![]() |
© Nederlands Jeugdinstituut Catharijnesingel 47 • 3511 GC • Utrecht Postbus 19221 • 3501 DE • Utrecht t: (030) 230 63 44 • f: (030) 230 63 12 e: infojeugd@nji.nl • i: www.nji.nl |
Alle ouders kunnen zo nu en dan steun en hulp bij de opvoeding gebruiken. Opvoedingsondersteuning is een maatschappelijke functie die daarom voor alle opvoeders beschikbaar moet zijn.
Hier vindt u de laatste nieuwsberichten over opvoedingsondersteuning en aanverwante thema's. Wilt u de berichten per e-mail ontvangen? Neemt u dan een gratis abonnement op de Nieuwsbrief Jeugd.
Oudere berichten zijn terug te vinden in het nieuwsarchief van Nieuwsbrief Jeugd.
U vindt hier wat opvoedingsondersteuning precies is en wie ouders ondersteunen en helpen bij de opvoeding. Ook de doelstellingen, zoals preventie van bijvoorbeeld schooluitval, komen aan de orde. Een belangrijk uitgangspunt van opvoedingsondersteuning is verder: aansluiten bij de eigen deskundigheid van ouders. Functies en vormen van opvoedingsondersteuning zijn onder andere praktische en sociale steun, maar soms ook signalering en verwijzing.
Alle ouders hebben wel eens vragen over de opvoeding van hun kinderen. Meestal biedt een gesprek met andere ouders, vrienden of familie voldoende antwoord. Sociale steun is dan ook een belangrijke, informele vorm van opvoedingsondersteuning. Opvoeden is in belangrijke mate samen-leven, waarbij de ouder een extra verantwoordelijkheid heeft, en (de kunst van het) omgaan met elkaar als mensen. Daarom kan gesteld worden: "Almost anything that is 'good for people' can be constructed as 'supportive to parenting'." (What works in parenting support, 2004, p. 23).
Ondersteuning
Omdat veel ouders (soms) behoefte hebben aan steun, sommige kinderen begeleiding behoeven, en het grootbrengen van kinderen een maatschappelijke taak is, dient er naast de informele steun voor alle ouders formele opvoedingsondersteuning beschikbaar te zijn: professionele vormen, zoals pedagogische informatie en advies, oudercursussen en hulp. Opvoedingsondersteuning is geen aparte werksoort, zoals kinderopvang of jeugdhulpverlening, maar wordt uitgevoerd door verschillende personen en voorzieningen, bijvoorbeeld huisartsen, consultatiebureaus en bureaus jeugdzorg. Opvoedings- of ouderondersteuning gaat om, zoals verwoord door hoogleraar opvoedingsondersteuning Jo Hermanns, opvoeders helpen opvoeden.
Veelal zijn ouders met een goed advies weer voldoende toegerust om de situatie verder zelf te verbeteren. Daarmee heeft ouderondersteuning een belangrijke preventieve functie: met een snel en adequaat opvoedingsadvies kunnen ernstige gezinsproblemen worden voorkomen. Soms is er meer ondersteuning nodig; dan kunnen gezinnen geholpen worden met programma's als videohometraining of Families First.
Zie voor een schematische weergave van de samenhang van opvoedingsondersteuning, ontwikkelingstimulering en het versterken van de pedagogische infrastructuur de cirkel gezinsondersteuning.
Definities
Het begrip 'opvoedingsondersteuning' is een verzamelterm; afhankelijk van doel en doelgroep worden verschillende definities gebruikt. De brede omschrijving richt zich op alle alle opvoeders: ouders en 'medeopvoeders' als leidsters/leerkrachten en kinderwerkers; en vaak alsook op de pedagogische context waarin kinderen opgroeien: de leefomgeving. De buurt waarin een kind opgroeit, de 'pedagogische infrastructuur'; zijn er voldoende sociale verbanden tussen de bewoners, werken het kindercentrum en de school samen met het wijkcentrum, is er voldoende speelgelegenheid voor kinderen en jongeren?
Op deze site staan ouders centraal: zij zijn doorgaans de belangrijkste opvoeders van hun kinderen. Men kan dan ook spreken van ouderondersteuning of ouderschapsondersteuning.
'Wraparound'-benadering
J. Hermanns, hoogleraar UvA, bepleit voor ook voor het Nederlandse jeugdzorgbeleid een 'wraparound'-benadering, waarin de langgerekte ketenbenadering wordt omgevormd tot een cirkel rond kinderen, jongeren en opvoeders. Hermanns wijst hierbij op Amerikaanse bewezen effectieve programma’s die zonder uitzondering ‘community based’ zijn en zich richten op 'empowerment' van de klanten.
In de cirkel gezinsondersteuning wordt de samenhang aangegeven van opvoedingsondersteuning, ontwikkelingstimulering en het versterken van de pedagogische infrastructuur.

Bron:
O&O in perspectief. I. Bakker e.a. Utrecht: NIZW, 1998
Op deze site wordt onder 'opvoedingsondersteuning' verstaan: het ondersteunen van ouders bij de opvoeding, om een optimale ontwikkeling van de kinderen te bevorderen. De opvoedingstaken van mede-opvoeders als kinderleidsters en leerkrachten zijn eveneens van groot belang, maar staan op deze site niet centraal. Deze site beperkt zich tot, wat de Engelsen noemen, parenting support of parenting education. In het Duits wordt de term Elternbildung of Elternberatung gebruikt.
Opvoedingsondersteuning is een verzamelbegrip. Daarom is het van belang doel en doelgroep te verhelderen. Een smalle definiëring beperkt zich tot ouderondersteuning, ruimer opgevat betreft het de ondersteuning van alle opvoeders, en in nog bredere zin wordt de hele opvoedingsituatie erbij betrokken. Dan gaat het om de pedagogische infrastructuur die van belang is voor alle ontwikkelingstaken van kinderen: van verkeersveiligheid tot de voetbalcoach, van het pedagogisch beleidsplan van de basisschool tot het bureau jeugdzorg.
Enkele definities
Verschillende definities van verschillende hoogleraren:
VWS karakteriseerde opvoedingsondersteuning tijdens de startbijeenkomst Impuls opvoed- en gezinsondersteuning op 24 januari 2005 als volgt:
Geschiedenis
Het begrip opvoedingsondersteuning is in het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw naar voren gekomen. Met name in het Spel- en Opvoedwinkelproject van de toenmalige Stichting Spel- en Opvoedingsvoorlichting (S&O). Deze landelijke stichting bracht in 1985 een eerste uitgebreide literatuurstudie uit: Henny van Hensbergen, 'Opvoedingsondersteuning in perspectief, een literatuuronderzoek naar de behoeften van ouders aan opvoedingsondersteuning en de rol die voorzieningen kunnen vervullen' (tevens doctoraalscriptie UvA).
De nota van de toenmalige Raad voor het Jeugdbeleid 'Opvoeding ondersteund' gaf in 1986 bredere bekendheid aan het begrip opvoedingsondersteuning. In 1989 publiceerde S&O het beleidsdocument: 'Opvoedingsondersteuning. Een visie voor de negentiger jaren op de ondersteuning aan opvoeders'.
De werksoort opvoedingsvoorlichting/opvoedingsondersteuning bestaat in Nederland een kleine honderd jaar, aanvankelijk lag de nadruk op opvoedingsvoorlichting. Het tijdschrift 'Ouderschap en Ouderbegeleiding' memoreert (in het oktobernummer van 2003) dat met de oprichting van het eerste Medisch Opvoedkundig Bureau (MOB) in 1928 (dat jaar) de werksoort ouderbegeleiding 75 jaar bestaat.
In 2004 geven L. Vandemeulebroecke, H. Colpin, B. Maes en A. de Munter de volgende begripsomschrijving van opvoedingsondersteuning:
Opvoedingsondersteuning is op intentionele wijze steun bieden aan ouders (c.q. ouderfiguren) bij hun opdracht en taak als opvoeders, en berust op de veronderstelling dat volgende uitgangspunten voor elk gezin en elke gezinsvorm gelden:
Deze uitgangspunten leiden tot volgende werkingsprincipes bij de realisatie van opvoedingsondersteuning:
L. Vandemeulebroecke, H. Colpin, B. Maes, A. De Munter, ‘Een verantwoorde begripsomschrijving’, in: L. Vandemeulebroecke, A. De Munter (red.), ‘Opvoedingsondersteuning. Visie en kwaliteit’. Leuven: Universitaire Pers Leuven, 2004, p. 30.
Het Nederlandse jeugdbeleid levert onvoldoende op omdat de concrete sociale en maatschappelijke context waarin het kind opgroeit te weinig aandacht krijgt en omdat er een achterstand bestaat in een zogenoemde wraparound-benadering. Dit schrijft Jo Hermans, hoogleraar opvoedkunde aan de UvA, september 2007, in het Tijdschrift Jeugdbeleid. Hermanns stelt dat het ontbreekt aan een wraparound-benadering, waarin de langgerekte ketenbenadering wordt omgevormd tot een cirkel rond kinderen, jongeren en opvoeders. Hermanns wijst hierbij op Amerikaanse bewezen effectieve programma’s die zonder uitzondering ‘community based’ zijn en zich richten op empowerment van de klanten.
In ‘Stap naar een sprong. Toekomstperspectief voor de opzet van het CJG in de stadsregio Rotterdam’ zijn 10 principes van Wraparound care opgenomen; een vertaling uit een uitgave van de Amerikaanse wetenschappers E. Bruns en collega’s.
1. Gezin spreekt zich uit en kiest
Ouders en jeugdigen worden bewust uitgelokt om hun perspectieven (ideeën) aan te geven, die vervolgens worden geprioriteerd gedurende alle fasen van de begeleiding. Planning is opgenomen in de perspectieven van de gezinsleden en het begeleidingsteam streeft ernaar opties en keuzen voor te leggen in het plan die de waarden en voorkeuren van het gezin reflecteren.
2. Gebaseerd op team(werk)
Het begeleidingsteam bestaat uit personen die met goedkeuring van het gezin aan hen zijn verbonden, formeel of informeel.
3. Netwerkondersteuning
Het begeleidingsteam zoekt en motiveert actief de volledige participatie van allerlei betrokkenen en relaties in het netwerk van het gezin. Het begeleidingsplan reflecteert activiteiten en interventies die aanwezige bronnen van ondersteuning in het netwerk aantrekken.
4. Samenwerking
Teamleden werken samen en delen verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling, implementatie, monitoring en evaluatie van het begeleidingsplan. Het plan reflecteert een samensmelting van de perspectieven, mandaten en (financiële) middelen van de teamleden. Het plan begeleidt en coördineert het werk van elk teamlid richting het halen van de doelen van het gezin.
5. In de wijk
Het begeleidingsteam implementeert begeleidings- en zorginterventies die zo volledig, benaderbaar en toegankelijk mogelijk zijn met zo weinig mogelijk beperkingen en die op een veilige wijze integratie van het kind en het gezin in huis en in de buurt bevorderen.
6. Cultureel bekwaam
Het begeleidingsproces demonstreert respect voor en bouwt op waarden, voorkeur, geloof, cultuur en identiteit van het kind, het gezin en hun buurt/omgeving.
7. Op maat
Om de doelen in het begeleidingsplan te bereiken, ontwikkelt en implementeert het team een op maat gemaakte set van interventies, strategieën en diensten.
8. Eigen kracht als basis
Het begeleidingsproces en het plan identificeren, bouwen op en vergroten de bekwaamheid, kennis, vaardigheden en eigen kracht van het kind en het gezin en hun netwerk.
9. Doorzettingsvermogen
Ondanks uitdagingen werkt het team door om de doelen in het begeleidingsplan te behalen totdat het team gezamenlijk besluit dat een begeleiding niet meer nodig is.
10. Resultaatgericht
Het team verbindt doelen en strategieën van het begeleidingsplan aan waarneembare of meetbare indicatoren van succes, monitort de voortgang van deze indicatoren en stelt aan de hand daarvan het plan zonodig bij.
‘Ten principles of the wraparound process.’ Bruns, E.J., Adams, J., Miles, P., Osher, T.W., Rast, J., VanDen Berg, J.D. & National Wraparound Initiative Advisory Group. Portland, 2004.
‘Stap naar een sprong. Toekomstperspectief voor de opzet van het CJG in de stadsregio Rotterdam’; bijlage 4, p. 80. Te downloaden van www.iederkindwint.nl.
Opvoedingsondersteuning speelt in op de behoefte van alle ouders aan steun bij de zorg voor een optimale ontwikkeling van hun kinderen. Daarnaast kan opvoedingsondersteuning preventieve doelen dienen, bijvoorbeeld wanneer zich stoornissen voordoen in de ontwikkeling van een kind. Soms leidt het gedrag van het kind tot maatschappelijke problemen. Ook dan kan ouderondersteuning helpen.
De steun aan ouders heeft als doelstellingen:
Pedagogische competenties versterken en draagkracht vergroten vormen de eerste mogelijkheden van de opvoedingsondersteuning voor alle ouders. Hiervoor wordt wel de term empowerment gebruikt: om het zelfvertrouwen van de ouders te versterken wordt aangesloten bij hun eigen kwaliteiten en deskundigheid. Daarnaast kan door informatie en oefening gewerkt worden aan het versterken van (nieuwe) opvoedingsvaardigheden. Ter vergroting van de draagkracht vragen ook zelfzorg en netwerkopbouw aandacht. Daarbij is het belangrijk de bevordering van het zelfvertrouwen van de ouders te combineren met tijdige signalering van risico's en het bieden van steun bij beginnende problematiek.
In jeugdbeleid en beleid opvoedingsondersteuning wordt vaak onderscheid gemaakt tussen algemeen beleid dat zich richt op de hele populatie, en specifiek beleid dat zich richt op specifieke doelgroepen of op specifieke doelstellingen (preventie/voorkomen van problemen, hulpverlening) of thema's (bv. kindermishandeling). Onderzoek leert dat integraal beleid vaak een voorwaarde en een basis vormen om specifiek beleid te kunnen realiseren. (zie bv. K. Duckworth, 'Influences on attainment in primary school interactions between child, family and school contexts'. Notingham: DCSF, 2008). Opvoedingsondersteuning kan gericht worden op verschillende doeleinden:
De ouderondersteuning richt zich dan op kinderen en gezinnen in risicosituaties.
Vaak beïnvloeden verschillende factoren het ontstaan van opvoedings- en ontwikkelingsproblemen. Het zogenaamde balansmodel brengt de beschermende en risicofactoren in de ontwikkeling van kinderen en jongeren in kaart. Zo kan een analyse worden gemaakt van het evenwicht tussen de draaglast en draagkracht in een gezinssituatie. Op basis van die uitkomst kunnen aanknopingspunten voor preventie worden bepaald.
Het balansmodel brengt de beschermende en de risicofactoren voor de ontwikkeling van een kind in kaart. Daarmee kan de gezinssituatie en de eventueel benodigde steun of hulp nauwgezet geanalyseerd worden.

Opvoeding kan worden gezien als een transactioneel proces, waarin ouders en kinderen elkaar wederzijds beïnvloeden in relatie met de specifieke omgeving van het gezin. Zowel kindfactoren, ouderfactoren als omgevingsfactoren hebben invloed op dit proces. Niet zelden zullen er factoren zijn die de opvoeding kunnen bedreigen, deze kunnen hun oorsprong vinden in het kind zelf, de ouder(s) of de omgeving. Dergelijke factoren maken het leven complex en vragen derhalve extra energie om de opvoeding toch op het goede spoor te houden. Men spreekt in dit geval van risicofactoren. Risicofactoren zijn dus variabelen die de kans op het ontstaan van problemen verhogen. Factoren die de opvoeding daarentegen goed laten verlopen, kunnen hun oorsprong vinden in het kind zelf, de ouder(s) of de omgeving. In dit onderzoek noemen wij dit beschermende (protectieve) factoren.
Om zinvolle uitspraken te kunnen doen over de invloed van risicofactoren en beschermende factoren, moet onderscheid worden gemaakt tussen factoren op micro-, meso- en macroniveau. Op het microniveau gaat het om ouder-, kind- en gezinsfactoren. Eigenschappen van de ouder(s), het kind en het gezinssysteem (opvoeding en gezinsinteracties) staan hier centraal.
Op het mesoniveau worden sociale factoren, gezins- en buurtfactoren onderscheiden. Hierbij kan worden gedacht aan het sociale netwerk, sociale bindingen (bijvoorbeeld de school) en de kwaliteit van de buurt (sociale buurtcohesie). In het algemeen kunnen deze factoren als steunend beschouwd worden.
Op het macroniveau tenslotte bevinden zich de maatschappelijke achtergrondfactoren. De culturele achtergrond en sociaal-economische positie (opleiding, werk, inkomen enz.) spelen hier een rol, het gaat hier dus om maatschappelijke en culturele condities die het gezinsleven bepalen. Sociale steun is hierbij een belangrijke beschermende factor. Sociale en maatschappelijke omgevingsfactoren hebben een sterke invloed op condities waarbinnen de opvoeding plaatsvindt. Het balansmodel geeft dit samenspel op alle drie niveaus weer.
De aanwezigheid van een enkele risicofactor zal weinig invloed hebben op de kwaliteit van de opvoeding en ontwikkeling van kinderen. Ieder individu krijgt immers te maken met bepaalde risicofactoren en beschermende factoren, die onderling op elkaar inwerken. Er ontstaan problemen als de risicofactoren zich opstapelen (cumuleren) en de beschermende factoren niet. Hoewel het in alle milieus voorkomt dat problemen zich opstapelen, is er een samenhang tussen (zwakke) maatschappelijke positie en risicocumulatie. Onderzoeken naar risicofactoren laten zien dat, gemiddeld genomen, het aantal risicofactoren een grotere voorspellende waarde heeft voor het slagen of mislukken van de opvoeding dan de zwaarte van specifieke (risico)factoren. De veronderstelling is dat als men een goed zicht heeft op de risicofactoren in een concrete situatie, problemen kunnen worden voorspeld. Dit geldt echter niet zondermeer: risicofactoren zijn op zich geen goede voorspellers van problemen.Risicofactoren hebben vooral een negatief effect als ze cumuleren. Naarmate het aantal problemen en stressfactoren toeneemt, neemt de draagkracht van ouders om deze problemen zelf aan te kunnen evenredig af. (Hierop zijn uitzonderingen, bijvoorbeeld in geval van ernstig lichamelijk en/of psychisch disfunctioneren).
Gezinnen met meervoudige risicofactoren zijn op de drie verschillende niveaus bijzonder kwetsbaar en lopen extra kans op opvoedings- of ontwikkelingsproblemen. De verschillende factoren kunnen elkaar in principe versterken of verzwakken. Zo is uit onderzoek gebleken dat de invloed van risicofactoren gereduceerd kan worden indien er sprake is van beschermende factoren in de omgeving van het kind. De meest beschermende factor is in dit verband de sociale steun. Een risicofactor op het ene niveau hoeft niet noodzakelijk door een beschermende factor op hetzelfde niveau te worden gecompenseerd: beschermende factoren op het macroniveau kunnen bijvoorbeeld tegenwicht bieden tegen bedreigende factoren op mesoniveau. Een cumulatie van risicofactoren moet worden gecompenseerd door een cumulatie van beschermende factoren.
Om de wisselwerking tussen beschermende en risicofactoren, tussen individuele ontwikkeling en sociale omgeving en tussen de verschillende socialisatiemilieus in kaart te brengen, kunnen de begrippen draagkracht en draaglast worden gebruikt. Draagkracht is het geheel van competenties en beschermende factoren waarmee ouders en kinderen de draaglast het hoofd bieden. Draaglast is het geheel van taken dat ouders en kinderen te vervullen hebben (voorzien in de primaire levensbehoeften en materiële behoeften, huishoudelijke en maatschappelijke taken, opvoeding enz.). De verhouding tussen draagkracht en draaglast bepaalt of ouders de opvoeding daadwerkelijk ‘aankunnen’.
Bron
O&O in perspectief. I. Bakker e.a. Utrecht: NIZW, 1998.
