vroegen in het voorjaar van 2002 vier adviesorganen hun licht te laten schijnen over het 0- tot 6-jarigenbeleid. Daarbij wilden zij vooral advies over de positionering van de kinderopvang, peuterspeelzalen en voor- en vroegschoolse educatie.
In het rapport 'Grenzeloos leren' van OC&W en in de 'Beleidsbrief Peuterspeelzaalwerk' van VWS formuleren de ministeries de drie beleidsopties voor de toekomst van voor- en vroegschoolse educatie:
Uit de adviezen die hierover zijn uitgebracht kan nog geen sluitende aanpak worden afgeleid. De Onderwijsraad stelt voor kinderdagverblijven en peuterspeelzalen samen te voegen in één kindercentrum dat samenwerkt met de basisschool. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling adviseert om te komen tot educatieve centra voor ouder en kind, die aansluiten bij de sociale context van het gezin.
Onderzoeksbureau Sardes geeft aan dat velen een geïntegreerd beleid voor 0- tot 6-jarigen rond zorg, opvang en educatie onder één beleidsregie als ideaal zien. Het SCO-Kohnstamm Instituut veronderstelt dat hier op dit moment nog onvoldoende draagvlak voor is en dat de middelen ontbreken om tot een nieuwe voorzieningenstructuur te komen.
De MO-groep (voorheen VOG) presenteerde eind 2001 het 'Visiedocument Peuterspeelzaalwerk in de 21e eeuw'. Dit document is het resultaat van veel discussiebijeenkomsten, waaraan 210 organisaties met in totaal 1200 speelzalen deelnamen. In het visiedocument wordt de kernopdracht van het peuterspeelzaalwerk geformuleerd: het creëren van optimale ontwikkelingskansen voor alle kinderen van 2 tot 4 jaar door het aanbieden van veelzijdige en passende speelmogelijkheden.
Voortvloeiend uit de kernopdracht worden de kerntaken van peuterspeelzalen benoemd:
In aansluiting op de kernopdracht dienen peuterspeelzalen informatie uit te wisselen en te overleggen met de ouders van de peuters. Daarnaast vervullen zij voor veel ouders een belangrijke vraagbaakfunctie: de peuterspeelzaal is een laagdrempelige voorziening waar opvoedingsuitwisseling plaatsvindt. Indien nodig heeft de speelzaal ook een verwijzende rol bij het tot stand brengen van een opvoedingsondersteunend aanbod. Gerichte opvoedingsondersteuning is geen kernopdracht van het peuterspeelzaalwerk, maar dient door daarin gespecialiseerde voorzieningen uitgevoerd te worden.
In het visiedocument wordt ook een definitie gegeven van de peuterspeelzaal: 'een ontwikkelingsgerichte preventieve basisvoorziening voor kinderen van 2 tot 4 jaar'. 'Ontwikkelingsgericht' omdat het bieden van optimale ontwikkelkansen centraal staat: spelen is leren en ontwikkelen. 'Preventief' omdat een peuterspeelzaal een belangrijke bijdrage levert aan het voorkomen en tijdig signaleren van ontwikkelingsachterstanden, en omdat een speelzaal zorg draagt voor een ononderbroken ontwikkelingslijn. 'Basisvoorziening': om aan te geven dat een peuterspeelzaal in gelijke mate voor ieder kind toegankelijk moet zijn. Een peuterspeelzaal is geen voorziening voor 'probleemkinderen', maar een algemene voorziening waarvan alle kinderen evenredig en vrijwillig gebruik moeten kunnen maken.
Het visiedocument is te bestellen bij de MO-groep: postbus 3332, 3502 GH Utrecht. Tel. (030) 298 34 39. Ook te bestellen via www.mogroep.nl
De juiste invulling van ontwikkelingsstimulering in de praktijk vraagt om het gebruik van werkzame principes, effectieve programma's en geschoolde beroepskrachten.
Als kinderen eenmaal een onderwijsachterstand hebben ontwikkeld, is het moeilijk om deze weer te herstellen. Het voorkómen van onderwijsachterstanden op jonge leeftijd (zelfs al voor een leeftijd van drie jaar) is daarom cruciaal. Programma’s gericht op het voorkomen van onderwijsachterstanden bij risicokinderen kunnen onderverdeeld worden in gezinsgerichte programma’s en centrumgerichte programma’s.
Gezinsgerichte programma’s
Gezinsgerichte programma’s worden uitgevoerd binnen het gezin. In de programma’s wordt geprobeerd om de attitudes en het gedrag van ouders te veranderen en daarmee de ontwikkeling van het kind positief te beïnvloeden. Internationaal onderzoek naar deze gezinsgerichte programma’s laat slechts bescheiden effecten op de cognitieve ontwikkeling van kinderen zien. Deze effecten zijn bovendien kleiner dan de effecten die met centrumgerichte programma’s worden behaald. Recenter onderzoek naar de Nederlandse gezinsgerichte programma’s Opstap en Instapje laat echter wel degelijk een aantal positieve effecten op de ontwikkeling en het schoolsucces zien.
Centrumgerichte programma’s
Centrumgerichte programma’s (ook wel VVE programma’s genoemd) worden uitgevoerd in peuterspeelzalen, kinderopvang en in de onderbouw van de basisschool. Centrumgerichte programma’s kunnen op de korte termijn positieve effecten hebben op met name de cognitieve- en taalontwikkeling van kinderen. Effecten op het sociaal-emotionele domein zijn veel minder vaak aangetoond. Wat betreft de lange termijn effecten van centrumgerichte programma’s zijn de resultaten niet eenduidig. In sommige overzichtsstudies wordt een uitdoving, in andere juist een behoud van effecten op de lange termijn gevonden. De condities waaronder centrumgerichte programma’s worden uitgevoerd, zijn van invloed op de effecten.
Specifieke werkzame ingrediënten zijn:
Meer algemeen werkzame ingrediënten zijn:
Meer informatie over werkzame principes vindt u in onderstaand document:
Voorkomen en terugdringen van onderwijsachterstanden 
Effectiviteit van programma's
Elders in dit onderdeel vindt u een overzicht van programma's voor ontwikkelingsstimulering van het jonge kind. Een deel van genoemde programma's is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies. Deze programma's zijn door een onafhankelijke erkenningscommissie erkend als (in theorie) effectief. De erkenningscommisie hanteert een set aan criteria om te bepalen of een programma (in theorie) effectief is. Informatie over de criteria, procedure en erkenningscommissie vindt u elders op deze site bij de databank.
Hier vindt u een overzicht van programma’s voor ontwikkelingsstimulering voor kinderen in de voor- en vroegschoolse periode (0 tot 6 jaar).
Programma's gericht op het voorkomen van onderwijsachterstand
Er zijn diverse programma's die zich richten op het voorkomen van onderwijsachterstanden. Een deel richt zich op meerdere ontwikkelingsgebieden van het kind, de zogenaamde integrale programma's. Er zijn ook programma's die zich uitsluitend richten op de taalbeheersing van het kind. De beschrijvingen van de programma's vindt u in de volgende overzichten:
Overige programma's gericht op ontwikkelingsstimulering van jonge kinderen
Naast de programma's die zich op onderwijsachterstanden richten zijn er programma's die een ander doel hebben, bijvoorbeeld omdat ze zich richten op sociaal gedrag of de sociaal-emotionele ontwikkeling. Beschrijvingen van deze programma's vindt u in het overzicht:
Van de programma’s die zijn opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies treft u in genoemde overzichten een uitgebreide beschrijving, afkomstig uit deze databank, aan. Deze programma's zijn door een onafhankelijke erkenningscommissie erkend als (in theorie) effectief. Van de programma’s die beoordeeld zijn voor opname in de databank maar daarin (nog) niet zijn opgenomen, vindt u een korte beschrijving en de reden waarom het programma (nog) niet is opgenomen. Voor enkele programma’s is de beoordeling nog in voorbereiding. Informatie over de criteria, procedure en erkenningscommissie vindt u elders op deze site bij de databank.