Alice van der Pas noemt in 'Eert uw vaders en uw moeders' (SWP, 2005) vier beschermende buffers: een solidaire gemeenschap, een goede taakverdeling, het kunnen innemen van een metapositie en goede-ouder-ervaringen.
Opvoedingsondersteuning wil een optimale ontwikkeling van kinderen bevorderen door het versterken van de pedagogische draagkracht en competenties van hun ouders. Aansluiten bij de eigen deskundigheid van ouders en hen aanspreken op hun kracht is gebaseerd op ideeën over 'empowerment'. Empowerment, letterlijk 'in staat stellen', is een Amerikaans begrip uit de sociale preventie en 'community intervention'. Toegepast op opvoedingsondersteuning betekent het werken aan empowerment:
Empowerment staat voor een ondersteuningsmodel dat aansluit bij concrete, alledaagse problemen die ouders belemmeren competent op te voeden. Belangrijk daarbij is patronen van afhankelijkheid en hulpeloosheid te voorkomen of te doorbreken.
Het doel van opvoedingsondersteuning is niet om hulp te verlenen of verantwoordelijkheden van ouders over te nemen, maar om de eigen deskundigheid en kracht van ouders te mobiliseren zodat zij zichzelf kunnen helpen. De inbreng van ouders en andere opvoeders in de vormgeving en uitvoering van een ondersteuningsaanbod is dan ook een belangrijke voorwaarde. Zo kiezen ouders zelf de instrumenten en werkwijzen om hun doelen te bereiken.
Daarnaast stimuleren professionals die uitgaan van empowerment ouders om actief gebruik te maken van hulpbronnen in hun directe omgeving en om hun eigen sociale netwerk te versterken. Het is belangrijk dat ouders succeservaringen opdoen en vooral dat zij die ervaringen kunnen zien als resultaat van hun eigen inspanning. Als ouders ervaren dat ze zelf sturing kunnen geven aan hun leven, versterkt dat hun gevoel van effectiviteit (self efficacy).
Kiezen voor het empowerment-model heeft tot gevolg dat de kennis van professionals minder op de voorgrond staat. Zijn of haar deskundigheid staat ten dienste van de ouders en moet aansluiten bij hun vragen en behoeften.
Een op empowerment gerichte werkwijze m.b.t. het steunen, sturen en stimuleren van de ouder staat beknopt schematisch beschreven in bijlage 3 (naar Reumers, 2007) van: M. Cardol, ‘Elke ouder heeft recht op opvoedingsondersteuning: een onderzoek naar de behoeften van ouders rondom opvoedingsondersteuning’. Thesis Fontys Hogeschool Pedagogiek, 2007, 80 p. Te downloaden van www.hbo-kennisbank.nl.
Het begrip preventie richt zich specifiek op het voorkómen van problemen. Een veel gebruikte indeling van preventie is die naar primaire, secundaire en tertiaire preventie (Caplan);
Preventiecontinuüm opvoed- en opgroeiproblemen
Een andere indeling richt zich op selectie van doelgroepen en problematieken; van algemeen tot specifiek. De Inventgroep beschrijft in haar rapport ‘Vroegtijdige signalering en interventies bij opvoed- en opgroeiproblemen’ een preventiecontinuüm (Hermanns e.a., 2005). Op dit continuüm worden vijf punten onderscheiden:
De eerste drie punten representeren een proactief beleid. Er is nog geen manifest probleem, maar er zou wel een probleem kunnen ontstaan. De laatste twee punten betreffen een reactief beleid. Er is een (beginnend) probleem waaraan iets moet gebeuren.
1) Universele preventie, gericht op de gehele populatie van ouders, andere opvoeders en kinderen
Onder universele preventie valt algemene opvoedingsvoorlichting, psycho-educatie, algemene oudercursussen en voorlichting over ontwikkeling en gedrag. Tijdschriften, boeken, websites, tvprogramma’s, folders, groepsbijeenkomsten en dergelijke zijn de middelen die vaakgebruikt worden. Een recent rapport van het NIZW en de GGD-Nederland raadt aan om op het gebied van de algemene preventie van opvoedings- en gedragsproblemen een breed aanbod te organiseren van opvoedingsondersteuning waarin informatie, cursussen en trainingen in verschillende vormen toe kunnen behoren (Blokland, Prinsen, Kok, & Wijngaarden, 2003). Hierbij kan men denken aan informatie en voorlichting, pedagogische advisering, begeleiding en training, het bevorderen van sociale steun en zelfhulp en praktische hulp. (Blokland et al., 2003). Er is overigens weinig informatie beschikbaar over wat effectieve vroegtijdige interventies zijn voor een breed publiek.
2) Selectieve vroegtijdige interventies Deze richten zich meestal op demografisch (bijvoorbeeld alleenstaande tienermoeders), geografisch (bijvoorbeeld achterstandswijken) afgebakende doelgroepen of doelgroepen met een bepaald kenmerk (van kinderen of ouders), waarin een verhoogde prevalentie van problemen aanwezig is. Deze zogenaamde risicogroepenbenadering houdt vaak in dat men voorlichting en/of training op individueel of groepsniveau aanbiedt aan subpopulaties waarvan men weet dat ze verhoogde risico’s hebben. Het kan zoals gezegd gaan om bepaalde wijken, maar ook om bepaalde groepen personen zoals allochtone ouders, alleenstaande tienermoeders, of kinderen van ouders met een psychiatrisch probleem, kinderen met een zeer laag geboortegewicht, kinderen die een echtscheiding hebben meegemaakt etcetera. Nadelen van deze benadering zijn doorgaans dat men de kans loopt weinig effectief met middelen omgaat (lang niet ieder lid van een risicopopulatie zal ook problemen krijgen) en dat groepen zich gestigmatiseerd kunnen voelen of ‘apart’ gezet worden. Een ervaringsgegeven is ook dat binnen de subpopulatie de individuele gezinnen die de interventie het meest nodig hebben juist niet meedoen aan de programma’s (Öry, 2003). Ook kunnen er self-fulfilling prophecies optreden. Terughoudendheid bij het omgaan met deze interventies is aan te bevelen. Een goed kosten-baten analyse is steeds noodzakelijk
3) Vroegtijdige preventie, gericht op risico-individuen die op grond van individuele kenmerken geselecteerd worden door een screening.
Op grond van de aanwezigheid van een aantal risicofactoren wordt een interventie aangeboden. Er is dus nog geen probleem en er is zijn zelfs nog geen signalen van een risicoproces. Er worden bij deze benadering hoge eisen gesteld aan de validiteit van de screening. Deze benadering sluit aan bij de in de vorige hoofdstukken besproken strategie 1 van de ‘Vroegtijdige signalering van toekomstige zorgwekkende opvoed- en opgroeisituaties voor de meest extreme risicosituaties’.
4) Vroegtijdige interventie bij signalen van risicoprocessen
Vroege interventie gericht op individuen die risicotrajecten zijn ingegaan, dat wil zeggen, individuen die eerste signalen van beginnende problemen afgeven die gerelateerd zouden kunnen zijn aan internaliserende en externaliserende problemen en zorgwekkende opvoedsituaties en daarmee als ‘high risk’ kunnen worden beschouwd. Deze benadering sluit aan bij in de vorige hoofdstukken beschreven procedures om risicoprocessen in kaart te brengen.
5) Interventies in termen van zorg en behandeling bij vastgestelde problemen
Hier gaat het om diagnostiek en behandeling, hulp of zorg bij vastgestelde problemen: ‘clinical interventions’. Op dit laatste punt van het continuüm is het te laat voor preventie en is het doel zo snel mogelijk effectieve hulp te bieden. In feite spreekt men hier over de zorg die in Nederland ‘geïndiceerde zorg’ is. Dat wil zeggen dat er, vaak nadat een vorm van ‘slagboomdiagnostiek’ is toegepast, er door gespecialiseerde voorzieningen hulp, behandeling of zorg wordt aangeboden.
Er is veel onderzoek gedaan naar factoren die een rol spelen bij gezinnen in achterstandssituaties. Maar voor de hulp aan kinderen moet de risicosituatie elke keer opnieuw concreet in kaart worden gebracht.
Kinderen in achterstandssituaties zijn te definiëren als 'kinderen bij wie sprake is van meerdere risicofactoren, waardoor de participatie in de maatschappij langdurig belemmerd wordt en bij wie geen of onvoldoende beschermende factoren aanwezig zijn om de negatieve invloed van de risicofactoren te beperken en de balans tussen draagkracht en draaglast te realiseren'.
Het balansmodel van Bakker biedt goede aanknopingspunten voor het in kaart brengen van achterstandssituaties. Het model laat zien welke factoren een rol spelen in de balans tussen draagkracht en draaglast. In het algemeen kan worden gesteld dat de aanwezigheid van één risicofactor, bijvoorbeeld werkloosheid van de ouders, niet tot problemen leidt in de ontwikkeling van een kind. Wanneer de werkloosheid echter een structureel karakter krijgt, gaat dit vaak samen met een complex van andere problemen. Bovendien neemt het effect van iedere risicofactor toe naarmate er bij het kind en het gezin meer problemen voorkomen.
Overheden en instellingen zullen, afhankelijk van de lokale situatie en prioriteiten, voorrang geven aan bepaalde kwetsbare groepen. Zo beschrijft Kijlstra in de studie 'Kwetsbaar jong!' (NIZW, 2001) tien risicogroepen van jonge kinderen die als eenheid gedefinieerd kunnen worden en bij wie sprake is van een cumulatie van risicofactoren. De factor armoede speelt daarbij nogal eens een belangrijke rol, maar wordt niet apart onderscheiden. Het betreft de volgende risicogroepen:
In de Rotterdamse nota 'Opvoeden doen we samen!' noemt de Werkgroep Basisinfrastructuur Opvoedingsondersteuning (2003) vijf specifieke doelgroepen. In alle groepen zijn de ouders met een laag opleidingsniveau het meest kwetsbaar:
Achterstandsbeleid
Bij het ontwikkelen van specifiek 'achterstandsbeleid' is het belangrijk de doelgroep duidelijk te omschrijven en die van meet af aan bij het beleid te betrekken. Om de doelgroep nader te beschrijven kan het concept 'risicofactoren' gebruikt worden, zodat altijd duidelijk is voor wie het specifieke beleid bedoeld is en in effectonderzoek nagegaan kan worden of het gewenste effect voor de juiste groep bereikt is. Daarbij passen wel enkele kanttekeningen.
'Risicogroepen' zijn vaak geen groep - ze gedragen zich niet zo en zijn ook niet als groep aanspreekbaar. Er is veel meer sprake van een verzameling mensen die bepaalde gemeenschappelijke kenmerken hebben. Meestal zal men de leden van zo’n groep dus individueel moeten benaderen om met hen in contact te komen. Bovendien: niet het tot een bepaalde, vermeende risicogroep behoren, bestempelt een kind tot 'risicokind'. Om het feitelijke risico te kunnen vaststellen, zal men ook eerst contact moeten hebben met de ouders en hun kind.
Achterstandsbeleid kent twee mogelijke invalshoeken. Het beleid kan zich concentreren op het verminderen van het aantal risicofactoren, waardoor het in feite gericht is op de preventie van achterstand. Anderzijds is het mogelijk het aantal beschermende factoren voor een kind te vergroten. Beleidsmakers kunnen er dus voor kiezen de draaglast te verminderen dan wel de draagkracht te vergroten.
De keuze voor de invalshoek hangt onder andere af van de aard en omvang van de risico- en beschermende factoren. Niet alle risicofactoren zijn even gemakkelijk te beïnvloeden. Bovendien bestaan er meestal meerdere risicofactoren tegelijkertijd. Dan zal een interventie gericht op slechts een van deze factoren minder resultaat boeken dan aandacht voor de onderlinge verbondenheid tussen de risicofactoren. 'Multilevel'-interventies zijn het meest succesvol.
Uit Durlaks literatuurstudie naar succesvolle preventieve interventies gericht op beschermende en risicofactoren, blijken de meeste programma’s zich te richten op het verminderen van risicofactoren. De aandacht voor beschermende factoren is relatief nieuw en minder goed gedocumenteerd. Beschermende factoren waar nog het meest aandacht voor is geweest zijn een goede gezondheid, zelfwaardering, een goede ouder-kindrelatie en sociale steun. In preventieprogramma’s is het echter belangrijk om, naast het verminderen van risicofactoren, beschermende factoren te bevorderen.
Op de startbijeenkomst Impuls opvoed- en gezinsondersteuning op 24 februari 2005 verduidelijkte VWS enkele definities: risicogezinnen en –jongeren, en opvoedondersteuning.
Risicogezin
Onder een risicogezin wordt verstaan:
Ouders kunnen hierdoor niet eigenstandig of met behulp van hun sociale omgeving adequaat invulling geven aan hun opvoedingstaken. Signalen van deze gezinnen komen vaak bij meerdere lokale voorzieningen terecht. Essentieel is dat er met deze gezinnen die vaak weerstanden hebben tegen professionele hulpverlening en soms moeilijk bereikt worden, toch systematisch gewerkt kan worden aan concrete doelen op meerdere terreinen en dat de mogelijkheid bestaat om voorzieningen en instellingen te coördineren.
Indicatoren voor risicogezinnen
Vanuit de praktijk is een aantal ‘indicatoren' voor risicogezinnen bekend:
Risicojongeren
Risicojongeren zijn jongeren die problemen hebben op tenminste twee van de vier onderdelen betreffende de leefgebieden school / werk, gezin en vrije tijd enerzijds en gedragsstoornissen anderzijds, en daarmee samenhangend risicogedrag vertonen, maar waarvan verondersteld wordt dat zij door middel van interventie het risicogedrag kunnen beheersen en weer een positief toekomstperspectief hebben (definitie Capgemini)
Opvoedondersteuning
VWS karakteriseert opvoedondersteuning als volgt:
Risicogroepen: een maatschappelijk probleem
Ouders met een zwakkere maatschappelijke positie hebben een verhoogd risico op opvoedproblemen en problemen met de psychosociale gezondheid van hun kind.
E. Zeijl e. a., ‘Kinderen in Nederland’. Den Haag/Leiden: SCP/TNO, 2005.
Goede opvoeding
Met als uitgangspunten dat:
dan:
Uitgangspunten voor het werken met ouders
Uitgangspunten voor een goede opvoedingsondersteuning
Goede opvoedingsondersteuning
Criteria voor een goede lokale infrastructuur voor opvoedingsondersteuning
Een goede lokale infrastructuur voor opvoedingsondersteuning
Als bronnen zijn onder andere gebruikt publicaties van professor Jo Hermanns, het rapport 'Helpen bij opgroeien en opvoeden: eerder, sneller en beter' van de Inventgroep en het rapport 'Opvoeden doen we samen' van de gemeente Rotterdam.
Als we het hier over ouders hebben, bedoelen we ook andere, niet professionele opvoeders en verzorgers zoals stiefouders, pleegouders etc.
Deze uitgangspunten zijn 16 juni 2006 in Ede gepresenteerd op het congres 'Ouders helpen opvoeden'.
De informele steun die ouders elkaar bieden is veelal de sterkste en meest gewenste vorm van opvoedingsondersteuning. Ook het (overheids)beleid kan deze sociale steun bevorderen.
De bekendste functies en vormen van ouderondersteuning zijn: signaleren, informeren, adviseren, sociale en praktische steun. Deze ondersteuning zou voor alle ouders in de buurt, in een gevarieerd basisaanbod, beschikbaar moeten zijn. Dit vraagt samenwerken, een samenwerkingsstructuur, van alle instellingen
Een gevarieerd aanbod kan bestaan uit individuele begeleiding en groepsgewijze opvoedingsondersteuning, het kan plaatsvinden in een voorziening of tijdens huisbezoek, in een specifieke voorziening zoals een Opvoedbureau of op een plaats waar ouders toch al komen met hun kinderen, zoals de school.
Opvoedingsondersteuning is via verschillende media, middelen en werkwijzen beschikbaar: persoonlijk contact, televisie, internet (Ouders Online), telefoon, brochures en handboeken.
Naast een vrij aanbod voor alle ouders is het nodig dat instellingen actief en volhardend contact zoeken met gezinnen die extra steun behoeven. Een gevarieerd basisaanbod is vaak een voorwaarde voor het bereiken van risicogroepen. Afhankelijk van de aard en ernst van de situatie zal de interventie intensiever zijn: van advies tot trainen van opvoedingsvaardigheden, van informatie tot hulpverlening. In de matrix van Kousemaker & Timmers wordt de mate van ernst van problemen in schema gezet met de functies van opvoedingsondersteuning. Invulling van de matrix voor de lokale situatie levert een beeld op van het aanbod: wie biedt wat aan wie?.
Onderzoek toont aan dat een gelijktijdige aanpak van alle betrokkenen en (omgevings)factoren het meest effectief is: een aanbod voor zowel de kinderen, hun ouders en mede-opvoeders als intermediairen. Deze vorm van hulpverlening krijgt gestalte in zogenaamde multimodale programma's.
In enkele plaatsen in Nederland wordt het lokale aanbod aan ouders al door één voorziening, bijvoorbeeld een Steunpunt Opvoeding, aangeboden en gecoördineerd. Daarmee kunnen beleidsdoelen gerealiseerd worden als 'samenhang in het aanbod', 'sluitende aanpak', 'ketenbenadering' en 'vraag/aanbodafstemming'; die doelen vragen om lokale coördinatie onder gemeentelijke regie.
In de onderstaande matrix wordt de mate van ernst van problemen in schema gezet met de functies van opvoedingsondersteuning. Invulling van de matrix voor de lokale situatie levert een beeld op van het aanbod: wie biedt wat aan wie?
|
|
Ernst opvoedingsvragen | |||
|
gewone opvoedings-situatie |
opvoedings-spanning |
opvoedingscrisis |
opvoedingsnood | |
|
Functies opvoedings-ondersteuning |
alledaagse vragen en opvoedkwesties | ouder heeft steun nodig om opvoeding zelf te redden | zonder hulp krijgt ouder probleem niet onder de knie | problemen zijn ouder boven hoofd gegroeid |
|
Informatie / voorlichting |
|
|
|
|
|
Pedagogische advisering / lichte pedagogische hulp |
|
|
|
|
|
Signalering / doorverwijzen |
|
|
|
|
|
Praktische steun |
|
|
|
|
|
Sociale steun / versterken van netwerk |
|
|
|
|
|
Bevorderen / stimulerende omgeving |
|
|
|
|
Bewerking van: N. Kousemaker en D. Timmers–Huigens (1985), 'Pedagogische hulpverlening in de eerste lijn'. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, XXIV, p. 549 –565.
Onderzoek naar opvoedingsondersteuning kan zich richten op veel aspecten. Bijvoorbeeld de pedagogische en ontwikkelingspsychologische onderbouwing (zoals kindvisie en visie op ouderschap), de verantwoording van de interventiestrategie ('programma of persoon') en van de gebruikte methodiek (advies of 'empowerment'), het bereik van de beoogde doelgroep, de kosten-batenanalyse en de beleidseffectevaluatie.
Evaluatie, registratie en monitoring vormen vaste onderdelen van elk traject van opvoedingsondersteuning. In sommige regio's wordt de registratie van het uitvoerend werk goed bijgehouden, maar een dekkend landelijk kwantitatief en kwalitatief overzicht van het werkveld ontbreekt nog grotendeels.
De Inventgroep, bestaande uit G. Schrijvers; J. Hermanns; F. Öry, bracht in 2005 op verzoek van staatssecretaris C. Ross – Van Dorp een gedegen studie uit over effectieve programma's en instrumenten: 'Helpen bij opgroeien en opvoeden: eerder, sneller en beter. Een advies over vroegtijdige signalering en interventies bij opvoed- en opgroeiproblemen'.