Programma's voor voor- en vroegschoolse educatie (vve-programma's) richten zich op meerdere ontwikkelingsgebieden van de ontwikkeling van het kind (van 2 tot 6 jaar, of ouder). Deze centrumgerichte programma's worden uitgevoerd in peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en de onderbouw van de basisschool. In deze vve-programma's wordt vaak de meeste tijd besteed aan het werken met de kinderen. De programma's hebben ook een zogenoemde oudercomponent.
Opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies
De onderstaande programma's zijn opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies. Dat betekent dat zij door een onafhankelijke erkenningscommissie erkend zijn als (in theorie) effectief. Informatie over de criteria, procedure en erkenningscommissie vindt u elders op deze site bij de databank.
Op bovenstaande programma’s is de Stimuleringsregeling vroegschoolse educatie 2008-2009 van toepassing.
Beoordeling in voorbereiding
De onderstaande programma's bevinden zich nog in de procedure die leidt tot beoordeling door de erkenningscommissie van de databank Effectieve Jeugdinterventies. Er is dus nog geen uitspraak gedaan of het programma al of niet (in theorie) effectief is.
Niet in de databank
Er zijn ook programma's die niet in aanmerking komen voor opname in de databank Effectieve Jeugdinterventies. Bijvoorbeeld als de ontwikkelaar de interventie niet ter beoordeling wil voorleggen aan de erkenningscommissie of de interventie niet (meer) wordt uitgevoerd. De namen van al deze programma's vindt u elders op deze site in het overzicht Komt niet in aanmerking.
Dit programma bevindt zich nog in de procedure die leidt tot beoordeling door de erkenningscommissie van de databank Effectieve Jeugdinterventies. Er is dus nog geen uitspraak gedaan of het programma al of niet (in theorie) effectief is.
Karakteristiek
'Doe meer met Bas' is een VVE-programma met sterke nadruk op taalontwikkeling. Het is opgebouwd rondom thema’s uit de bekende Bas-prentenboeken van Dagmar Stam. Het programma is gebaseerd op de uitgangspunten van de 'Taallijn VVE'. Het wordt uitgevoerd in peuterspeelzalen, kinderdagverblijven en de onderbouw van het basisonderwijs. Ook ouders worden bij de uitvoering van het programma betrokken.
Doel
Het doel van 'Doe meer met Bas' is om taal- en onderwijsachterstanden bij peuters en kleuters terug te dringen of te voorkomen.
Doelgroep
'Doe meer met Bas' wordt uitgevoerd door leidsters op peuterspeelzalen of kinderdagverblijven en leerkrachten in de onderbouw van het basisonderwijs. Het gaat om kinderen van 3 tot 6 jaar met een (verhoogd risico op een) taal- of onderwijsachterstand.
Ontwikkeld door
IJsselgroep Zwolle
Mw. Marga de Haan
e-mail
telefoon (038) 453 99 43
De integrale gezinsgerichte programma's richten zich op het werken met ouders, of op ouders en kinderen samen. De ouders worden handreikingen geboden om ontwikkelingsstimulerend met hun kinderen te werken. De programma's zijn gericht op meerdere gebieden van de kindontwikkeling.
Opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies
De onderstaande programma's zijn opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies. Dat betekent dat zij door een onafhankelijke erkenningscommissie erkend zijn als (in theorie) effectief. Informatie over de criteria, procedure en erkenningscommissie vindt u elders op deze site bij de databank.
Op bovenstaande programma’s is de Stimuleringsregeling vroegschoolse educatie 2008-2009 van toepassing, onder voorwaarde dat deze wordt uitgevoerd in combinatie met een integraal centrumgericht programma (vve-programma).
(Nog) niet opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies
Interventies worden vooralsnog niet in de databank opgenomen als zij nog niet aan alle criteria van de erkenningscommissie voldoen én de ontwikkelaar heeft aangegeven de interventie op korte termijn te willen verbeteren.
Beoordeling in voorbereiding
Het onderstaande programma bevindt zich nog in de procedure die leidt tot beoordeling door de erkenningscommissie van de databank Effectieve Jeugdinterventies. Er is dus nog geen uitspraak gedaan of het programma al of niet (in theorie) effectief is.