Hermanns en Vergeer (2002) onderzochten uitvoerig de werkzaamheid van het gemeentelijk beleid van opvoedingsondersteuning. Prinsen e.a. (2002) inventariseerde de opvoedingsondersteunende methodieken in de jeugdgezondheidszorg voor kinderen van 0 tot 4 jaar in Nederland en Vlaanderen. Blokland e.a. (2004) maakten een vergelijkbare inventarisatie van de opvoedingsondersteuning door de jeugdgezondheidszorg voor kinderen van 4 tot 19 jaar. In hun studie naar een scherpere definitie van 'risicokinderen' geven Kijlstra e.a. (2005) een overzicht van de factoren die eraan bijdragen dat kinderen in achterstandssituaties terechtkomen.
Door Van de Wiel en Blokland (2004) is onderzoek gedaan naar de uitvoering van trainingen van cursusleiders van puberoudercursussen. Vragen daarbij waren of het de instellingen gelukt was voldoende cursusleiders te trainen en betekent dit vervolgens dat er ook een structureeel aanbod voor ouders is.
Allerwegen wordt gepleit om gebruik te maken van programma's waarvan de effectiviteit wetenschappelijk is aangetoond. Dat geldt ook voor opvoedingsondersteuning. Maar in Nederland zijn de meeste werkwijzen en programma's nog niet wetenschappelijk getoetst. Onderzoek naar programma’s op basis van een (pre-)experimenteel ontwerp, waarbij bij voor- en nameting gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde meetinstrumenten, is zeker voor preventieprogramma’s zeer gewenst.
Bronnen vindt u terug in de volgende overzichten:
Hier vindt u de beleidsstandpunten over opvoedingsondersteuning van het rijk, de provincies en de gemeenten. Ook de verantwoordelijkheden komen aan de orde: het rijk stimuleert en financiert, de provincies zijn verantwoordelijk voor de hulp aan gezinnen, de gemeenten voor het lokale (preventieve) aanbod. Tot slot vindt u een overzicht van recente beleidsstukken, veelal voorzien van een korte samenvatting.
Het beleid voor opvoedingsondersteuning valt onder het ministerie voor Jeugd en Gezin, en is op het ogenblik vooral gefocused op de ontwikkeling en invulling van de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG). De uitvoering van het beleid valt grotendeels onder verantwoordelijkheid van de gemeenten. Meer informatie over de rol van gemeenten vindt u bij Gemeentelijk beleid.
Momenteel is de ontwikkeling van de CJG's, de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid (WCPV) het meest bepalend voor het beleid rondom opvoedingsondersteuning.
Het beleid ten aanzien van opvoedingsondersteuning kan gezien worden als een onderdeel van jeugdbeleid en gezinsbeleid. Gezien de samenhang met onderwerpen als sociaal-economische onderwerpen, gezondheidszorg, ontwikkelingsstimulering en onderwijs, kinderopvang, integratie, openbare orde en criminaliteit, zijn bij het beleid opvoedingsondersteuning meerdere ministerie betrokken: het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), het ministerie van Justitie, ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK).
Opvoedingsondersteuning kan ook worden gezien als een uitwerking van een kindvriendelijk en gezinsvriendelijk beleid, en ouderondersteuning als een van de functies van gezinsbeleid. In Nederland wordt in het lokaal beleid de term 'gezinsvriendelijk beleid' minder gebruikt dan in Vlaanderen, waar veel gemeenten zich afficheren als gezinsvriendelijk.
Legitimatie voor een aanbod van opvoedingsondersteuning kan worden afgeleid uit de behoeften en vragen van kind en ouders. Met de ondertekening in 1995 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (1989) van de Verenigde Naties heeft Nederland zich gebonden ouders bij te staan bij de opvoeding. Die verplichting is verwoord in diverse artikelen.
Het beleid van het ministerie voor Jeugd en Gezin 2007-2011 staat beschreven in de nota 'Alle kansen voor alle kinderen'. Centrale punten in het beleidsprogramma zijn dat het gezin een belangrijke positie krijgt toebedeeld en dat er een omslag komt naar preventief werken. De visie van de rijksoverheid op opvoedingsondersteuning komt onder andere naar voren in de gezinsnota die het ministerie voor Jeugd en Gezin eind 2008 publiceerde onder de titel 'De kracht van het gezin'. In die nota staat dat via de CJG's laagdrempelige opvoedingsinformatie en -ondersteuning beschikbaar komt voor iedereen die daar behoefte aan heeft.
De nota kunt u hier downloaden: Alle kansen voor alle kinderen
.
Wat bekostiging betreft is begin 2009 de Brede Doeluitkering Centra voor Jeugd en Gezin (BDU CJG) van kracht geworden. Gemeenten hebben een beschikking ontvangen voor de jaren 2008 tot en met 2011.
Eerder presenteerde het ministerie van VWS in april 2006 de Nota gezinsbeleid: staalkaart van gerealiseerde ambities en doorkijkje naar toekomst. Deze nota gaat in op opvoedingsondersteuning binnen en buiten het gezin.
Op 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijk ondersteuning van kracht geworden. Volgens deze wet valt onder maatschappelijke ondersteuning ook: 'op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden'. (Het zogenoemde 'Prestatieveld 2') Het gaat om de volgende vijf gemeentelijke functies van het lokaal preventief jeugdbeleid: informatie en advies, signalering, toeleiding naar het hulpaanbod, licht pedagogische hulp, en coördinatie van zorg op lokaal niveau, die ook in het basismodel van de CJG's zijn opgenomen. Een nadere uiteenzetting daarvan is terug te vinden in de memorie van toelichting van de Wmo. De verantwoordelijkheid voor het lokaal preventief jeugdbeleid en voor maatschappelijke ondersteuning ligt bij de gemeenten. Op de site van het ministerie van VWS vindt u meer informatie over de de Wet maatschappelijk ondersteuning.
In 2003 trad de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid (WCPV) in werking (die zal vervangen worden door de Wet Publieke Zorg). In de WCPV is vastgelegd dat opvoedingsondersteuning een van de taken is van de jeugdgezondheidszorg die onder verantwoordelijkheid van de gemeenten valt. In het 'Basistakenpakket jeugdgezondheidszorg 0 – 19 jaar' (BTP) is uitgewerkt welke taken de gemeenten op het gebied van de jeugdgezondheidszorg moeten uitvoeren.
Het basistakenpakket bestaat uit producten die aan alle kinderen in Nederland worden aangeboden (uniform deel), en daarnaast uit een aanbod dat afgestemd is op de lokale zorgbehoeften en de prioriteiten van de gemeente (maatwerkdeel). In het rapport 'Activiteiten Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg 0 -19 jaar per Contactmoment' (2008) beveelt het RIVM aan om de functies voorlichting, advies, instructie en begeleiding op te nemen in het uniforme deel van het BTP.
UItleg over het basistakenpakket is te downloaden via de site van het ministerie van VWS: Basistakenpakket jeugdgezondheidszorg 0 – 19 jaar
In 2005 trad de Wet op de jeugdzorg in werking, die de toegang tot de hulpverlening regelt. De bureaus jeugdzorg verzorgen de indicatie voor en de doorverwijzing naar hulp. Hulpverleningsinstellingen kunnen dan ouders en gezin onder andere intensieve opvoedingsondersteuning bieden. De bedoeling van de Wet op de jeugdzorg is dat jeugdigen en ouders met lichtere opgroei- en opvoedproblemen een beroep doen op ondersteuning in het kader van het lokaal preventief jeugdbeleid. Op de site Overheid.nl vindt u de gehele wettekst.
In 2005 adviseerde de zogeheten Inventgroep in Helpen bij opgroeien en opvoeden: eerder, sneller en beter de overheid al om te komen tot de bundeling van functies in laagdrempelige lokale centra.
In 2003 namen vijf ministeries het initiatief tot Operatie Jong om knelpunten in het jeugdbeleid op te sporen en aan te pakken en de samenhang te bevorderen. In april 2006 presenteerde Operatie Jong het advies Koersen op het kind. Deel 1. Daarin wordt onder meer gepleit voor de bundeling van taken op het gebied van opvoeding, preventieve gezondheidszorg en bescherming in lokale Centra voor jeugd en gezin.
In 2001 bracht de Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) het advies Aansprekend opvoeden. Balanceren tussen steun en toezicht uit. Daarin stelt de raad dat de nadruk te veel zou liggen op de pedagogische verantwoordelijkheid van ouders. Burgers, instellingen en overheden moeten de opvoeding als een gedeelde verantwoordelijkheid zien.
Al eerder, vooral sinds begin jaren negentig van de vorige eeuw, sprak de overheid zich uit over het belang van opvoedingsondersteuning en de invulling daarvan. Zie Ontwikkeling rijksbeleid.
Meer informatie over het beleid van de rijksoverheid vindt u op de pagina Ondersteuning van de opvoeding van het ministerie voor Jeugd en Gezin, de overheidssite www.samenwerkenvoordejeugd.nl, en elders op deze site in het dossier Centra voor Jeugd en Gezin.
Artikel 18, lid 2, en artikel 27, lid 3, verplichten de leden van de Verenigde Naties die het Verdrag inzake de Rechten van het Kind ondertekend hebben ouders steun bij de opvoeding te bieden.
Artikel 18
1. De staten (...) doen alles wat in hun vermogen ligt om de erkenning te verzekeren van het beginsel dat beide ouders de gezamenlijke verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding en de ontwikkeling van het kind.
2. Om de toepassing van de in dit Verdrag genoemde rechten te waarborgen en te bevorderen, verlenen de staten (...) passende [ondersteuning] aan ouders en wettige voogden bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden die de opvoeding van het kind betreffen, en waarborgen zij de ontwikkeling van instellingen, voorzieningen en diensten voor kinderzorg.
3. De staten (...) nemen alle passende maatregelen om te waarborgen dat kinderen van werkende ouders recht hebben op gebruikmaking van diensten en voorzieningen voor kinderzorg waarvoor zij in aanmerking komen.
Artikel 27
1. De staten (...) erkennen het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.
2. De ouder(s) of anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, hebben de primaire verantwoordelijkheid voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van hun financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van het kind.
3. De staten (...) nemen, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind, te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, [waar daaraan behoefte] bestaat, in programma's voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting.
J. Willems, hoogleraar Rechten van het Kind, schrijft hierover: In de VN-verdragen 'vindt men opvoedingsondersteuning (artikel 18, lid 2) en kinderopvang (artikel 18, lid 3) respectievelijk materiële ondersteuning (artikel 27, lid 3) als door staten te operationaliseren, in wetgeving en beleid te vertalen recht van beide ouders. Recht van beide ouders vanwege het recht van elk kind op adequate zorg voor een gezonde integrale ontwikkeling, dat door de wereldgemeenschap is aanvaard in 1989 en door Nederland is bekrachtigd in 1995. Gezien de kennis en rijkdom in Nederland zou het hier inmiddels basisvoorzieningen hebben moeten betreffen, met inbegrip van fiscale en andere financiële regelingen die verder gaan dan 'ordinaire' kinderbijslag. Dit mede in het licht van artikel 4 Kinderrechtenverdrag (maximale inspanningsplicht van elk land) en zeker ook van artikel 19 van het verdrag (preventie en uitbanning van kindermishandeling).' (Pedagogiek, juni 2004, p. 205).
Vrouwenverdrag
Ook in het VN Vrouwenverdrag (1979, door Nederland bekrachtigd in 1991) vindt men respectivelijk opvoedkundige informatie als door staten te operationaliseren recht, en de combinatie van arbeid en zorg als door staten te operationaliseren plichtrecht van beide ouders.
Artikel 10, aanhef en onder h:
'De staten (...) nemen alle passende maatregelen om (...), op basis van gelijkheid van mannen en vrouwen, het volgende te gaanderen: (...) toegang tot bijzondere informatie van opvoedkundige aard, die kan bijdragen tot het waarborgen van de gezondheid en het welzijn van het gezin, met inbegrip van informatie en advies inzake geboorteregeling.'
De Memorie van toelichting van de WMO bevat de volgende uiteenzetting over Prestatieveld 2 van de WMO.
Artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 2°
'Het beleidsterrein 'op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden' heeft betrekking op de in een gemeente wonende jeugdigen – en in voorkomende gevallen hun ouders – bij wie sprake is van een verhoogd risico als het gaat om ontwikkelingsachterstand of uitval zoals schooluitval of criminaliteit, maar voor wie zorg op grond van de Wet op de jeugdzorg niet nodig is dan wel voorkomen kan worden. Dit beleidsterrein geldt als aanvulling op in andere wetgeving, zoals de Wcpv en de Leerplichtwet, vastgelegde taken.
Het ligt voor de hand dat de gemeenten bij dit beleidsterrein aansluiting zoeken bij de door VNG, IPO, Rijk en MO-groep overeengekomen functies van het preventief jeugdbeleid die er op lokaal niveau tenminste moeten zijn. Naast de onder artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 3°, vallende functie «informatie en advies», betreft dit de functies 'signaleren van problemen', 'toegang tot het hulpaanbod', 'licht-pedagogische hulp' en 'coördinatie van zorg'. De regering verwijst hiervoor naar de brief van de Staatssecretaris van VWS aan de Tweede Kamer van 13 oktober 2004 (Kamerstukken II 2004/05, 28 606, nr. 24).
Bij de functie 'signalering' gaat het bijvoorbeeld om de coördinatie tussen signalerende instanties. De functie 'toeleiding tot het hulpaanbod' heeft betrekking op het totale lokale en regionale hulpaanbod, zoals vroeg- en voorschoolse educatie, onderwijsachterstands- en HALT-voorzieningen. Bij 'pedagogische hulp' gaat het om het bieden van opvoedingsondersteuning aan ouders en gezinnen waar problemen zijn of dreigen te ontstaan, en om schoolmaatschappelijk werk. 'Coördinatie van zorg' betreft het afstemmen en zo mogelijk bundelen van zorg in het geval dat meerdere hulpsoorten nodig zijn om een jeugdige of gezin te ondersteunen voorzover deze niet reeds onder de Wcpv (basistaken jeugdgezondheidszorg) is gebracht.'
Bron
'Memorie van toelichting, WMO', Tweede Kamer, vergaderjaar 2004–2005, 30 131, 1 juni 2005, nr. 3, p. 24-25.
'Opvoedondersteuning moet gewoner worden en sociaal geaccepteerd: het moet vanzelfsprekend en niet raar zijn dat ouders bijvoorbeeld bij hun eerste kind opvoedcursussen volgen. Dit soort 'steun-vooraf' helpt ouders om te gaan met gedrag van hun kind.' Dit schrijft staatssecretaris Ross in de 'Nota Gezinsbeleid'. (p. 12) In een mondelinge toelichting (Radio 1 Journaal) zei Ross dat in de toekomst elk ouderpaar bij de geboorte van het eerste kind een opvoedcursus krijgt aangeboden.
Het gezinsbeleid van het kabinet kent twee kernpunten: Gezinnen ondersteunen door gunstige randvoorwaarden en ingrijpen in situaties die de rechten en ontwikkelingsmogelijkheden van het kind bedreigen.
De nota behandelt vijf thema's:
Trends
Als trends bij het gezin beschrijft de nota sociaal-demografische, -culturele, en -psychologische ontwikkelingen.
Opvoedingsondersteuning als vanzelfsprekendheid
Het thema opvoedondersteuning is nog steeds een beetje taboe. Dat geldt ook voor het hebben van problemen met de opvoeding. Opvoedondersteuning moet gewoner worden en sociaal geaccepteerd: het moet vanzelfsprekend en niet raar zijn dat ouders bijvoorbeeld bij hun eerste kind opvoedcursussen volgen. Dit soort 'steun-vooraf' helpt ouders om te gaan met gedrag van hun kind en bevordert het onderlinge gesprek tussen ouders over het opvoeden. (...) Het kabinet wil het bereik van opvoedondersteuning de komende jaren daarom verbeteren. Iedereen moet deze hulp kunnen vinden. (p. 12)
Centrum voor Jeugd en Gezin
Het kabinet wil dat gemeenten de regie nemen om per wijk of gemeente een centraal punt te vormen voor alle vragen van gezinnen over opvoeden en opgroeien, een Centrum voor Jeugd en Gezin. De jeugdgezondheidszorg moet hierin de spil zijn. (...) Dit bureau moet worden uitgebreid met andere functies op het gebied van jeugd en gezin en voor jongeren tot minimaal 19 jaar. Er moet een instantie zijn waar jongeren en gezinnen terecht kunnen en die hen bijstaat als er problemen ontstaan. (p. 12)
Drang en dwang in de opvoedondersteuning
Meestal zoeken ouders en jeugdigen met problemen zelf wel hulp. Zijn ouders ongemotiveerd of weigeren ze hulp bij het opvoeden, terwijl kinderen grote risico's lopen, dan mogen de overheid en hulpverleners niet werkeloos toezien. (...) Engels evaluatieonderzoek laat zien dat ouders programma's voor opvoedondersteuning waarderen en als steun zien. Het maakt daarbij geen verschil of de ouders vrijwillig deelnemen of dit doen op last van de rechter. Verplichte opvoedondersteuning is in Nederland wettelijk mogelijk. De ondertoezichtstelling (ots) biedt de gezinsvoogdij ruimte voor een aanwijzing.(p. 13)
Huiselijk geweld en aanpak kindermishandeling
Kinderen moeten kunnen opgroeien in een veilige en stabiele gezinssituatie. In sommige gezinnen verstoort huiselijk geweld die veilige en stabiele situatie echter. Huiselijk geweld kan zich uiten in partner-/relatiegeweld, kindermishandeling en mishandeling van ouders. (…) De rijksoverheid voert in 2007 ook een publiekscampagne om de boodschap uit te dragen dat huiselijk geweld fout is en op geen enkele manier te rechtvaardigen. (p. 14)
Meer aandacht voor kind bij echtscheiding
Het toenemend aantal echtscheidingen in Nederland heeft ook gevolgen voor het gezin. De overheid houdt zich daarom, in het belang van het kind, de laatste tien jaar meer en meer bezig met scheidingsproblematiek. Daarin krijgt bemiddeling een steeds grotere rol. Daarnaast is het zogeheten 'ouderschapsplan' dat zeer waarschijnlijk wordt ingevoerd, een belangrijke stimulans voor ouders om goede afspraken te maken over de positie van kinderen na de scheiding. (p. 15)
Ouders en school
De basis voor een goede ontwikkeling van kinderen ligt thuis. (…) Kinderen hebben baat bij goede contacten tussen school, ouders en leerlingen. Dat werkt door in de kwaliteit van een school en in de leerprestaties en de maatschappelijke ontwikkeling van de leerling. (…) Kinderen hebben baat bij goede contacten tussen school, ouders en leerlingen. Dat werkt door in de kwaliteit van een school en in de leerprestaties en de maatschappelijke ontwikkeling van de leerling. (p. 17) Kinderen hebben baat bij goede contacten tussen school, ouders en leerlingen. Dat werkt door in de kwaliteit van een school en in de leerprestaties en de maatschappelijke ontwikkeling van de leerling. mogelijkheden voor opvoedondersteuning voor ouders van kinderen die de voorschoolse voorziening bezoeken. De behoefte aan opvoedcursussen in de brede school wordt binnenkort onderzocht. (p. 18)
De Nederlandse taal: jong geleerd, oud gedaan
Het niet goed beheersen van de Nederlandse taal werkt de integratie in de samenleving tegen. Nederlands spreken, verstaan en schrijven is immers een belangrijke voorwaarde voor een goede sociale en economische positie. (…) De betrokkenheid van ouders is gewaarborgd in de Taallijn VVE, onder meer aan de hand van een gezinsportfolio. (...) Er komt binnenkort een cursus waarin ouders leren hoe zij de taalontwikkeling van hun kind kunnen stimuleren door interactief voor te lezen, hun kind nieuwe woorden te leren en door veel te praten met hun kind. (p. 19)
Gezin als wegbereider naar verantwoord burgerschap
Het gezin heeft een centrale rol bij het vormen van waarden en normen. Het gezin is het eerste, meest indringende sociale verband voor het opvoeden en verzorgen van kinderen. Algemene noties van waarden, normen en acceptabel gedrag vormen zich in de eerste plaats in het gezin. (p. 21)
Financiële situatie van gezinnen
In de nota is te lezen dat 'De overheid ouders op minimumniveau meer compenseert in de uitgaven voor kinderen dan huishoudens met een hoger inkomen. De overheid de uitgaven voor eenoudergezinnen op minimumniveau volledig compenseert. Dit komt vooral doordat deze groep twintig procent meer bijstand krijgt.' (p. 26)
Gezinsagenda 2007 en verder
De gezinsagenda van het kabinet richt zich voor 2007 en verder op onder andere:
Bron
Ministerie van VWS. Nota gezinsbeleid: staalkaart van gerealiseerde ambities en doorkijkje naar toekomst. Den Haag: Ministerie van VWS, 31 maart 2006.