Niet in de databank
Er zijn ook programma's die niet in aanmerking komen voor opname in de databank Effectieve Jeugdinterventies. Bijvoorbeeld als de ontwikkelaar de interventie niet ter beoordeling wil voorleggen aan de erkenningscommissie of de interventie niet (meer) wordt uitgevoerd. De namen van al deze programma's vindt u elders op deze site in het overzicht Komt niet in aanmerking.
Dit programma bevindt zich nog in de procedure die leidt tot beoordeling door de erkenningscommissie van de databank Effectieve Jeugdinterventies. Er is dus nog geen uitspraak gedaan of het programma al of niet (in theorie) effectief is.
Karakteristiek
Het programma 'Samenspel' bestaat uit wekelijkse groepsbijeenkomsten van ouders en kinderen (1½ tot 4 jaar). De bijeenkomsten bevatten niet alleen activiteiten die de ontwikkeling van kinderen stimuleren, maar ook een opvoedingsondersteunend programma . De bijeenkomsten staan onder leiding van een Samenspelbegeleidster en vinden (meestal) plaats op een peuterspeelzaal.
Doel
De kern van 'Samenspel' is het werken met ouders en kinderen samen, waardoor direct of indirect wordt gewerkt aan vijf doelen: ontwikkelingsstimulering, o pvoedingsondersteuning, ouderbetrokkenheid, verbeteren van de interactie tussen ouder en kind, emancipatie en empowerment.
Doelgroep
'Samenspel' richt zich op gezinnen met peuters. Primair gaat het om kinderen die risico lopen op ontwikkelingsachterstanden en ouders met een lage opleiding, waaronder veel van allochtone afkomst. Het programma richt zich op kinderen van anderhalf tot vier jaar.
Ontwikkeld door
'Samenspel' is oorspronkelijk ontwikkeld door Stichting Samenspel Op Maat. Tegenwoordig behoort 'Samenspel' tot het aanbod van:
DaalAdvies
Molenlaan 263
3055 GE Rotterdam
telefoon (010) 436 14 43
e-mail
website www.daaladvies.nl
Programma's voor taalstimulering richten zich hoofdzakelijk op de taalontwikkeling en taalstimulering van peuters en kleuters. In deze rubriek worden zowel centrum- als gezinsgerichte programma's vermeld.
Opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies
De onderstaande programma's zijn opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies. Dat betekent dat zij door een onafhankelijke erkenningscommissie erkend zijn als (in theorie) effectief. Informatie over de criteria, procedure en erkenningscommissie vindt u elders op deze site bij de databank.
Op bovenstaande programma’s is de Stimuleringsregeling vroegschoolse educatie 2008-2009 van toepassing, onder voorwaarde dat deze wordt uitgevoerd in combinatie met een integraal centrumgericht programma (vve-programma).
(Nog) niet opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies
Interventies worden vooralsnog niet in de databank opgenomen als zij nog niet aan alle criteria van de erkenningscommissie voldoen én de ontwikkelaar heeft aangegeven de interventie op korte termijn te willen verbeteren.
Er zijn in Nederland vele min of meer vergelijkbare (voor-)leesbevorderingsprogramma's. Deze programma's streven ernaar om (jonge) kinderen meer met boeken in aanraking te laten komen. Achterliggend doel daarbij is om de taalontwikkeling en het leesgedrag van (jonge) kinderen te stimuleren. De programma's 'De rode draad', 'Het voortouw', 'Mijn slingertouw', 'Spel- en boekenplan' en 'Voorleesproject' zijn bekeken en bleken onvoldoende gedocumenteerd en/of onvoldoende theoretisch onderbouwd om aannemelijk te kunnen maken dat de programma's effectief (kunnen) zijn. Daarnaast worden de doelstellingen van de programma's in het algemeen weinig concreet geformuleerd.
Beoordeling in voorbereiding
Het onderstaande programma bevindt zich nog in de procedure die leidt tot beoordeling door de erkenningscommissie van de databank Effectieve Jeugdinterventies. Er is dus nog geen uitspraak gedaan of het programma al of niet (in theorie) effectief is.
Niet in de databank
Er zijn ook programma's die niet in aanmerking komen voor opname in de databank Effectieve Jeugdinterventies. Bijvoorbeeld als de ontwikkelaar de interventie niet ter beoordeling wil voorleggen aan de erkenningscommissie of de interventie niet (meer) wordt uitgevoerd. De namen van al deze programma's vindt u elders op deze site in het overzicht Komt niet in aanmerking.