In verschillende nota´s over jeugd heeft de rijksoverheid in de jaren negentig van de vorige eeuw aandacht besteed aan opvoedingsondersteuning, waaronder:
Naast het benoemen van opvoedingsondersteuning in diverse nota´s heeft het ministerie van VWS (daarvoor het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur) midden jaren negentig een zevental experimenten opvoedingsondersteuning laten opzetten en onderzoeken. Ook heeft zij de ontwikkeling en invoering van 'Opstap Opnieuw', een programma voor voor- en vroegschoolse educatie, mogelijk gemaakt.
In de tweede helft van de jaren negentig besteedde het ministerie van Justitie veel aandacht aan de mogelijkheden van opvoedingsondersteuning als preventie voor jeugdcriminaliteit.
In 'Ontheemd ouderschap' (2008) onderscheidt Margreth Hoek vier beleidsverhalen over opvoedingsondersteuning: een ontplooiingsverhaal, een gelijke kansenverhaal, een preventieverhaal, en een controleverhaal.
Het kabinet Kok omschreef de verantwoordelijkheid van de overheid in 2002 als volgt: 'Kort samengevat heeft volgens dit kabinet de overheid tot taak voorwaarden te scheppen op basis waarvan ouders hun opvoedingsverantwoordelijkheid, indien noodzakelijk, ondersteund kunnen zien. Ook wanneer zij hun zorgtaken willen combineren met werk. Daar waar het opgroeien en opvoeden met problemen gepaard gaat, vindt het kabinet dat de overheid gezinnen en jeugdigen ondersteuning en begeleiding moet bieden. Wanneer de rechten en ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen in het gedrang komen dient de overheid actief begeleiding in te zetten en zonodig in te grijpen.' (VWS, Jeugd op de agenda. Kabinetstandpunt over het organiseren van opvoeding en ontwikkeling van jeugd. 2002)
In het regeerakkoord 'Meedoen, meer werk, minder regels' (2003) benadrukte het kabinet Balkenende II de plaats van opvoedingsondersteuning in de jeugdzorg: 'Er moet een systeem van jeugdzorg zijn, waarin bij probleemsituaties tijdig ondersteuning wordt geboden en adequaat wordt ingegrepen om ernstige schade te voorkomen (opvoedingsondersteuning, gezinscoaches).' De komende regeerperiode wordt er voor intensieve opvoedingsondersteuning meer geld uitgetrokken.
In 'Ontheemd ouderschap' (2008) onderscheidt Margreth Hoek vier beleidsverhalen over opvoedingsondersteuning: een ontplooiingsverhaal, een gelijke kansenverhaal, een preventieverhaal, en een controleverhaal
Het beleidsverhaal dat afgeleid kan worden uit het advies 'Opvoeding ondersteund ' van de Raad voor het Jeugdbeleid (1986) schetst een beeld van ouders en hun drieledige behoeften: ouders willen zich persoonlijk ontplooien, participeren in de maatschappij en verantwoordelijke ouders zijn. Persoonlijke ontwikkeling en participatie ziet de raad als voorwaarde voor verantwoord ouderschap. Deze ontplooiing dient echter wel ten dienste te staan van de samenleving. De vraag van ouders is het centrale argument in het ontplooiingsverhaal. De vraag van ouders moet er ook voor zorgen dat ouders niet worden bevoogd door overheid en deskundigen.
In het gelijke kansenverhaal (jaren jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw) zijn allochtone jongeren de doelgroep. De kern van het gelijke kansenverhaal is dat onderwijssucces belangrijk is in de hedendaagse samenleving. Onderwijs krijgt de rol van gelijkmaker, het maakt sociale mobiliteit mogelijk en bevordert meer materiële gelijkheid tussen burgers. In dit beleidsverhaal wordt gesteld dat de resultaten van de opvoeding van bepaalde ouders niet voldoen. Denkbeelden over een wenselijke opvoeding worden verbonden met klasse en etniciteit, want hoger opgeleide ouders zouden de ontwikkeling van hun kinderen (door middel van spel) beter stimuleren. Voor de overheid is dit aanleiding om het opvoedkundige gedrag van de laagopgeleide allochtone en autochtone ouders te beïnvloeden.
Het preventieverhaal (zie bv. 'Naar een solide basis', 1988) heeft de uitval van jongeren als beleidsprobleem. Uitval heeft een persoonlijke en een maatschappelijke kant. De persoonlijke kant betreft kwetsbare jongeren die gedragsproblemen zouden kunnen ontwikkelen. Mogelijke maatschappelijke overlast en criminaliteit zijn onderdeel van de maatschappelijke kant. Het ontstaan van uitval wordt in verband gebracht met overbelaste gezinnen. Opvoedingsondersteuning aanbieden zou mogelijk deze problemen helpen voorkomen. In het preventieverhaal impliceert het aanbod opvoedingsondersteuning een betrokkenheid bij de opvoedpraktijk in overbelaste gezinnen: de overheid is niet langer een buitenstaander, zij wil dat overbelaste ouders steun krijgen aangeboden.
In het controleverhaal is opvoeding een taak waarin ouders hun maatschappelijke verantwoordelijkheid ten aanzien van jeugdcriminaliteit
moeten waarmaken. Impliciet is grootbrengen van kinderen een aspect van burgerschap. De betooglijn van het controleverhaal is gebaseerd op de verwachting dat ouders hun kinderen grootbrengen tot rechtgeaarde burgers. Het idee is dat ouders dit ook doen als zij doordrongen zijn van deze verantwoordelijkheid en ook de juiste opvoedkundige vaardigheden bezitten. Ideeën over opvoedend burgerschap hebben invloed op de mate van opvoedingsvrijheid van ouders. De overheid kan ouders aanspreken op hun opvoedverantwoordelijkheid en hen opvoedingsondersteuning aanbieden.
Als alternatief presenteert Hoek een beleidsverhaal dat opvoeden gezien kan worden als leerproces. Het grootbrengen van het kind leren ouders in de dagelijkse praktijk. Het hebben van vragen, en faalervaringen horen daarbij. Opvoeden als sociale gezinspraktijk heeft een open karakter; deze kan veranderen en een andere invulling krijgen.
Over het overheidsbeleid schrijft Hoek: Naast het toekennen van rechten en het stimuleren van kennisontwikkeling over ouderschap en opvoeding, kan het overheidsbeleid over ouderschap zich richten op drie punten:
M. Hoek (2008), ‘Ontheemd ouderschap. Betekenissen van zorg en verantwoordelijkheid in beleidsteksten opvoedingsondersteuning 1979 – 2002’ . Amsterdam: SWP.
'Het kind moet centraal staan in het jeugdbeleid, en niet de instanties zoals nu het geval is. stelt Steven van Eijck in het advies van Operatie Jong 'Koersen op het kind'. Het jeugdbeleid moet efficiënter door duidelijke verantwoordelijkheden, minder betrokken partijen en minder bureaucratie, vindt Van Eijck. De verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg moet van de provincies naar de gemeenten en ook terug naar de rijksoverheid.
Verder adviseert hij het kabinet in elke wijk een Centrum voor Jeugd en Gezin te creëren. In die centra werken alle mensen en instellingen samen, die met kinderen te maken hebben. Ouders kunnen er terecht met kleine en grote problemen, door de intensieve samenwerking worden ze snel geholpen of doorverwezen naar de juiste persoon. Het centrum moet ook kunnen doorverwijzen naar gespecialiseerde jeugdhulp.
Van Eijck pleit voor een wethouder Jeugd in elke gemeente die verantwoordelijk is voor het jeugdbeleid; zowel voor de preventieve taken, zoals opvoedingsondersteuning, als de gespecialiseerde, zwaardere jeugdzorg. Nu is de provincie verantwoordelijk voor de bureaus jeugdzorg die de zwaardere vormen van jeugdzorg coördineren.
Een minister voor Jeugd zou in een volgend kabinet verantwoordelijk zijn voor de samenhang in het jeugdbeleid en het integrale toezicht.
De nota bevat 25 aanbevelingen, onder andere:
Bron
S. van Eijck. Koersen op het kind. Deel 1
. Den Haag: Operatie Jong, 26 april 2006.
Najaar 2004 kreeg de Inventgroep van het ministerie van VWS de opdracht om op basis van onderzoek van de nationale en internationale wetenschappelijke literatuur voorstellen te doen voor instrumenten en procedures omproblemen in het opvoeden en opgroeien tijdig te signaleren, voorstellen te doen voor effectief gebleken interventies en voor een infrastructuur waarin signalering en interventie effectief en efficiënt kunnen plaatsvinden. September 2005 bracht de Inventgroep bestaand uit: Jo Hermanns, hoogleraar UvA, Guus Schrijvers, hoogleraar UU, en Ferko Öry, TNO-PG, het rapport uit ‘Helpen bij opgroeien en opvoeden: eerder, sneller en beter’. Hun voorstellen baseren ze op een nationaal, maar vooral internationaal literatuur onderzoek en contacten met een aantal toonaangevende internationale onderzoekers.
Na een algemeen inleidend hoofdstuk 1 over aard en omvang van gedrags- en opvoedproblematiek gaat hoofdstuk 2 in op de begrippen risicofactoren, risicoprocessen en strategieën van signaleren. In hoofdstuk 3 wordt een signaleringsinstrumentarium voorgesteld. Hoofdstuk 4 beschrijft de overgang van signalering naar vroegtijdige interventies. Hoofdstuk 5 bespreekt de uitgangspunten van ‘evidence based interventies’. In hoofdstuk 6 worden concrete interventieprogramma’s voorgesteld. In hoofdstuk 7 worden enkele opmerkingen gemaakt over de minimale infrastructuur die nodig is om de voorstellen uit de voorafgaande hoofdstukken te kunnen uitvoeren. Het laatste hoofdstuk (hoofdstuk 8) bevat enkele beschouwingen over implementatievraagstukken.
Voorstellen voor instrumenten vroegsignalering
De Inventgroep stelt vast dat signaleren in beginsel een taak is voor een ieder die met kinderen en ouders omgaat. In het rapport worden een twintigtal, meest buitenlandse, signaleringsinstrumenten opgesomd. Implementatie wordt aanbevolen. Ook de Nederlandse instrumenten ‘Vragenlijst Behoefte aan onvervulde behoefte aan opvoedingsondersteuning’ (VOBO) (die Halt nu gebruikt) en het ‘Protocol Samen Starten’ vereisen nog verder onderzoek. De Inventgroep geeft als aanbevelingen vroegsignalering:
Voorstellen voor interventies
De Inventgroep stelt vast dat wereldwijd een redelijke consensus is ontstaan over de noodzaak van vroegtijdig ingrijpen boven interventies op latere leeftijd. De Inventgroep noemt zeven criteria van effectieve interventies. Er worden ruim twintig, meest buitenlandse programma’s voorgesteld. Implementatie wordt aanbevolen. Twee van deze in het buitenland als effectief beoordeelde interventies zijn al in Nederland (soms gedeeltelijk) getest, namelijk de programma’s Taakspel en Kaleidoscoop (Perry Preschool Project), en enkele ervan zijn in ontwikkeling, namelijk de programma’s VoorZorg, (Nurse-Family Partnership), Triple P, Parent Management Training Oregon en Incredible Years.
Professioneel- inhoudelijke randvoorwaarden
De Inventgroep is van mening dat signaleringsinstrumenten en interventies eerst valide respectievelijk effectief moeten zijn gebleken alvorens invoering in de praktijk toegestaan is. De onderzoekers dringen er op aan om meer dan nu het geval is gebruik te maken van het vaak zeer uitgebreide en zorgvuldige werk dat internationaal in de ontwikkeling van en onderzoek van instrumenten en interventies is gestoken. Het in Nederland geheel nieuw ontwikkelen van instrumenten en interventies of het introduceren van buitenlandse interventies die nog niet doorontwikkeld en goed onderzocht zijn, zal naar de mening van de Inventgroep meer tijd en geld kosten dan het aansluiten bij de omvangrijke internationale expertise.
De professionele uitvoering van signalering en interventie vraagt specifieke competenties van vele professionals. De Inventgroep beveelt aan een nationaal programma voor deskundigheidsbevordering op dit terrein op te zetten. Daarnaast wordt aanbevolen het thema ‘het signaleren van zorgwekkende opvoedingssituaties’ onder te brengen in het curriculum van de opleidingen van professionals die met kinderen in aanraking komen zodat de kennis in de professionals zélf verankerd is.
Randvoorwaarden in de infrastructuur
De Inventgroep beschrijft verder een aantal organisatorische voorwaarden, onder andere:
Op basis van een internationale literatuurstudie van Spreeuwenberg (2005) noemt de Inventgroep tien voorwaarden voor optimale uitvoering van vroegtijdige signalering preventieve interventies en daarop aansluitende zorg- en dienstverlening
Centra voor jeugd en opvoeders
Verder wordt voorgesteld om door te gaan met de oprichting van netwerken van kleinschalige centra in stadwijken en in plattelandsgebieden: een bundeling en ‘upgrading’ van functies. Als ‘werktitel’ gebruikt de Inventgroep in dit rapport de naam Centra voor Signalering, Interventies en Coördinatie voor jeugd en opvoeders (CSICJO’s). Taken zijn:
Geen structuurverandering: samenwerken
Bij deze rij activiteiten stelt de Inventgroep voor dat de ’CSICJO’s werken voor de leeftijdsgroepen vanaf de zwangerschap tot 19 jaar. Deze centra werken nauw samen het onderwijs (bv met de Zorg en Advies teams). De centra zullen op het terrein van de toegang tot jeugdzorg en GGZ hun werkzaamheden met die van het Bureau jeugdzorg voor een deel moeten integreren. De Inventgroep is geen voorstander van structuurveranderingen. Ervaringen elders leren 'dat structuurwijzigingen op korte termijncontraproductief werken voor het stimuleren van innovaties in werkprocessen van professionals. (...) Dat betekent, dat de door ons voorgestelde CSICJO’s alleen van de grond komen als lokale actoren daarachter staan.'
Task Force
De Inventgroep stelt tot slot voor om een ‘Task Force Implementatie Signaleren en Interveniëren’ in te stellen, die een geïntegreerd plan voor invoering van de voorstellen, deskundigheidsbevordering, wetenschappelijk onderzoek en certificering dient op te stellen.
Bron
Hermanns, J., Schrijvers, G. & Öry, F. Helpen bij opgroeien en opvoeden: eerder, sneller en beter. Utrecht: Inventgroep, 2005.
Ouders krijgen meestal weinig erkenning als het goed gaat met hun kinderen. Maar als het met de kinderen niet zo voorspoedig gaat - bijvoorbeeld wanneer ze gedragsproblemen vertonen of zich crimineel gedragen – wordt al gauw met een beschuldigende blik gekeken naar de ouders. Dat is hoe dan ook ten onrechte: ook andere volwassenen, zoals de mensen op school, bij de sportclub, in de buurt of in de jeugdzorg, spelen hierin een rol. Bovendien is er eenoverheidsbeleid dat mede van invloed is op de opvoeding van kinderen.
Dat zegt de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) in het advies Aansprekend Opvoeden.
Het kabinet vroeg de RMO om advies over de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van het gezin naar andere opvoeders. In het advies stelt de RMO dat er een gat gevallen is in de pedagogische infrastructuur. De Raad verstaat onder deze infrastructuur het conglomeraat van ouders, gezinnen, scholen, kindercentra, buurten, clubs en verenigingen. Door tal van maatschappelijke ontwikkelingen zijn bestaande kaders verdwenen zonder dat er nieuwe voor in de plaats zijn gekomen.
In het rapport wordt aangegeven dat gezinnen het eerste opvoedingsmilieu voor kinderen vormen. Bij de presentatie van het advies noemde professor M. de Winter ouders de spin in het web. Omdat er gaten in het opvoedingsnetwerk zijn gevallen, moet er een beleid komen waarin de hiaten worden opgevuld. Burgers, instellingen en overheden moeten de opvoeding als een gedeelde verantwoordelijkheid gaan zien. De RMO staat een nieuwe pedagogische infrastructuur voor door:
De RMO formuleert onder meer als concrete aanbevelingen:
De uitgave Aansprekend opvoeden bestaat uit een relatief kort advies met als bijlagen een basisdocument en een aantal voorstudies. In het basisdocument biedt A. Baas een uitgebreide literatuurstudie over opvoeding, onderwijs en samenleving. In andere bijlagen wordt uitvoerig ingegaan op de relatie tussen ouders en school.
Na de overhandiging van het rapport aan staatssecretaris Vliegenthart gaf zij als reactie dat het advies het regeringsbeleid ondersteunt. Ze nam afstand van de opvattingen over het ‘pedagogisch gat’. ‘Misschien praten we elkaar onzekerheid aan en hebben we nog veel waarden die we vanzelfsprekend met elkaar delen.’ Ze onderstreepte de relevantie van de pedagogische verantwoordelijkheid van ieder en allen: ouders, burgers, beroepskrachten, instellingen en overheden. Vliegenthart pleitte met name voor een grotere deelname aan sportclubs, waar je leert om je aan regels te houden, respect te hebben voor de ander en om te gaan met winst en verlies. Terzijde merkte ze op dat ze in het advies een uitwerking van de pedagogische verantwoordelijkheid van de media miste.
Bron
Aansprekend opvoeden. Balanceren tussen steun en toezicht. Den Haag: RMO, 2001. Het advies is te downloaden via de site van de RMO.
Gezinnen, gezinsleden, functioneren in het geheel van de samenleving; en daarom zijn vrijwel alle aspecten van beleid van invloed op gezinnen. Om de term gezinsbeleid hanteerbaar te houden verdient het de voorkeur enige beperking aan te houden; anders wordt het een containerbegrip.
Onder het 'gezin' verstaan we de samenlevingsvorm waarbij de combinatie van meer dan een generatie essentieel is: minstens één ouder en één kind , met tussen deze twee generaties een zorgafhankelijkheid.
Onder 'impliciet' gezinsbeleid kan alles worden begrepen wat zijn weerslag heeft op gezinnen zonder dat het uitdrukkelijk op de gezinnen is gericht. 'Expliciet' gezinsbeleid is beleid dat zich bewust op gezinnen als doelgroep richt.
Expliciet gezinsbeleid kan worden onderscheiden in algemeen en specifiek gezinsbeleid.
Algemeen gezinsbeleid
Algemeen gezinsbeleid heeft betrekking op álle gezinnen en op álle kernfuncties van het gezin. Onderzoek leert dat integraal beleid vaak een voorwaarde en een basis vormen om specifiek beleid te kunnen realiseren. (zie bv. K. Duckworth, 'Influences on attainment in primary school interactions between child, family and school contexts'. Notingham: DCSF, 2008).
Specifiek gezinsbeleid
Specifiek gezinsbeleid richt zich op gezinnen met problemen; problemen die kinderen en ouders ervaren, problemen in de situationele randvoorwaarden. Kinderen en ouders met ernstige ziekten of handicaps, ouders en kinderen met onvoldoende competenties, gezinnen die sociaal-maatschappelijke problemen ervaren, armoede, werkloosheid, desintegratie, slechte woon- en leefomgeving. Zij behoeven extra medische zorg, extra aandacht op kindercentrum en school, opvoedingsondersteuning en jeugdzorg, extra faciliteiten en regelingen. Gezinnen met problemen krijgen politieke prioriteit. Specifiek gezinsbeleid vraagt beleid op maat. Dreigende problemen bij kwetsbare gezinnen vragen om preventief beleid. Gezinnen met actuele problemen behoeven - zo snel als mogelijk is - speciale aandacht en hulp.