Deze programma's bevinden zich nog in de procedure die leidt tot beoordeling door de erkenningscommissie van de databank Effectieve Jeugdinterventies. Er is dus nog geen uitspraak gedaan of het programma al of niet (in theorie) effectief is.
Karakteristiek
'Peuterpraat' en 'Kinderklanken' zijn centrumgerichte programma’s voor taalstimulering. Doel van beide programma´s is het voorkomen van onderwijsachterstand, met name taalachterstand. Peuterpraat wordt uitgevoerd op peuterspeelzalen en kinderdagverblijven (leeftijd kinderen van 2 tot 4 jaar). Kinderklanken wordt uitgevoerd in groep 1 tot 4 van de basisschool/SBO (leeftijd kinderen 4 tot 8 jaar). Bij beide programma’s neemt signalering van spraak- en taalproblemen en problemen in de auditieve ontwikkeling een belangrijke plaats in.
Doel
Het doel van de programma’s is het voorkomen van onderwijsachterstanden, met name taalachterstand. Het programma 'Peuterpraat' doet dit door de spraak- en taalontwikkeling te stimuleren, het programma 'Kinderklanken' door de beginnende geletterdheid en de woordenschatontwikkeling te stimuleren.
Doelgroep
De programma’s zijn bedoeld voor kinderen op peuterspeelzalen of kinderdagverblijven (Peuterpraat) en groep 1-4 van basisscholen (Kinderklanken) in de leeftijd van 2 tot 8 jaar.
Ontwikkelaar door
De Weerklank
Zeemanlaan 22A
2313 SZ Leiden
telefoon (071) 572 78 59
website www.deweerklank.nl
e-mail projectgroepkinderklanken@deweerklank.nl
Naast de programma's die specifiek bedoeld zijn voor het voorkomen van (cognitieve) onderwijsachterstand kunnen programma's worden onderscheiden die zich richten op andere gebieden van de ontwikkeling van het kind.
Opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies
De onderstaande programma's zijn opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies. Dat betekent dat zij door een onafhankelijke erkenningscommissie erkend zijn als (in theorie) effectief. Informatie over de criteria, procedure en erkenningscommissie vindt u elders op deze site bij de databank.
Beroepskrachten die werken in de voor- en vroegschoolse educatie volgen veelal trainingen voor het werken met een programma. De ontwikkelaars van VVE-programma’s bieden die bijscholing aan. Daarnaast staat bij steeds meer beroepsopleidingen voor leidsters en leerkrachten het werken met VVE-programma’s op het lesrooster. Ook voor het werken met ouders ontwikkelen verschillende beroepsopleidingen scholingstrajecten.
Medio 2006 zijn de profielen van leidsters in de kinderopvang en peuterspeelzalen geactualiseerd: het werken met VVE programma's maakt nu bijvoorbeeld deel uit van de de taken voor de peuterleidster. Meer informatie
Naast deskundigheidsbevordering voor de uitvoerders van de programma’s bestaat er ook een traject voor beleidsfunctionarissen, gericht op de ontwikkeling en aansturing van VVE-beleid. Onderzoeks- en adviesbureau Sardes ondersteunt hen met een 'Vliegende brigade'.
Hier vindt u een overzicht van links naar VVE-programma's met trainingen, en naar instellingen die begeleiding en scholing verzorgen. Daarnaast krijgt u een indruk van de mbo- en hbo- opleidingen waarbij ontwikkelingsstimulering deel uitmaakt van het curriculum. Tot slot vindt u twee initiatieven om VVE op lokaal niveau te begeleiden.
Hier vindt u links naar instellingen die scholing en ondersteuning verzorgen voor medewerkers in beleid, organisatie en praktijk van ontwikkelingsstimulering. Op regionaal niveau bieden onderwijsbegeleidingsdiensten en (provinciale) instellingen voor maatschappelijke ontwikkeling veelal ook scholings- en begeleidingstrajecten aan.