Doelstellingen voor gezinsbeleid kunnen volgens De Hoog en Hooghiemsta (in ‘Gezinsbeleid uit de kinderschoenen’, 2006) worden onderscheiden in:
Het gezin vervult verschillende functies of taken. Er zijn verschillende indelingen in omloop. Hier onderscheiden we vijf kernfuncties:
Deze taak duidt op de doelstelling het worden van een gezin in casu het krijgen van kinderen. Het nemen van kinderen is een privébeslissing, maar heeft grote invloed op de samenleving. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het een voorwaarde voor de continuïteit (of reproductie) van een samenleving. Immers als er geen kinderen meer geboren zouden worden zou ook die samenleving ophouden te bestaan. In minder extreme vorm gaat het vraagstukken van ontgroening en vergrijzing of overbevolking en daarmee gepaard gaande macro economische en sociale vraagstukken. Het nemen/krijgen van kinderen, en het kindertal in gezinnen, is niet gelijk verdeeld over de bevolkingsgroepen. Zo is het een gegeven dat – al sinds langere tijd – 20 procent van de hoogopgeleide vrouwen geen kinderen krijgen en dat hoger opgeleide vrouwen op steeds latere leeftijd kinderen krijgen. Het kindertal in allochtone gezinnen was hoger dan bij de autochtone gezinnen; maar de verwachting is dat dit vrij snel gelijk zal gaan lopen. Bijzondere kennisthema’s zijn:
Het gezin heeft een sterke sociale functie, ouders houden normaliter van elkaar en van hun kroost (en andersom) en hebben zorg voor elkaar. Naast huishoudelijk werk gaat het om het vervullen van de zorg voor gezondheid en voeding, lichamelijke en emotionele behoeften, zorg bij ziekte, zwangerschap en geboorte, veiligheid en zekerheid, sociaal contact, waardering en zelfontplooiing. Veel gezinnen (vooral ook allochtone gezinnen) hebben daarnaast ook nog zorgtaken voor familieleden, c.q. verrichten van mantelzorg. Gezinnen met (chronisch) zieke kinderen of ouders (en familieleden waarvoor zij zorgtaken verrichten) en/of met een lichamelijke of geestelijke handicap of die kampen met psychiatrische of verslavingsproblematiek hebben extra zorgbehoeften. Specifieke thema’s op dit onderdeel zijn:
Een van de belangrijkste taken van het gezin is de opvoeding van kinderen. Ouders dienen daartoe te beschikken over basale opvoedingsvaardigheden, zoals het kunnen communiceren met je kind, het kunnen inspelen op de behoeften en mogelijkheden van je kind, het geven van positieve stimulans, het stellen van grenzen, het geven van veiligheid en zorgen voor veilige hechting, het volgen en begeleiden van je kind buitenshuis, in sociale contacten en aangaan en onderhouden van vriendschappen etc.. Niet alleen ouders zijn van invloed op een gezonde opvoeding en ontwikkeling maar bijvoorbeeld ook de aan- of afwezigheid van sociale hulpbronnen (sociaal netwerk, vrienden, familie e.d.), van goede sociale en pedagogische instituties als school, opvang- en vrije tijdvoorzieningen en van een veilige omgeving: buurt en samenleving. De opvoeding deelt het gezin voor een deel dus met andere pedagogische instituties: ‘It takes a village to raise a child’. Van ouders wordt ook verwacht dat zij de contacten met deze instituties onderhouden, de activiteiten en prestaties van hun kinderen volgen, kinderen halen en brengen en hun kinderen in staat stellen te participeren in voorzieningen buitenshuis. Specifieke vraagstukken in dit verband zijn:
Ouders verrichten arbeid en zorgen zo voor het gezinsinkomen. In het verleden was nog sprake van arbeidsdeling in het gezin tussen mannen en vrouwen mbt betaalde arbeid buitenshuis en huishoudelijk werk, zorg en opvoedtaken binnen het gezin. De arbeidsparticipatie van vrouwen/moeders is inmiddels sterk gestegen. Dat stelt hen voor de vraag hoe arbeid en de zorg en opvoedingstaken kunnen worden gecombineerd en/ of anders verdeeld. Gezinnen zijn ook aangewezen op specifieke regelingen als kinderbijslag en zorgverlof . Voor gezinnen zonder (of onvoldoende) inkomen uit arbeid zijn aanvullende uitkeringen noodzakelijk (sociale zekerheid). Een ouder gezinnen en gezinnen rond en onder het bestaansminimum zijn extra kwetsbaar. Specifieke thema’s zijn:
Gezinsleden participeren in sociale en maatschappelijke activiteiten buitenshuis: sport, cultuur, vriendenclubs, verenigingsleven, c.q. vrijwilligerswerk etc. Daarmee zijn ook vraagstukken verbonden als:
Al deze taken vragen nogal wat van gezinnen (ouders en kinderen). Ze moeten deze taakgebieden niet alleen goed uitvoeren maar ze ook nog eens goed zien te combineren. Dat vereist een goede organisatie van het gezin maar ook specifieke vaardigheden van de gezinsleden.
De onderbouwing van de onderlinge verwevenheid van deze functies vraagt nadere studie (bv. vanuit de concepten ‘burgerschap’, ‘sociale cohesie’, ‘participatie’, sociaalecologische infrastructuur’, ‘huishouden’, ‘welbevinden’).
Voor literatuursuggesties zie de literatuurlijsten:
Braat, D. e.a. (2008):
'Versterking voor gezinnen' Zorg in familieverband. Preadvies over zorgrelaties tussen generaties. Raad voor de Volksgezondheid & Zorg.
Brink, G. van den (1999):
Trends in gezinsonderzoek. Tien jaar onderzoek in Nederland nader bekeken. Assen: Van Gorcum.
Brinkgreve, C. , Velde, E. ten (2006):
Wie wil er nog moeder worden, Augustus, Amsterdam.
Bussemaker, J. (1997):
Overheid, gezin en sekse. Naar een nieuwe consensus. Jaarboek Gezinsbeleid. Den Haag: Nederlandse Gezinsraad.
CDA (1997):
De verzwegen keuze van Nederland. Naar een christen-democratische familie- en gezinsbeleid. Den Haag: Wetenschappelijk Instituut voor het CDA.
Cuyvers, P. (2008):
Het proletarische gezin. De opkomst van de vrouwelijke kostwinner. Schiedam: Scriptum.
Cuyvers, P., A. Kampstra (1996):
Onderzoek naar primaire leefvormen: thema’s en trends’. In SWIDOC NGR, Primaire leefvormen. Deel III. Amsterdam.
Cuyvers, P. (1994):
Moderne gezinnen of het afscheid van de standaardlevensloop. Amsterdam: PvdA.
Distelbrink, .M., N. Lucassen en E. Hooghiemstra (2006):
Gezin Anno Nu, Den Haag: Nederlandse Gezinsraad.
Dykstra, P., M. Kalmijn, T. Knijn, A. Komter, A. Liefbroer, C. H. Mulder (2006):
Family solidarity in the Netherlands. Amsterdam: Dutch University Press.
Engelen, Th. (2009):
Van 2 naar 16 miljoen mensen. Amsterdam: Boom, 213 p. ISBN 978 90 850 6713 9.
E-Quality (2008):
Nieuwe gezinnen; scheidingen en de vorming van stiefgezinnen, Den Haag.
E-Quality (2008):
Gezinnen van de toekomst – Cijfers en trends, E-Quality, Den Haag,
E-Quality (2008):
Opvoeding en opvoedingsondersteuning, Gezinnen van de Toekomst, Den Haag.
Garssen; J., J. de Beer; P. Cuyvers; A. de Jong (2001):
Samenleven : nieuwe feiten over relaties en gezinnen. Voorburg : Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), 2001.
Hintum, M. van, en J. Latten, (2008):
Liefde a la carte. Trends in moderne relaties. Amsterdam: Archipel.
Hofstee , E . ( 1981):
Korte Demografische Geschiedenis van Nederland van 1800 tot Hede. Haarlem: Fibula-Van Dishoeck
Hoog, C. de (2003):
Opgaan, blinken, verzinken en uit de as herrijzen. Gezinnen, gezinssociologie en gezinsbeleid 1946-2003. Inaugurale rede prof. dr. C. de Hoog, 22 mei 2003, Wageningen Universiteit.
Hooghiemsta, E., J. Smets, J. den Hartog (2008):
Onderzoeksinventarisatie Jeugd en Gezin. Tilburg: PON.
Jonker, J. (1985):
Enkele algemene ontwikkelingen in de gezinssociologie in de jaren zeventig, in: C. Corver e.a. (red.), Primaire lefvormen: ontwikkelingen in theorieën, onderzoeken en problemen in de jaren zeventig, Amsterdam.
Karsten, L., Reijndorp, A., Zwaard J. van der (2006):
Smaak voor de stad: een studie naar de stedelijke woonvoorkeur van gezinnen, onderzoek in opdracht van VROM, KNAW en NWO.
Kennisplatform Verkeer en Vervoer (2008):
Bewegen, verplaatsen en spelen – Inspiratie voor kindvriendelijke wijken, Rotterdam.
Keune, C. (1991):
Trendstudie onderzoek primaire leefvormen 1986-1990. Amsterdam.
Kooy, G. (1985):
Gezinsgeschiedenis. Vier eeuwen gezin in Nederland. Assen: Van Gorcum.
Kooy, G.A. (1967)
Het modern-Westers gezin. Paul Brand: Hilversum.
Knijn, T. (2003):
Social and Family Policy. The Case of the Netherlands. Universiteit Utrecht.
Leeuwen,L. van (1976):
Het gezin als sociologisch studie-object: een historisch overzicht van de ontwikkelingen van een sub-discipline, special met het oog op de situatie in Nederland. Wageningen.
Merz, E-A. (2008):
Caring for your loved ones? An attachmment perspective on solidarity between generations. Proefschrift VU, 15 september 2008.
Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijke Werk (1978):
Algemeen gezinsbeleid in Nederland. (1978). Den Haag: Ministerie van CRM.
Ministerie voor Jeugd en Gezin (2008):
De kracht van het gezin, Nota gezinsbeleid 2008’. Programmaministerie voor Jeugd en Gezin, 2008.
Ministerie van VWS (2006):
Nota gezinsbeleid. Den Haag: Ministerie van VWS
Ministerie van VWS (1996)
Notitie gezin, de maatschappelijke positie van het gezin. Rijswijk: Ministerie van VWS. Tweede Kamerstuk 1995-1996, 24 887, nr. 1.
Ministerie van CRM (1978):
Algemeen gezinsbeleid in Nederland. (factsheet). Den Haag: Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk.
NGR (2004).
Opvoeden doe je samen, Brochure. Uitgegeven bij het Gezinsparlement, 24 september 2004, Den Haag: Nederlandse Gezinsraad.
NGR (2001)
Gezin: beeld en werkelijkheid, signalement 1. Den Haag: Nederlandse Gezinsraad.
NWO (2003)
De bindende kracht van familierelaties. NWO: Amsterdam.
Pool, M., Distelbrink, M. /Lucassen, N.icole (2006):
Ouders aan het woord; hoe gezinsvriendelijk is Rotterdam? Den Haag: Nederlandse Gezinsraad.
Portegijs, Wil/Hermans, Brigitte/Lalta, Vinodh (2006):
Emancipatiemonitor 2006. Veranderingen in de leefsituatie en levensloop, Sociaal en Cultureel Planbureau, Den Haag.
RMO (2008):
Versterken van de village’, preadvies ten behoeve van de gezinsnota.
RMO (2001):
Aansprekend opvoeden. Den Haag: Raad voor de Maatschappelijke Ontwikkeling.
Raad voor de Volksgezondheid & Zorg (2008):
Zorg in familieverband, over zorgrelaties tussen generaties, Den Haag.
Rögels, N. (2004):
Levenslooppsychologie: jongvolwassenen, volwasenen en oudere volwassenen. Nelissen.
SCP (1997):
Het gezinsrapport: een verkennende studie naar gezin in een veranderende samenleving. Den Haag: SCP.
Setten, H. van (1986):
In de schoot van het gezin. Nijmegen: Sun.
Stouten, J., M. van Gent, M. Gemmeke (2008):
‘Gezinsbeleid in een internationaal kader. Een vergelijking tussen tien landen. Amsterdam: Regioplan, 2008, 127 p. Te downloaden van http://www.regioplan.nl/.
SWIDOC NGR (1996):
Primaire leefvormen. Deel 1: onderzoeksprojecten, deel II bibliografie, deel III. Amsterdam.
Zeijl, E. (2005).
Gezin en opvoeding. In: E. Zeijl, M. Crone, K. Wiefferink, S. Keuzenkamp, en M. Reijneveld, (red.). Kinderen in Nederland , p.11-36. Den Haag/Leiden: SCP/TNO.
Zeijl, E., M. Crone, K. Wiefferink, S. Keuzenkamp, en M. Reijneveld, (red.) (2005).
Kinderen in Nederland . Den Haag/Leiden: SCP/TNO.
Bundesregierung Deutschland (2008):
Familienfreundliche Gesellschaft. internetpagina > www.bundesregierung.de
Cheal, D. (1991):
Family and The State of Theory. New York: Harvester Wheatsheaf.
Cliquet, R. en D. Avramov (1999):
De toekomst van het gezin: een sociobiologisch benadering. Bevolking en Gezin, 28 (1999), 1. 1-34.
Cochrane, A. (Ed.), (1999):
Understanding The Family. London: Sage.
Commaille, J. (Ed). (1997):
The Eurapean Family. The Family Question in the European Community. Dordrecht: Kluwer Academic Publishers.
Daly, M. and S. Clavero (2000):
Contemporary Family Policy in Ireland and Europe. > www.fsa.ie .
Gauthier, A. (1996):
The State and the Family. A Comparative Analysis of Family Policies in Industrialized Countries. Oxford: Clarendon Press.
Heitkötter, M. & B. Thiessen (2008):
Familienbildung. Entwicklungen und Herausforderungen. In: H. Macha (Hrsg): Handbuch der Erziehungswissenschaften. Grundlagenband Familie – Kindheid – Jugend – Gender. Bd. 5. Paderborn: Schöningh (in press).
Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen (2008):
Gezinnen in opmars?. Gezinsbeleid in Vlaanderen 2006-2007. Brussel: Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen.
Hoxhallari, L., A. Conolly and N. Lyon (2007):
Families with children in Britain: findings from the 2005 Families and Children Study (FACS). Norwich: Departement of Work and Pensions
Kamerman, S., en A. Kahn (1978):
Families and the idea of family policy. In A. Kahn (ed), Families Policies. Government and Families in Fourteen Countries. (pp. 1-16). New York: Columbia Univesity Press.
Kind & Gezin (2008):
Het kind in Vlaanderen 2007. Brussel: Kind en Gezin.
Lödermann, A. (2008):
Alles aus einer Hand. Integrationsmodelle familienunterstützender Einrichtungen und Dienstleistungen. Ergebnisse einer explorativen internationalen Recherche. München: Deutsches Jugendinstitut. www.dji.de .
Morgan, D. H. J. (1996).
Family Connections. An Introduction to Family Studies. Cambridge: Polity Press.
Ministry of Social Affairs and Health Finland (2006):
Finland ’s Family Policy, Ministry of Social Affairs and Health Finland. (Brochure). Helsinki.
OECD (2007):
Babies and Bosses. Reconciling work and family life. A synthesis of findings for OECD countries. Paris: OECD Publications. "
National Human Services Assembly/Nassembly (2007):
Family Strengthening Writ Large: On Becoming a Nation that Promotes Strong Families and Successful Youth, National Human Services Washington DC: Assembly/Nassembly / Family Strenghtening Policy Center, USA, 2007.
Neale, B. (2000).
Theorizing Family, Kinship and Sociale Change. University of Leeds: Working paper 16 ESCR Research group on Care, Values and the Future of Welfare.
Rostgaard, Tine (2004):
Family Support Policy in Central and Eastern Europe – A Decade and a Half of Transition.
Stouten, J., M. van Gent, M. Gemmeke (2008):
Gezinsbeleid in een internationaal kader. Een vergelijking tussen tien landen’. Amsterdam: Regioplan, 2008, 127 p. Te downloaden van http://www.regioplan.nl/.
Wietholtz, A. & N. Hillard (2008):
Vertical and Horizontal Family Support Services in England. University of Oxford. (niet gepubliceerd).
Williams, E. (2004):
Rethinking Families. London: Calouste Gulbenkian Foundation.
Wingen, M. (2007):
Aufgaben der Familienpolitik. Online-Familienhandbuch des Staatsinstituts für Frühpädagogik (IFP) > www.familienhandbuch.de .
Links
De provincies en grootstedelijke regio’s zijn verantwoordelijk voor het bieden van zorg op grond van de Wet op de jeugdzorg. Dat betreft dan hulp aan jeugdigen met ernstige opgroeiproblemen en ouders met ernstige opvoedproblemen.
Bij lichtere problemen valt de ondersteuning niet onder de Wet op de jeugdzorg maar onder het lokaal preventief jeugdbeleid. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de gemeenten.
Jeugdketen
De lokaal georganiseerde opvoed- en opgroeiondersteuning en de provinciaal georganiseerde jeugdzorg zullen goed op elkaar moeten aansluiten. Het aanbod op lokaal niveau ligt soms dicht aan tegen vormen van jeugdzorg. Dit deel van het lokale jeugdbeleid vormt daarom een essentiële schakel in de 'jeugdketen'. De provincie en de gemeenten zijn samen verantwoordelijk voor een goede aansluiting tussen de jeugdzorg en het preventieve lokale jeugdbeleid.
Zowel bureaus jeugdzorg als provinciale steunfuncties helpen in veel provincies om deze aansluiting nader vorm te geven, door oude activiteiten (deelname in netwerken, deskundigheidsbevordering aan opvoedingsondersteuners, advisering van gemeenten) voort te zetten of (soortgelijke) nieuwe activiteiten te starten.
Bureaus jeugdzorg
De Wet op de Jeugdzorg bepaalt dat bureaus jeugdzorg, die onder verantwoordelijkheid van de provincies vallen, in principe geen licht ambulante hulp ofwel opvoedingsondersteuning meer bieden. Hun taak is indicaties in geval van ernstige opgroei- en opvoedproblemen te stellen. Ze zijn de toegangspoort voor de jeugdhulpverlening, jeugd-ggz, zorg voor licht verstandelijk gehandicapten en jusititiële jeugdinrichtingen. Slechts in een specifiek geval mag bureau jeugdzorg nog wel licht ambulante hulp bieden, namelijk als 'er omstandigheden zijn waardoor het klantvriendelijker is dat bureau jeugdzorg deze gesprekken zelf uitvoert'. Het gaat dan om gemiddeld 5 gesprekken binnen een half jaar.
Toekomst
Het staat bureaus jeugdzorg en provinciale steunfuncties vrij om, als gemeenten daarom vragen en ervoor betalen, preventieve activiteiten voort te zetten of te ontplooien. Daarnaast zullen provinciale steunfuncties wellicht van steeds meer gemeenten de vraag krijgen hen te ondersteunen bij opvoedingsondersteuning en zullen provincies steeds vaker subsidieaanvragen van onderliggende gemeenten krijgen. Met andere woorden: opvoedingsondersteuning blijft de aandacht hebben op provinciaal niveau, waarbij men zich naar verwachting meer zal richten op wat gemeenten willen en nodig hebben.
Meer informatie
Het is vooral in beleidsnota's op het terrein van jeugdzorg terug te lezen welke activiteiten een provincie ten aanzien van (de ontwikkeling van) opvoedingsondersteuning ontplooit. Een overzicht van deze nota's vindt u bij Beleidsstukken.
De gemeente is verantwoordelijk voor het lokaal preventief jeugdbeleid; opvoedingsondersteuning is daar een onderdeel van. Binnen het gemeentehuis zijn er wat opvoedingsondersteuning betreft dwarsverbanden met verschillende andere beleidsafdelingen van de gemeente die zich ook bezig houden met het opgroeien en opvoeden van jeugd en met opvoedingsondersteuning: jeugdgezondheidszorg, sociaal beleid, onderwijs, sport, sociaal cultureel werk, maatschappelijk werk, openbare orde en veiligheid, enzovoorts.
In jeugdbeleid en beleid opvoedingsondersteuning wordt vaak onderscheid gemaakt tussen algemeen beleid dat zich richt op de hele populatie en specifiek beleid dat zich richt op specifieke doelgroepen (jeugdigen met agressief gedrag) of op specifieke doelstellingen (preventie/voorkomen van problemen, hulpverlening) of thema's (bv. kindermishandeling). Onderzoek leert dat integraal beleid vaak een voorwaarde en een basis vormen om specifiek beleid te kunnen realiseren. Zie bijvoorbeeld: K. Duckworth, Influences on attainment in primary school interactions between child, family and school contexts
. Nottingham: DCSF, 2008.
Wettelijk kader
Dat de gemeente verantwoordelijk is voor opvoedingsondersteuning is vastgelegd in de 'Wet maatschappelijk ondersteuning (WMO)' (Prestatieveld 2). Daarnaast is in de 'Wet collectieve preventie volksgezondheid' opgenomen dat opvoedingsondersteuning een van de taken is van de jeugdgezondheidszorg, die onder gemeentelijke verantwoordelijkheid valt. Zie verder Rijksbeleid.
Gemeentelijke functies
Bij de voorbereiding van de invoering van de 'Wet op de Jeugdzorg' bleek dat verduidelijking van de gemeentelijke functies noodzakelijk was. In 2003 hebben de rijksoverheid, provincies en gemeenten daarom in overleg de volgende vijf gemeentelijke functies van het lokaal preventief jeugdbeleid vastgesteld:
Deze functies zijn opgenomen in de Wmo en de regelgeving voor de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG's). In diverse publicaties wordt uitgebreider ingegaan op de vijf gemeentelijke functies. De rijksoverheid pleit er voor om alle taken ter ondersteuning van jeugd en gezin te bundelen in zogenaamde Centra voor Jeugd en Gezin.
Wat bekostiging van de CJG's (en opvoedingsondersteuning) betreft is begin 2009 de Brede Doeluitkering Centra voor Jeugd en Gezin (BDU CJG) van kracht geworden. Gemeenten hebben een beschikking ontvangen voor de jaren 2008 tot en met 2011.
In 2009 heeft het Nederlands Jeugdinstituut de handreiking Opvoedingsondersteuning in het Centrum voor jeugd en Gezin uitgebracht. Deze biedt gemeenten inspiratie om een lokaal pakket opvoedondersteuning samen te stellen.
Adviezen
Een groep kleine, middelgrote en grote gemeenten (Rotterdam, Eindhoven, Almelo, Almere, Delft, Oude IJsselstreek en Urk) heeft onder de naam Gideonsgemeenten het initiatief genomen om gezamenlijk na te gaan hoe ze de lokale regie over opvoed- en opgroeiondersteuning beter vorm kunnen geven als onderdeel van integraal jeugdbeleid. Dat mondde in januari 2006 uit in het advies Opvoed- en opgroeiondersteuning als lokale basisvoorziening.
Regioplan voerde in 2004 in opdracht van het Ministerie van VWS en in nauw overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een onderzoek uit naar het beleid van gemeenten op de vijf vastgestelde gemeentelijke functies. Zo wilde men de stand van zaken en knelpunten bij vormgeving en uitvoering van de taken vaststellen. De bevindingen zijn te lezen in Opvoed-, opgroei- en gezinsondersteuning in gemeenten.
Onderzoek van Hermanns en Vergeer in 2002 bevestigde de noodzaak van afstemming, samenwerking en vraagsturing, zo schrijven zij in Opvoedingsondersteuning en ontwikkelingsstimulering in Nederlandse gemeenten.
Meer informatie
Meer informatie over de Centra voor Jeugd en Gezin vindt u in het dossier Centra voor Jeugd en Gezin.
Litertuursuggesties vindt u in de literatuurlijst lokaal beleid opvoedingsondersteuning.
De invoering van de Wet op de Jeugdzorg is voor het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) aanleiding geweest om duidelijke functies voor gemeenten vast te stellen op het gebied van opvoed-, opgroei- en gezinsondersteuning. Deze zijn als volgt omschreven:
Wat opvoedingsondersteuning betreft is er nog een zesde functie van belang, namelijk praktische en sociale steun.
Het doel van het gemeentelijk beleid is om problemen met opvoeden en opgroeien zoveel mogelijk te voorkomen. Als problemen zich toch voordoen, moeten gemeenten deze signaleren, lichte hulp verlenen en in geval van ernstige problematiek verwijzen naar het Bureau Jeugdzorg.
Het vroegtijdig ontdekken van problemen kan het best in de algemene lokale voorzieningen. Deze komen vaak dagelijks in aanraking met kinderen en kunnen als eerste problemen constateren. Wel zal een aantal van de medewerkers van deze voorzieningen behoefte hebben aan informatie of advies of hun deskundigheid moeten verbeteren. Het Bureau Jeugdzorg heeft als taak om deze ondersteuning te verlenen bijvoorbeeld door deel te nemen in netwerken rond scholen.
Nadere uitwerking van de functies
De vijf gemeentelijke functies zijn benoemd en nader uitgewerkt in de volgende publicaties (pdf-bestanden, uitleg):
Wat de vierde functie - (licht) pedagogische hulp - inhoudt, hoe een lokaal aanbod er uit kan zien en hoe gemeenten deze functie vorm kunnen geven, is beschreven in de publicatie Hulp bij opvoeden. De invulling van de gemeentelijke functie pedagogische functie.
Wat de vijfde functie - zorgcoördinatie - inhoudt, wat de stand van zaken is en hoe er in de praktijk al vorm aan gegeven wordt, is beschreven in de publicatie De kracht van verbinden. Coördineren van zorg op lokaal niveau.
Regioplan voerde in opdracht van het Ministerie van VWS en in nauw overleg met de VNG een onderzoek uit naar het beleid van gemeenten op de vijf vastgestelde gemeentelijke taken. Zo wilde men de stand van zaken en knelpunten bij vormgeving en uitvoering van de taken vaststellen. Uit het onderzoek blijkt dat gemeenten al veel beleid maken op de vijf functies, vooral de middelgrote (66% beleid op 4 van de 5 functies) en grote gemeenten (90% beleid op 4 van de 5 functies). Kleine gemeenten (minder dan 30.000 inwoners) kunnen echter nog een behoorlijke ontwikkeling maken op de functies.
De grootste knelpunten in gemeenten liggen bij het invullen van de functies ‘licht pedagogische hulp’ en ‘coördinatie van zorg’: hier loopt men vaak aan tegen afstemmingsproblemen tussen betrokken partijen. Uit het onderzoek blijkt ook dat er grote diversiteit bestaat met betrekking tot het aantal en de soort voorzieningen waarvoor taken zijn vastgelegd. De beperkte sturingsmogelijkheden van gemeenten worden als belangrijkste knelpunt genoemd. Heel veel gemeenten geven dan ook aan behoefte te hebben aan ondersteuning bij het invullen van de regierol, het aanbrengen van samenhang en het coördineren van het hulpaanbod. Kleine en middelgrote gemeenten hebben vaker behoefte aan inhoudelijke ondersteuning bij de aansturing van voorzieningen en het opzetten van netwerken.
Voorafgaand aan het eindrapport maakte Regioplan voor de zomer van 2004 al een aantal eerste resultaten bekend. Bij deze eerste resultaten plaatste Regioplan twee kanttekeningen: ‘De gegevens uit het onderzoek dienen voorzichtig te worden geïnterpreteerd. In de eerste plaats geven de bevindingen informatie over het schriftelijk vastgelegd gemeentelijk beleid. Het gaat dus niet over de praktijk. In de tweede plaats zijn de verschillende functies, zoals die in het begrippenkader gehanteerd worden, nog niet altijd even duidelijk voor gemeenten.’
Bron
M. de Weerd, P. Krooneman, Opvoed-, opgroei- en gezinsondersteuning in gemeenten’ Amsterdam: Regioplan, 2004, 154 p., is te downloaden van de site van VWS.
Bureau jeugdzorg onder gemeentelijke regie. Op lokaal niveau bieden 'Centra voor Jeugd en Gezin' ouders en jeugdigen advies en begeleiding. Dit bepleiten zeven gemeenten in de nota 'Opvoed- en opgroeiondersteuning als lokale basisvoorziening'.
Opvoed- en opgroeiondersteuning vereist een visie op integraal jeugdbeleid, vergt een lokale (netwerk)voorziening, versterking van de lokale regie, goede basisvoorzieningen, en voor hulp en verwijzing een 'huisarts-specialistenmodel'. Zo stellen de 'Gideonsgemeenten', een werkgroep van wethouders van Rotterdam, Eindhoven, Almelo, Almere, Delft, Oude IJsselstreek en Urk.
In de nota bieden zij vernieuwende uitgangspunten, structuren en trajecten om op lokaal niveau de verantwoordelijkheid voor opvoed- en opgroeiondersteuning te kunnen dragen. 'Lokaal wat lokaal kan, regionaal wat regionaal moet'. De nota behandelt het lokaal preventief jeugd(zorg)beleid; het algemeen jeugdbeleid wordt niet uitgewerkt, wel wordt ingegaan op educatieve basisvoorziengen voor jonge kinderen.
De invulling van de taken van bureau jeugdzorg door de Wet op de jeugdzorg en de daaruit voortvloeiende taakstelling voor gemeenten (de functies informatie en advies, signalering, toeleiding, licht pedagogische hulp, zorgcoördinatie) roepen op lokaal niveau veel vragen op. De Gideonsgemeenten stellen: 'Het heeft grote voordelen om eens te vertrekken vanuit de vraag hoe de opvoed- en opgroeiondersteuning eruit zou moeten zien als we nog eens helemaal opnieuw zouden kunnen beginnen met de invulling ervan. (…) Gemeenten doen er goed aan in te investeren in visie- en beleidsontwikkeling alvorens het vraagstuk van lokale regie aan te pakken.' (p. 67)
In de nota is een soort manifest opgenomen met conclusies over een goede inbedding van opvoed- en opgroeiondersteuning in het integraal jeugdbeleid op alle niveaus. Daarin staat onder andere:
Rechten van kinderen, jongeren en ouders
Sluitend systeem van algemene basisvoorzieningen
Opvoeding en opgroeien, en de ondersteuning, zijn gebaat bij hoogwaardige algemene basisvoorzieningen, zowel in de onderwijsketen als in de zorg- en welzijnsketen. De zorg voor die voorzieningen en de kwaliteit ervan is van groot maatschappelijk belang.
Preventieve functies
De uitvoering van de functies informatie en advies, signalering, toeleiding, licht pedagogische hulp, zorgcoördinatie moet aan kwaliteitseisen voldoen en moeten stevig worden verankerd in relevante wet- en regelgeving.
Centrum voor Jeugd en Gezin rond JGZ nieuwe stijl
Creëer een Centrum voor Jeugd en Gezin dat fungeert als een één loket-voorziening in de nabijheid van ouders, kinderen en jongeren, dat dient als meldpunt voor risicosignalen en dat even herkenbaar en gemakkelijk toegankelijk wordt als het consultatiebureau nu.
Indicatiestelling
Sluitend en effectief elektronisch signaleringssysteem
Effectief jeugdbeleid staat of valt met de aanwezigheid van een signaleringssysteem waar signalen vanuit verschillende domeinen met elkaar in verband worden gebracht, regietoedeling plaatsvindt en de uitvoering van een plan van aanpak wordt gemonitord.
Integraal jeugdbeleid: politieke verantwoordelijkheid van één wethouder
Verdeling verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen rijk, provincie en gemeente
De taakverdeling tussen de verschillende bestuurslagen vraagt heroverweging.
Regelgeving, financiële kaders en toezicht
Van regelgeving, financiële kaders en toezicht moet een stimulans uitgaan tot bevordering van de gewenste samenhang binnen het jeugdbeleid.
Bron
Gideonsgemeenten, 'Opvoed- en opgroeiondersteuning als lokale basisvoorziening'. 2006.
In 2002 heeft van de Nederlandse gemeenten 88% op de een of andere manier O&O-beleid geformuleerd. Toch blijken de aandacht en de inzet voor O&O bij de helft van de gemeenten nog onvoldoende te zijn. Dit schrijven professor J. Hermanns, UvA, en M. Vergeer, SCO-Kohnstamm Instituut, in Opvoedingsondersteuning en ontwikkelingsstimulering in Nederlandse gemeenten. Stand van zaken 2002. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van VWS.
Hermanns en Vergeer beschrijven in de studie de visie, het aanbod, de afstemming, de kwaliteit van het aanbod en de aansturing door gemeenten. De onderzoekers concluderen dat naast het niet beschikbaar zijn van financiële middelen het ontbreken van samenhang in het aanbod en in het initiërende beleid een grote klacht van gemeenten is. Hierbij speelt het gegeven een rol dat de rijksoverheid vaak ‘verkokerd’ beleidsmaatregelen neemt. Na de inhoudelijke en beleidsmatige ontwikkelingen op het terrein van O&O is er nu duidelijk behoefte aan bezinning en heroriëntatie. De samenhang tussen de verschillende activiteiten werd door driekwart van de gemeenten als zeer slecht tot matig beoordeeld. Er wordt te weinig afgestemd binnen de gemeente zelf, tussen de gemeente en de instellingen, en tussen de instellingen onderling.
De belangrijkste instellingen bij de uitvoering van het beleid zijn de Ouder- en Kindzorg (consultatiebureaus), peuterspeelzalen, scholen, de GGD en de Bureaus Jeugdzorg. Gebleken is dat van de O&O-projecten buurtnetwerken en zorgnetwerken het meest populair zijn. Daarnaast is er een veelheid van voorlichtingsprojecten (meestal gericht op de jeugd zelf), gezinsondersteuningsprogramma’s, ‘home based’- of ‘centre based’-projecten voor de stimulering van de cognitieve ontwikkeling van kinderen en projecten voor probleemjongeren.
De snelle groei van het O&O-aanbod is niet gepaard gegaan met de ontwikkeling van een kwaliteitsstelsel. Slechts 11% van de gemeenten kwalificeert de kwaliteit van het eigen aanbod als goed tot zeer goed. Er bestaat behoefte aan ‘regie’, dat wil zeggen sturing en planning van het O&O-beleid. Volgens alle betrokkenen moet de gemeente deze regie gaan voeren. Een aanzienlijk deel (69%) van de gemeenten maakt gebruik van externe ondersteuning. Het project Lokaal Jeugdbeleid van de VNG (39%) en provinciale ondersteuningsorganisaties (32%) worden het meest gebruikt.
Hoewel in de meeste gemeentelijke nota’s over jeugdbeleid wordt gesteld dat jeugdbeleid de ontwikkelingskansen voor alle jongeren moet vergroten, zijn de voornemens in de praktijk niet terug te vinden. ‘Jeugdbeleid wordt weer risicobeleid’, stellen de onderzoekers. Ook ouders worden te weinig gezien als partij in het werkveld. Slechts 6% van de gemeenten ziet het als haar taak ouders bij te staan bij de opvoeding van hun kinderen. Bijna tweederde van de gemeenten geeft aan dat de huisarts een belangrijke vraagbaak is voor ouders. In de praktijk blijkt echter dat de huisarts geen rol speelt in het overleg tussen de gemeenten en instellingen over opvoedingsondersteuning.
De belangrijkste taken van de rijksoverheid zijn volgens verreweg de meeste gemeenten financiële ondersteuning van ontwikkelingen die op initiatief van de gemeente in gang zijn gezet, het stellen van algemene kaders en het mogelijk maken van financiering daarvan en het geven van voorlichting en ondersteuning bij inhoudelijke kaders. Hermanns en Vergeer bevelen aan om, vergelijkbaar met de succesvolle Task Force Jeugdzorg, een Task Force Jeugdbeleid in te stellen die de grote lijnen van het jeugdbeleid ontwerpt en daarbij zowel aandacht besteedt aan het aanbod voor kinderen en ouders als aan de beleidsprocessen op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau.
Bron
J. Hermanns en M. Vergeer, Opvoedingsondersteuning en ontwikkelingsstimulering in Nederlandse gemeenten, Stand van zaken 2002, Amsterdam: SCO-Kohnstamm Instituut (SCO-rapport nr. 654), 2002
Opvoedingsondersteuning staat de laatste decennia sterk in de belangstelling. En dit is nog sterker geworden door het draagvlak dat de Centra voor Jeugd en Gezin (CJG) hebben gekregen. Enerzijds wordt de rol van ouders meer op waarde geschat; anderzijds heeft men steeds meer oog voor de maatschappelijke context van opgroeien en opvoeden: ‘It takes a village to raise a child’. De ondersteuning van ouders heeft zijn plaats gekregen op beleidsniveau en in het rijksbeleid, en wordt steeds meer ingebed in een pedagogische infrastructuur op buurt- en lokaalniveau.
Lokaal beleid opvoedingsondersteuning is in Nederland nog niet uitgekristalliseerd; er wordt niet gewerkt vanuit één uitgewerkt model. Het Rijk stimuleert dat gemeenten hun jeugdbeleid (inclusief opvoedingsondersteuning) aangepast aan het de lokale situatie uitwerken. Daarbij krijgt het brede kader van het basismodel CJG veel aandacht.
De afgelopen decennia is er -ook vanuit de rijksoverheid - veel aandacht besteed aan het stimuleren van lokaal jeugdbeleid. De afgelopen decennia zijn er ook veel publicaties over opvoedingsondersteuning verschenen; er zijn veel pilotprojecten uitgevoerd, het aantal onderzoeken neemt toe, en de kwaliteit daarvan verbetert. Er wordt gewerkt aan beleidsinstrumenten; het zicht op effectieve werkwijzen neemt toe; en een behoorlijk aantal gemeenten boekt resultaten met hun plannen van aanpak. En het belangrijkste gegeven is dat het met het overgrote deel van de gezinnen goed gaat.
Anderzijds moet gesteld worden dat het in Nederland nog ontbreekt aan veel onderzoeksgegevens. Het ontbreekt aan goed inzicht in hoe ouders in verschillende gezinstypen de opvoeding beleven en van de problemen waar ze tegen aanlopen. Een actueel beeld van de Nederlandse opvoeder en stelselmatige analyse van hoe groepen ouders zich tot elkaar verhouden is daarom moeilijk te geven. Ook is niet bekend of er in Nederland sprake is van een toenemend aantal ouders met opvoedproblemen. Verder ontbreekt het nog teveel aan voldoende gedifferentieerde werkwijzen die efficiënt in kunnen spelen op de behoeften van verschillende groeperingen ouders in verschillende situaties voor verschillende vragen en problemen; idem aan een signaleringsinstrumentarium en strategieën voor beleid- en organisatiestructuren. Ook de kennis over kosteneffectiviteit is nog beperkt.
Volgens J. Hermanns, hoogleraar UvA, heeft de toegenomen maatschappelijke aandacht voor het belang van opvoedingsondersteuning ook een problematische kant; namelijk het risico van problematiseren en te snel duiden van een vraag als probleem in de opvoeding. 'Aanbod schept immers ook de vraag en het te snel naar professionals stappen van ouders of door te wijzen door werkers ondergraaft het zelfoplossend vermogen van opvoeders, kinderen en de ‘community’. En het was nu juist de bedoeling van het vak opvoedingsondersteuning dit zelfoplossend vermogen te versterken.’ (JGZ, juni 2008, p. 46).
Bij lokaal jeugdbeleid, cq. opvoedingsondersteuning kunnen twee visies worden onderscheiden: een universeel beleid dat zich richt op álle jeugdigen en ouders, en een meer selectieve aanpak die gericht is op kinderen en ouders met (dreigende) problemen; m.a.w. een public health-benadering en een risicogerichte benadering. Het huidige beleid (zie bv. de vijf gemeentelijke taken in de Wmo) is vooral risicogericht: het voorkomen van problemen.