Veel VVE-programma's richten zich op het werken met kinderen in een professionele setting, vooral peuterspeelzalen en eerste groepen van het basisonderwijs. Peuterleidsters, groepsleerkrachten en onderwijsassistenten maken zich de VVE-methodieken vooral eigen door middel van trainingen. Deze ontwikkelingen gaven mede aanleiding tot een bijgesteld profiel van de peuterleidster. Op basis daarvan mag de mbo-opleiding Sociaal-Pedagogisch Werk, met name bij het onderdeel kinderopvang, het onderwerp 'VVE' opnemen binnen de vastgestelde eindtermen.
Daarnaast besteden enkele mbo-opleidingen specifiek aandacht aan programma’s voor ontwikkelingsstimulering. Zo bieden de Gilde-opleidingen een combinatie aan van een SPW-opleiding met Reggio Emilia, en leidt het ROC ASA onderwijsassistenten op op niveau 4, waarin Kaleidoscoop en Piramide integreren.
In het hbo bestaat een opleiding die leidt tot de titel 'Bachelor of education', onder andere verzorgd door de voormalige PABO. De nieuwe onderwijsopleidingen hebben steeds vaker specialisaties voor het werken in de onderbouw; ook daar bevinden zich docenten die VVE-trainingen volgen, bijvoorbeeld voor Kaleidoscoop en Piramide.
Tot slot is er in Amsterdam het Steunpunt VVE Amsterdam, waarin aanbieders van trainingen voor VVE-programma's (NIZW en onderwijsbegeleidingsdienst) samenwerken met het beroepsonderwijs (IPABO, ROC ASA).
Beroepskrachten in het welzijnswerk voeren programma’s voor ouders uit, soms in samenwerking met vrijwilligers of paraprofessionals. Zij werken in de sociaal-pedagogische hulpverlening en het sociaal-cultureel werk. Steeds vaker onderhouden ook verpleegkundigen op consulatiebureaus contacten met ouders die ze groepsgewijs of individueel informeren en adviseren over opvoeding. Ontwikkelingsstimulering past daarbij.
Het hbo biedt sinds augustus 2002 een bachelor-opleiding tot 'Social worker'. Daarvoor leiden de opleidingen Sociaal-Pedagogische Hulpverlening en Pedagogiek op. Deze opleidingen ontwikkelden samen met het NIZW een competentieprofiel voor 'opvoedondersteuners' en bieden daarvoor modulen aan.
Ook het beroepsonderwijs besteedt steeds meer aandacht aan het thema ontwikkelingstimulering via de ouders, hoewel die aandacht vooral voortkomt uit het thema opvoedingsondersteuning:
Sinds eind 2005 beschikken groepsleidsters in de kinderopvang en leidsters peuterspeelzaalwerk over beroepscompetentie profielen. Deze bieden een fundament voor werkers en uitgangspunten voor beroepsopleidingen.
Deze profielen maken deel uit van de beroepenstructuur zorg en welzijn (2005). Medio 2006 zijn deze profielen geactualiseerd: het werken met VVE programma's maakt nu bijvoorbeeld deel uit van de de taken voor de peuterleidster. Recent is ook het profiel voor de leidster buitenschoolse opvang vastgesteld
De beroepscompetentieprofielen 'Groepsleidster kinderopvang', 'Leidster peuterspeelzaalwerk' , en 'Leidster buitenschoolse opvang' zijn zonder kosten te downloaden van http://www.competentieweb.nl/. Men dient zich eerst te registreren.
In dit verband is het relevant te vermelden dat in Groot-Brittannië de betrokken partijen (van ministeries tot politie, schoolleiders, gezondheidzorg, leerkrachten, werkgevers) gezamenlijk de kennis en vaardigheden op een rij zetten voor alle professionals die met kinderen werken: 'Common Core of Skills and Knowledge voor the Childrens workforce' (2005). Te downloaden van http://www.dfes.gov.uk/commoncore/.
Meer congressen voor de jeugdsector vindt u elders op de site in de agenda.
Hier vindt u enkele suggesties voor literatuur voor of over ontwikkelingsstimulering. Dit is een selectie uit de literatuurcatalogus van het Nederlands Jeugdinstituut, waarin u elders op deze site ook zelf kunt zoeken naar literatuur.