Opvoedingsondersteuning kan gezien worden als een onderdeel van het (lokaal) jeugdbeleid. In de Wmo zijn gemeenten verplicht tot uitvoering van vijf gemeentelijke functies preventief jeugdbeleid. Deze zijn opgenomen in het basismodel van het Centrum voor Jeugd en Gezin.
Wanneer we de ‘Rechten van het Kind’ als uitgangspunt nemen - een verdrag dat ook de Nederlandse staat heeft ondertekend - staan we een breder algemeen jeugdbeleid voor; een beleid dat minder probleemgericht en meer ontwikkelingsgericht is. Opvoeden is gericht op de toekomst van onze kinderen.
Lokaal jeugdbeleid is verweven met andere beleidsterreinen als jeugdgezondheidszorg, onderwijs, jeugdzorg; en het heeft ook nauwe raakvlakken met sociaal beleid, maatschappelijke ondersteuning, huisvesting, cultuur, openbare orde, veiligheid, integratie, et cetera.
Meer informatie
Afgelopen decennium is duidelijk geworden dat men steeds méér verwacht van gemeentelijk beleid; het rijk decentraliseert steeds meer taken naar lokaal niveau. Jeugdbeleid is daar een duidelijk voorbeeld van. Veel gemeenten zullen hierbij stellenm dat de beschikbare financiën hierbij nog een punt van zorg vormen.
Het zicht op de mogelijkheden van het gemeentelijk beleid is niet op alle domeinen voldoende helder. Er wordt geëxperimenteerd met functie en taken. Aandachtspunten hierbij zijn: de regierol, visieontwikkeling, en het betrekken van burgers.
Veel gemeenten maken hierbij goede stappen voorwaarts; ze beschikken over ‘know-how’, vaardigheden en instrumenten om een beleidstraject op te zetten; kennis van projectmanagement ontbreekt niet. Bekende stappen: oriëntatie, draagvlak, visieontwikkeling, vraag/aanbodonderzoek, vraag/aanbodanalyse, meerjarenplan/jaarplan, monitoring, evaluatie.
Meer informatie
Veel gemeenten onderzoeken op het ogenblik hoe het aanbod ouderondersteuning eruit kan zien; hoe het georganiseerd kan worden (op regionaal, lokaal, en wijkniveau) en hoe de bekostiging er uit ziet. Belangrijke onderwerpen vragen nog om nader onderzoek en uitwerking. Wat zou men minimaal alle ouders moeten aanbieden? Hoe speelt men in op de behoeften en noden van specifieke groeperingen ouders? Welke problemen kan men met welk preventief beleid (enigermate) voorkomen? Hoe ziet een aanbod ouderondersteuning er uit bij hulp voor problemen in een gezin?. Hoe waarborgt men een sluitende ketenaanpak voor hulp aan jeugdigen en ouders? Hoe kan een basisaanbod (voor onderscheiden doelgroepen) in een CJG worden georganiseerd, en hoe ziet dit er dan uit?
Meer informatie
In 2009 heeft het Nederlands Jeugdinstituut de handreiking ‘Opvoedingsondersteuning in het CJG’ uitgebracht. Deze biedt gemeenten inspiratie om een lokaal pakket opvoedondersteuning samen te stellen. In de handreiking beschrijven Moniek van Dijk en Bert Prinsen een vierstappenplan.
De eerst stap is een visie ontwikkelen op opvoedondersteuning. Hoe denken ouders, professionals, beleidsmakers en bestuurders over opvoeden en opvoedondersteuning? Vervolgens, de tweede stap, vindt er een inventarisatie van het aanbod plaats: wat is er al en wie verzorgt het? De derde stap is een analyse van de vraag naar opvoedondersteuning. Wat zijn de problemen en welke behoeften hebben ouders? De vierde en laatste stap is het aanbod aan opvoedondersteuning samenstellen, na een analyse van de vragen en behoeften van ouders aan de ene kant en de visie op opvoedondersteuning van de gemeente aan de andere kant.
Dijk, M. van, en B. Prinsen (2009): Opvoedingsondersteuning in het Centrum voor Jeugd en Gezin. Handreiking voor gemeenten. Utrecht: Nederlands Jeugdinstituut.
Opvoedingsondersteuning is een onderdeel van het (lokaal) jeugdbeleid. Opvoeden is gericht op de toekomst van onze kinderen. Eerste uitgangspunt vormen de ‘Rechten van het Kind’; het verdrag dat ook de Nederlandse staat heeft ondertekend.
Het lokale jeugdbeleid op zijn beurt is verweven met andere beleidsterreinen als jeugdgezondheidszorg, onderwijs, jeugdzorg; en dat cluster heeft nauwe raakvlakken met sociaal beleid, maatschappelijke ondersteuning, huisvesting, cultuur, openbare orde, veiligheid, integratie, etc. Ouderondersteuning kan ook worden beschouwd als een onderdeel van gezinsbeleid; een term die in tegenstelling tot Vlaanderen - waar gemeenten zich afficheren als 'gezinsvriendelijk' - in Nederland weinig wordt gebruikt.
Bij jeugdbeleid onderscheidt men meestal de domeinen educatie, opvoeding, ontwikkeling, opvang, bescherming, veiligheid vrije tijd en werk. Veel domeinen vallen onder de taakstelling van het lokaal beleid, verder is het provinciaal beleid van belang (bv. bij het jeugdzorgbeleid) en het rijksbeleid (bv. kaderstelling en regelgeving van veel domeinen, en bv. specifiek bij het sociaal-economische beleid, inkomensbeleid en kindgebonden budget)
Wat regelgeving betreft valt opvoedingsondersteuning (deels) onder de Wmo, prestatieveld 2, het preventief jeugdbeleid. Deze taakstelling is opgenomen in het basismodel van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Een CJG biedt opvoed- en opgroeiondersteuning aan, in samenhang met jeugdgezondheidszorg. Deze begrippen staan omschreven in respectievelijk de Wmo en de Wet collectieve preventie volksgezondheid (WCPV), de toekomstige Wet Publieke Gezondheid (Wet PG). Verder is - met het oog op ontwikkelingsstimulering - opvoedingsondersteuning ook een onderdeel van het overleg over de Lokale Educatieve Agenda over het onderwijsachterstandenbeleid, en vormt het een onderdeel van prestatieveld 7 van de Wmo: thuisgeweld.
Elk beleid is idealiter ‘integraal beleid’. Ontwikkeling en opvoeding hebben met alle aspecten van het leven te maken. Het welbevinden van de ouders is van invloed op de kinderen. Wanneer ouders ‘beter in hun vel zitten’ zijn ze betere opvoeders.
Zie ook: 'Gezinsbeleid en gezinstaken'.
Jeugdbeleid
Opvoedingsondersteuning krijgt zijn bestuurlijke inbedding in het werkvelden jeugdbeleid. In veel gemeentes of regio’s is er al een algemene regie- of adviesgroep voor jeugdbeleid (al of niet met onderwijsbeleid), vertegenwoordiging van zowel de lokale overheid als de belangrijkste zorg- en welzijnsinstellingen. De laatste jaren zien we dat gemeenten zich inspannen om tot één integraal jeugd(zorg)beleid te komen vanuit een integrale visie op algemeen beleid, preventief beleid en hulpverlening.
Jeugdgezondheidszorgbeleid
Opvoedingsondersteuning is van ouds een taak van de JGZ, die nu gestalte krijgt in het uniforme en maatwerkdeel van de basistaak ‘Advies, instructie, voorlichting’. In Nederland krijgen nu steeds meer (vormen van ) Centra voor Jeugd en Gezin gestalte: een uitbouw van de functies van het consultatiebureau. In de brief over de hoofdlijnen van de CJG’s gaf staatssecretaris Ross al aan dat het CJG functies uit gaat voeren op het gebied van de algemene en preventieve gezondheidszorg en jeugdbeleid, het Basistakenpakket Jeugdgezondheidszorg en de 5 gemeentelijke functies Wmo.
Vanaf 2006 stelt het Rijk € 50 per gemeente per nieuwgeboren kind beschikbaar voor beter preventief jeugdbeleid en opvoedingsondersteuning. Dit geld wordt aan het budget van de JGZ toegevoegd via de Regeling specifieke uitkering jeugdgezondheidszorg (Rsu-jgz). Het kabinet adviseert gemeenten dit geld te gebruiken voor effectieve methoden van opvoedingsondersteuning. Hiervoor is een richtlijn ontworpen.
Zie verder ook: Prinsen, B. (2006): Dat gaat werken. Van veelbelovende praktijken op weg naar effectieve opvoedingsondersteuning in de jeugdgezondheidszorg.
Centrum voor Jeugd en Gezin
In Nederland is er – na de invoering van de Wet op de Jeugdzorg, 1 januari 2005 – opvallend snel draagvlak ontstaan voor de Centra voor Jeugd en Gezin. Het Kabinet wil met de ontwikkeling van CJG dat snel, goed en gecoördineerd advies en hulp op maat vanzelfsprekend wordt (één kind, één gezin, één plan). CJG moeten bovenal laagdrempelige fysieke inlooppunten zijn waar (aanstaande) ouders, kinderen en jongeren voor alles aangaande opgroeien en opvoeden terecht kunnen. Rijk en gemeenten hebben afgesproken dat er in 2011 er in elke gemeente een CJG moet zijn. Het CJG
Zie verder:
- Ministerie van Jeugd en Gezin
- www.samenwerkenvoordejeugd.nl
- voor lokale CJG-ontwikkelingen, zie vng-site
- NJi-dossier Centrum voor Jeugd en Gezin
Wmo
De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) bepaalt dat gemeenten bestuurlijk verantwoordelijk zijn, en dus beleid moeten ontwikkelen, voor ‘op preventie gerichte ondersteuning van jongeren met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden.’ (Prestatieveld 2 van de Wmo) Gemeenten dienen daarbij vijf functies uit te voeren, die al eerder waren beschreven in het kader van de Wet op de Jeugdzorg, en zijn overeengekomen door VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten), IPO (Interprovinciaal overleg), Rijk en de MO-groep (Maatschappelijke Ondernemersgroep: informatie en advies, signalering, toeleiding naar het hulpaanbod, licht pedagogische hulp, en coördinatie van zorg op lokaal niveau.
Onder ‘op preventie gerichte ondersteuning van jongeren met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden’, vallen meerdere doelgroepen en problematieken: bv. integratie allochtonen, alleenstaande ouders, gezinnen in armoede, ouders met een lage opleiding, jeugdigen met (dreigende) onderwijsachterstand, gezinnen waar (een van) gezinsleden te maken heeft met verstandelijke beperkingen, psychische stoornissen, ernstige ziekten.
Prestatieveld 4 van de Wmo betreft het ondersteunen van mantelzorgers en vrijwilligers. Ongeveer 1 op de 10 jeugdigen vanaf ongeveer 10 jaar verricht werkzaamheden die als mantelzorg gekwalificeerd kunnen worden; bv. bij ouders met psychische stoornissen of verslaving. Prestatieveld 7: Maatschappelijke opvang, waaronder huiselijk geweld betreft kindermishandeling, mishandeling van vrouwen en mannen en kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld.
Prestatieveld 8 betreft het bevorderen vasn openbare geestelijke gezondheidszoreg. Het gaat onder andere om het signaleren en bestrijden van risicofactoren op het gebied van de openbare geestelijke gezondheidszorg, het bereiken en begeleiden van kwetsbare personen en risicogroepen.
Bij Prestatieveld 9: het bevorderen van verslavingsbeleid betreft het ook alcohol- en drugsbeleid ten aanzien van jongeren, alcoholverslaving en bv. gokverslaving.
Zie ook: Wmo-website voor gemeenten
Aansluiting jeugdzorgbeleid-jeugdbeleid
Vanuit het jeugdzorgbeleid hebben de laatste jaren provincies en gemeenten gewerkt aan de aansluiting van het jeugdzorgbeleid met het lokale jeugdbeleid (bv. in regionale platforms, convenanten, e.d.). De aansluiting is gevonden in de afspraken over de uitvoering van de vijf gemeentelijke taken 'voorafgaand aan de jeugdzorg' door de gemeenten.
Meerdere gemeenten bepleiten een grotere verantwoordelijkheid van gemeenten voor de uitvoering van lokaal jeugdzorgbeleid.
Zie ook: Rapport Gideongemeenten: Opvoed- en opgroeiondersteuning als lokale basisvoorziening (2006)
Jeugdzorgbeleid
Op 1 januari 2005 is de Wet op de jeugdzorg in werking getreden. Deze wet bevat een regeling van de aanspraak op, de toegang tot en de bekostiging van jeugdzorg. Daarnaast schept het een wettelijk kader om een samenhangend aanbod van jeugdzorg te realiseren. De cliënt en zijn hulpvraag staan centraal in de wet. Als vormen van hulp aan de ouders kan het bureau jeugdzorg hulpverleningsprogramma's voor ouderbegeleiding, oudertraining, opvoedingsondersteuning indiceren.
Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het lokaal jeugdbeleid. Doel van het jeugdbeleid is om optimale ontwikkelingskansen voor alle jeugdigen te creëren en de voorzieningen voor de jeugd te versterken. Deze lokaal georganiseerde opvoed- en opgroei-ondersteuning moet goed aansluiten op de jeugdzorg, die onder de verantwoordelijkheid van de provincies en grootstedelijke regio's valt. De invoering van de Wet op de jeugdzorg was aanleiding om duidelijke taken voor gemeenten vast te stellen. In overleg hebben de rijksoverheid, provincies en gemeenten in 2003 vijf gemeentelijke taken van het lokaal preventief jeugdbeleid vastgesteld: informatie en advies, signalering, toeleiding naar hulp, pedagogische hulp en zorgcoördinatie.
Zorgstructuur onderwijs-jeugdbeleid
In de aandacht die het onderwijs besteedt aan ‘zorgleerlingen’ zijn ook de ouders betrokken. Dat betekent dat ook in de trajecten van ‘Weer samen naar school’ (WSNS), Leerling gebonden financiering (LGF), Zorgadviesteams (ZAT) ouders partner moeten zijn in de voortgang van de uitvoering.
Zie verder: NJI-themadossier Zorgadviesteams.
Bredeschoolontwikkeling
‘Een brede school biedt toegankelijke en goede voorzieningen voor kinderen, jongeren en gezin, met de school als middelpunt’, zo is te lezen in het Dossier Brede school van OCW. ‘De vorm en de mate waarin dat gebeurt, is afhankelijk van lokale behoeften, mogelijkheden en omstandigheden. Het doel is in het algemeen de ontwikkelingskansen van kinderen te vergroten. In de kleinere gemeenten is het in stand houden van het voorzieningenniveau een belangrijk nevendoel.’
In de beleidsbrief ‘Centra voor Jeugd en Gezin en regierol gemeente’ (16-11-07) schrijft het Ministerie van Jeugd en Gezin dat het Basismodel CJG op basis van lokaal maatwerk kan worden gekoppeld aan de ontwikkelingen op brede school.
In het brede schoolconcept wordt veelal ook opgroei- en opvoedondersteuning uitgewerkt. In de Groningse Vensterscholen functioneren consultatiebureaus/Centra voor Jeugd en Gezin. Bij de Eindhovense Spilcentra vervullen OO-professionals opvoedingsondersteuning. De Spilcentra zijn ontwikkelingsgerichte centra op gebiedsniveau met de functies educatie, spelen, opvang, ontwikkelingsstimulering, opvoedingsondersteuning en een systeem van vroegsignalering en ontwikkelingsmonitoring.
Zie ook: OCW Dossier Brede school.
Zie ook: Brochure Spilcentra.
Onderwijsachterstandenbeleid / Lokale Educatieve Agenda
Thuisfactoren, de kwaliteit van de leidster/leerkracht en het gebruik van effectieve methoden vormen de basis van onderwijskansen voor kinderen. Ouders spelen een belangrijke rol in het schoolsucces van kinderen. Ouderondersteuning is dan ook een van de aangrijpingspunten van het Onderwijsachterstandenbeleid. Wat keuze van doelgroep betreft kan hierbij worden ingespeeld op het gegeven dat het opleidingsniveau van de ouders de beste voorspeller voor het latere schoolsucces van de kinderen is.
Gemeenten zijn sinds 1 augustus 2006 verplicht om een Lokale Educatieve Agenda (LEA) op te stellen. Gemeente en schoolbesturen zijn verplicht om minimaal één keer per jaar gezamenlijk overleg te voeren (over bv. het bevorderen van integratie, en het bestrijden van onderwijsachterstand).
Uit onderzoek naar de VVE-programma’s blijkt dat combinatieprogramma’s het meest effectief zijn; programma’s die zowel met de kinderen in de klas, als met de ouders (thuis) werken. In het onderwijs in het algemeen krijgt de betrokkenheid van de ouders bij de (school)ontwikkeling van hun kinderen steeds meer aandacht. Ouderbetrokkenheid/ouderparticipatie blijken bevorderende factoren voor het schoolsucces van de kinderen.
Zie verder: www.delokaleeducatieveagenda.nl.
Zie ook: NJi-themadossier ontwikkelingsstimulering: www.ontwikkelingsstimulering.nl.
Zie verder: Literatuur Ouderbetrokkenheid bij educatie.
Thuisgeweld
Huiselijk geweld: partnergeweld, kindermishandeling, geweld waar kinderen getuige van zijn, is prestatieveld 7 van de Wmo van toepassing. Dit betekent dus dat gemeenten ook beleid moeten ontwikkelen voor de (preventieve) aanpak van huiselijk geweld en de resultaten daarvan moeten verantwoorden. Daarbij moeten de gemeenten - toegesneden op de lokale situatie - integraal beleid voeren, waarbij vooral preventie en vroegsignalering centraal staan.
Factsheet Ministerie van J & G: 'CJG-Aanpak kindermishandeling'.
Voor lokaal beleid preventie kindermishandeling, zie > Kooijman, K. (2007) ' Lessen van en voor Regio's RAAK Kindermishandeling: voorkomen en helpen'.
Zie ook: NJi-Themadossier Kindermishandeling.
Preventie jeugdcriminaliteit
Uit veel onderzoek blijkt dat het actief aanbieden van steun bij de opvoeding en het vroegtijdig signaleren van risicogedrag bij kinderen effectief blijkt te zijn als middel voor criminaliteitspreventie. Naast gezinsfactoren (bv. weinig warmte, geen effectieve discipline, ouders die crimineel gedrag vertonen) zijn van belang: individuele kenmerken. (bv. weinig sociale vaardigheden, slecht cognitief functioneren) kenmerken van leeftijdsgenoten (bv. omgang met deviante leeftijdgenoten), functioneren op school (bv. slechte schoolprestaties, school niet afmaken), en omgeving (bv. een criminele subcultuur).
In veel gemeenten wordt voor preventie van jeugddelinquentie, bv. in programma’s Veiligheid gewerkt, ook met de ouders gewerkt. Er is een roep om ‘gedwongen opvoedingsondersteuning’; veel discussie over ‘drang en dwang’.
Voor een doordachte invoering van een preventieprogramma jeugdcriminaliteit op lokaal niveau kan gewezen worden op het programma Communities that Care®. CtC is gerichte preventiestrategie, die zich richt op de belangrijkste vormen van probleemgedrag die schadelijk zijn voor de ontwikkeling van kinderen en jongeren en voor de wijken waarin zij leven: geweld, jeugdcriminaliteit, problematisch alcohol- en drugsgebruik,schooluitval en tienerzwangerschappen.
Zie ook: dossier jeugdcriminaliteit Ministerie van Justitie
Zie verder: www.ctc-holland.nl.
Zie ook: het programma: 'Ouders van tegendraadse jeugd'.
Zie verder:
Taak gemeente m.b.t. beleid opvoedingsondersteuning
Lokaal aanbod opvoedingsondersteuning.
Overzicht programma's
In de meeste Nederlandse gemeenten is jeugdbeleid ontwikkeld; beleid inzake opvoedingsondersteuning kan hierbij als onderdeel worden gezien. De afgelopen decennia is er sprake van een decentralisatieproces; het rijk decentraliseert steeds meer taken naar lokaal niveau. De gemeenten willen hierop inspelen en die verantwoordelijkheid nemen; anderzijds vormen de beschikbare financiën een punt van zorg.
Regierol
Er is overeenstemming dàt gemeenten de verantwoordelijkheid voor regie van het jeugdbeleid hebben. De uitvoering vindt op verschillende manieren plaats. Er leven verschillende opvattingen over de uitvoering van de regierol. Daarbij zijn gemeenten ook afhankelijk van het rijksbeleid (Gilsing, 2005).
In het ‘Manifest van de gemeenten’ (2006) wordt voorgestaan: ‘bindend besturen’, ‘meer bestuurskracht, en minder bestuurlijke drukte’, ‘minder regels, minder toezicht’, ‘meer verantwoording’.
Daarom wordt bij de invulling van de regierol van gemeenten vaak gedacht aan ‘besturen op hoofdlijnen’, waarbij de verantwoordelijkheid van organisatie en uitvoering wordt gedelegeerd aan instellingen en werkers. Hoofdlijnen kunnen onder meer zijn: visieontwikkeling en prioriteiten stellen, integraal beleid vanuit één sturingsfilosofie, zorg voor adequate informatie (beleidsinformatie, monitoring, registratie, evaluatie), eenduidige verantwoording, en afstemming beleid op beschikbare middelen.
Bij de start van de ontwikkeling van een lokaal beleid opvoedingsondersteuning kan de gemeente een regierol vervullen bij de vorming van lokale netwerken (met heldere verdeling van verantwoordelijkheden en een eindverantwoordelijke actor). Dit is van belang voor een gezamenlijk draagvlak (bij instellingen, opvoeders en ouders) en een gedeelde visie. De gemeente kan de organisatorische coördinatie (daarna) delegeren bij één actor ( bv. de JGZ).
Er is veel gepubliceerd over de ontwikkeling van lokaal jeugdbeleid, en over lokaal beleid opvoedingsondersteuning. De kaders en de stappenplannen die de VNG van 1999 tot 2003 in het project Lokaal Jeugdbeleid heeft ontwikkeld en de producten van de projectgroep Ontwikkeling Lokaal Preventief Jeugdbeleid (Commissie Groenman 1998) bevatten veel bruikbare zaken. Wanneer de gemeente duidelijk maakt dat zij wil werken aan lange termijnbeleid (dus langer dan vier jaar) en de beleidstrajecten verantwoordt, kan zij duidelijk maken dat ook de beleidsinstrumenten zelf in ontwikkeling zijn: een groeimodel voor ‘regie’, ‘coördinatie’, ‘doelstellingen’.
Voor wat het lokale jeugdzorgbeleid betreft benadrukt minister Rouvoet in zijn brief ‘Centra voor Jeugd en gezin en regierol gemeente’ (16-11-’07): ‘Eén gezin, één plan en coördinatie van zorg’ om de lokale jeugdketen te versterken. ‘De gemeente is er voor verantwoordelijk dát er een beslissing wordt genomen over de coördinatie van zorg. Binnen het CJG wordt bekeken welke partij wordt aangewezen voor de coördinatie van zorg. Hierbij wordt naar de problemen van betrokken jeugdige/gezin in brede zin gekeken (bijv. schooluitval, schulden, jeugdzorg).’ (p. 6)
Visieontwikkeling
In de meeste gemeenten zijn startnotities ontwikkeld waarin de gemeente missie, visie, uitgangspunten en doelstellingen voorlegt aan de betrokkenen (instellingen, opvoeders, ouders). In de praktijk van alledag worden regelmatig knelpunten en aandachtspunten gesignaleerd, waarvan verwacht wordt dat de ‘overheid’ er wat aan doet. Ook is het nog steeds zo dat de rijksoverheid beleidsimpulsen geeft (al dan niet vergezeld van middelen) waarvan wordt verwacht dat gemeenten hierop inspelen.
Als uitgangspunten voor een visie op beleid opvoedingsondersteuning baseren veel gemeenten zich terecht op het verdrag over de ‘Rechten van het kind’, waartoe de Nederlandse overheid zich heeft verplicht. Daarnaast is bezinning op een maatschappelijk fundament gewenst. Wat voor een samenleving staan we voor, voor onszelf als burger en als ouder, voor onze kinderen? Hoe zien we de maatschappelijke en culturele verantwoordelijkheid van ouder en jeugdige voor de ontwikkeling van onze (mondiale) maatschappij? Wanneer het lukt om dit op lokaal niveau meer expliciet te maken biedt dit kaders voor de ontwikkeling van (draagvlak voor) een pedagogische visie, lange termijnbeleid, een pedagogische infrastructuur, de verhouding tussen algemeen en preventief beleid, doelgroepbepaling en prioriteitstelling, etc.
Betrekken van burgers.
Kinderen zijn de eerst betrokkenen bij hun ontwikkeling. Naarmate ze ouder worden ze dus steeds meer betrokken bij maatschappelijke ontwikkelingen en als jonge burgers ook bij het lokaal beleid.
Hoe jonger kinderen zijn des te meer gaat op: ‘It takes a village to raise a child’. Ouders zijn de eerst verantwoordelijken; daarnaast spelen andere opvoeders een rol, werkers in maatschappelijke organisaties, buurtvoorzieningen, en betrokkenen bij de leef- , opleidings- en werksituatie, cultureel-maatschappelijke groeperingen.
In Nederland is behoorlijk wat ervaring opgedaan met participatie van jongeren bij jeugdbeleid; minder met het participeren van ouders, opvoeders en andere betrokkenen bij de ontwikkeling van beleid opvoedingsondersteuning. Het is organisatorisch niet gemakkelijk om ouders als groepering bij beleidstrajecten te betrekken; ze zijn niet als zodanig georganiseerd. (Bij kindercentra en het onderwijs zijn er ouderraden; bij de JGZ en jeugdzorg cliëntenraden). In de beleidstrajecten wordt nu veelal wel onderzoek naar de behoeften van ouders (en andere opvoeders) gedaan (middels panelgesprekken, vragenlijsten).
Bij beleidstrajecten opvoedingsondersteuning/jeugdbeleid worden de belanghebbende instellingen betrokken. Wanneer het traject begeleid wordt door een adviescommissie, is het te overwegen te onderzoeken hoe ook ouders hierbij kunnen worden betrokken. Zo is er goede ervaring opgedaan met focusgroepen. Om personen met minder behartigde belangen te stimuleren is goede ervaring opgedaan met de dialoogmethode.
Zie ook:
Beleidstraject
Gemeenten beschikken over ‘know-how’, vaardigheden en instrumenten om een degelijk beleidstraject op te zetten; kennis van projectmanagement. Bekende stappen zijn: oriëntatie, draagvlak, visieontwikkeling, vraag/aanbodonderzoek, vraag/aanbodanalyse, meerjarenplan/jaarplan, monitoring, evaluatie.
Aandachtspunten in de startfase zijn:
In een behoorlijk aantal gemeenten zijn relevante peilingen verricht naar de leefsituatie, opvoeding, gezondheid en ontwikkeling van kinderen. Ook is onderzoek verricht naar de specifieke situatie van enkele doelgroepen, bv. allochtone gezinnen.
Er bestaat in Nederland op het ogenblik nog geen gevalideerde standaard voor het meten van vragen en zorgen in de opvoeding en de behoefte aan opvoedingsondersteuning bij (verschillende groeperingen) ouders. Toch is het zinvol deze trajecten te starten. Lokale onderzoeken geven meer inzicht in specifieke situaties en vergroten het draagvlak bij de betrokkenen. Voor lokale onderzoeken zal altijd ook gebruik gemaakt worden van de resultaten van landelijke onderzoeken.
Taakstelling
Bij lokaal jeugdbeleid, cq. opvoedingsondersteuning kunnen twee visies worden onderscheiden: een universeel beleid dat zich richt op álle kinderen en ouders, en een meer selectieve aanpak dat gericht is op kinderen en ouders met (dreigende) problemen; m.a.w. een public health-benadering en een risicogerichte benadering. Het huidige beleid (zie bv. de vijf gemeentelijke taken in de Wmo) is vooral risicogericht: het voorkomen van problemen. Het beleid t.a.v. ouders kan in verschillende niveaus worden onderscheiden. Dat wil niet zeggen dat de doelgroepen en het aanbod voor die doelgroepen, strikt te onderscheiden zijn. Alle ouders hebben vragen over het opgroeien en opvoeden van hun kinderen. Alle ouders ervaren opvoedingsspanning, maar de meeste ouders kunnen dit - al of niet met steun van anderen en met informatie over opgroeien en opvoeden - zelf hanteren. Maar er kunnen zich in de ontwikkeling van het kind of in de leefsituatie zaken voordoen die de draagkracht van de ouders te boven gaan.
Uitgangspunt bij de aanbodbepaling kan zijn: 'zo licht als mogelijk, en zo zwaar als nodig'. Vanujit het oogpunt van belasting van de klant wordt ook wel het begrip: 'stepped care' (getrapte zorg) gebruikt: het aanbieden van de meest effectieve, minst belastende, goedkoopste en kortste vorm die mogelijk is, geziende aard en de ernst van de problematiek. Pas als deze minimale interventie onvoldoende effect heeft, wordt op een intensievere interventie overgegaan. Bij het aanbieden van opeenvolgende modules moet worden bedacht dat het werk van de professionals en de kwaliteit van het aanbod wordt verbeterd wanneer wordt gewerkt vanuit één pedagogische visie. Het programma 'Triple P' is een voorbeeld waar dit het geval is en waar het aanbod is gemoduleerd in verschillende niveaus van licht naar zwaar.
| niveau | strategie | taakstelling | voorbeeld | aandeel populatie |
| algemeen | alg. beschikbaar | vormend, educatief, preventief | oudercursussen afgestemd op leeftijdsfase kind |
ca. 85% v.d. ouders (afh. van lokale populatie/situatie) |
| preventief | doelgroepgericht | voorkomen van problemen | Stapprogramma voor ouders met lage opleiding | ca. 10% v.d. ouders ervaart enkelvoudige problemen. |
| curatief | individu gericht | hulp bij problemen | video home training | ca. 2,5% ervaart meervoudige problemen; ca. 1,5% kampt met urgente problemen; bij ca. 0,03% is sprake van een crisis/(levens)gevaar. |
| repressief | individu gericht | sanctie | sanctie bij overtreding leerplicht |
Bij de ontwikkeling van problemen is er meestal sprake van een geleidelijke ontwikkeling. Daarom is het goed om algemeen en specifiek beleid vanuit een integraal aanbod aan te bieden. Dit maakt ook deelname van doelgroepen met problemen gemakkelijker; het voorkomt stigmatisering.
Gezinnen met specifieke vragen of problemen over opvoeden en opgroeien moeten beroep kunnen doen op het preventief jeugdbeleid. Over de taakstelling van het basismodel CJG schrijft minister Rouvoet in zijn brief ‘CJG en regierol gemeente (16-11-’07): ‘ Het betreft hier opvoed- en opgroeiondersteuning zoals bedoeld in prestatieveld 2 van de Wmo. Deze wordt onderscheiden in vijf functies van het lokaal preventieve jeugdbeleid. In de Memorie van toelichting bij de Wmo zijn deze functies beschreven. De vijf functies zijn:
In een rapport van de Raad van Europa (Daly 2007) wordt het aanbod ouderondersteuning omschreven als een continuüm, dat varieert van informele steun van familie en vrienden, en semiformele steun door lokale groeperingen en diensten, tot formele steun en begeleiding door professionals. Na signalering van (dreigende) problemen is nu in het beleid het adagium: één gezin, één plan. Dit vraagt afstemming van verschillende mogelijk gesignaleerde knelpunten: psychische problemen van ouders, armoede, gezinsisolement, huisvestingsproblemen; pedagogische problemen, de opgroei van kinderen met beperkingen, problemen in de kindontwikkeling, gedragsproblemen van kind, onderwijsachterstand, integratieproblematiek.
Idealiter bestaat het aanbod uit een breed, dekkend, integraal aanbod van ‘licht’ naar ‘zwaar’. Het werk van de professionals en de kwaliteit van het aanbod wordt verbeterd wanneer wordt gewerkt vanuit één pedagogische visie. Het programma Triple P is een voorbeeld waar dit het geval is en waar het aanbod is gedifferentieerd in verschillende niveaus van licht naar zwaar.
Een goede pedagogische infrastructuur vraagt investeringen op landelijk, regionaal en lokaal niveau. Bepaald aanbod leent zich voor uitwerking op landelijk niveau; bv. opvoedingsinformatie via media; faciliteren van internet-communities; 'opvoed-wiki'. Amerikaans onderzoek wijst uit dat een populatie-gerichte aanpak ook effectief kan zijn voor specifieke gezinsproblemen. (Onderzoek R. Prinz, Universiteit van South Carolina 2008, naar de inzet van Triple P ter voorkoming van kindermishandeling). Gespecialiseerde hulp kan op regionaal niveau worden aangeboden. Op lokaal niveau kan een goede pedagogische infrastructuur bestaan uit:
Aandachtspunten bij de aanbodontwikkeling:
Beschikbaarheid
Volgens het onderzoek van Hermanns en Vergeer ‘O&O in Nederlandse gemeenten’ (SCO-Kohnstamm Instituut, 2002) vormt de beschikbaarheid van financiële middelen het grootste knelpunt dat gemeenten ervaren. Het huidige, vrij toegankelijke basisaanbod kan niet op elke vraag een afdoende antwoord bieden en door de wachtlijsten bij de jeugdzorg worden problemen alleen maar groter.
Volgens artikel 18 van het ‘Verdrag van de Rechten van het Kind’, zo geeft J. Willems, hoogleraar VU, aan in zijn proefschrift: ‘Wie zal de opvoeders opvoeden’ is de overheid verplicht zorg te dragen voor voorzieningen voor ouders.
Integraal beleid
Het begrip ‘integraal jeugdbeleid’ wordt veel gebruikt, maar vraagt concrete uitwerking. De huidige versnippering en verkokering in beleid, aansturing en organisatie vraagt een éénduidige visie op opgroeien en opvoeden, centrale aansturing, ontschotting en deregulering. Operatie JONG werkt hieraan op interdepartementaal niveau. Provincies en gemeenten staan voor de taak te werken aan de aansluiting van het provinciale jeugdzorgbeleid op het lokale jeugdbeleid. Dit geldt ook voor opvoedingsondersteuning op lokaal niveau.
‘Opvoedingsondersteuning is van iedereen, en dus van niemand’ … Een samenhangend beleid opvoedingsondersteuning op lokaal niveau vraagt om coördinatie op instellingsniveau en een éénduidige regie vanuit de gemeente(n).
Samenhang door effectieve regie
Naast de beschikbaarheid van financiële middelen is het ontbreken van samenhang in beleid en praktijk een grote klacht van gemeenten, volgens het onderzoek van Hermanns en Vergeer. Om regie te kunnen voeren dient het gemeentelijk apparaat de zaken goed op elkaar af te stemmen en met eenzelfde doordachte visie naar buiten te treden. Op de tweede plaats is voor coördinatie van het aanbod een gezamenlijk aanspreekpunt voor uitvoerende instellingen nodig, gekoppeld aan een overlegstructuur voor O&O-beleidszaken. Een derde element is dat de gemeente een systeem van afspraken met de afzonderlijke instellingen ontwerpt waardor ze meer greep op producten en resultaten krijgt.
Van probleemgericht naar ontwikkelingsgericht
In het BANS-akkoord hebben rijk, provincies en gemeenten afgesproken balans te brengen in het jeugdbeleid door niet alleen te focussen op problemen, maar ook te investeren in de versterking van algemene voorzieningen. De intentie is om met jeugdbeleid de ontwikkelingskansen van alle jeugdigen te vergroten. In de praktijk wordt deze lijn soms snel losgelaten; jeugdbeleid wordt risicogroepenbeleid. Volgens Hermanns dreigt dan het gevaar van een tweedeling: de ‘zachte apartheid’.
Meer oog voor onderzoek en kwaliteit
‘De meeste zorg baart me onderzoek naar effecten’, zegt J. Janssens, hoogleraar KUN, in ‘O&O-nieuws’ (augustus 2003, 3). Het is dringend gewenst dat de rijksoverheid wetenschappelijk onderzoek en het ontwerpen van kwaliteitssystemen voor de uitvoering van opvoedingsondersteuning entameert; de uitvoering is een taakstelling voor universiteiten en landelijk werkende instellingen.
Vraaggestuurd werken
Instellingen en gemeenten hebben vaak geen goed zicht op de vragen en behoeften van verschillende groeperingen ouders. Ouders hebben vaak geen beeld van het beschikbare aanbod. Vraag-aanbod afstemming blijft daarom een aandachtspunt.
Participatie van jongeren krijgt de laatste jaren veel aandacht, maar van het betrekken van ouders (en ook van jongere kinderen) bij beleid, organisatie en activiteiten is vaak nog weinig sprake: aandachtspunt voor instellingen bij de ontwikkeling van beleidstrajecten, werkplannen en activiteiten. De communicatie met ouders als burgers is voor gemeenten een aandachtspunt voor bijvoorbeeld het sociaal beleid, onderwijsbeleid en jeugdbeleid. (Den Elt en H. Metz, 'Ouders als doelgroep van gemeentelijk beleid'. Sardes, 1999).
Sluitende aanpak 0-6
Voor alle leeftijdsfasen van kinderen kan worden gewerkt aan verbetering van de sluitende aanpak (0-6, basisschoolkinderen, tieners). De laatste jaren zijn veel beleidsinitiatieven in gang gezet die specifiek zijn afgestemd op de 0-6 jarigen-periode: jeugdgezondheidszorgbeleid, Tijdelijke Regeling Vroegsignalering, Wet op de Kinderopvang, VVE/GOA. Landelijke instellingen (RMO, Onderwijsraad, Sardes, MO-Groep) brachten adviezen uit over de continuering van VVE, de voorschool, peuterspeelzaal, educatief centrum voor ouder en kind. Op lokaal niveau hebben gemeenten en instellingen hard gewerkt aan verbetering van afstemming van het huidig aanbod. Op voorzieningenniveau blijft centrale aansturing en deregulering vanuit éénduidige visie op opgroeien en opvoeden wenselijk.
Welke methodiek voor opvoedingsondersteuning is het meest geschikt in welke situatie? En voor welke doelgroep? Waar vinden ouders de steun of hulp die voor hen geschikt is? En hoe kan het aanbod daarop afgestemd worden? Antwoord op deze en vele andere vragen vindt u hier.
Methodieken die opgenomen zijn in de databank Effectieve Jeugdinterventies vindt u terug in het overzicht van erkende interventies. Andere methodieken die (nog) niet in de databank zijn opgenomen, vindt u terug in het overzicht van overige methodieken. Verder vindt u hier een toelichting op methodieken naar werkwijze of functie.
De hieronder genoemde interventies zijn beschreven in de databank Effectieve Jeugdinterventies. In deze databank zijn interventies opgenomen die op zijn minst theoretisch goed onderbouwd zijn en door een onafhankelijke erkenningscommissie zijn erkend.
Er zijn ook interventies die de opvoedingsvaardigheden van ouders vergroten met het specifieke doel om onderwijsachterstanden te voorkomen. U vindt een deze interventies in het overzicht in het dossier Onderwijsachterstanden.
Dit overzicht is een aanvulling op het overzicht van effectieve interventies. De onderstaande methodieken zijn om uiteenlopende redenen (nog) niet opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies.
De Belgische provincie Limburg wil alert inspelen op actuele tendensen in de samenleving. Eén op de tien gezinnen betreft nu een 'nieuw samengesteld gezin'.
Het Steunpunt Opvoedingsondersteuning, in Hasselt, België, krijgt veel vragen van leners voor materiaal bestemd voor ouders in nieuw samengestelde gezinnen. Ook de opvoedingswinkel van Genk krijgt regelmatig vragen van ouders die zich in een echtscheidingssituatie bevinden of die een nieuw samengestelde gezin vormen. Het leek zinvol om de krachten te bundelen, en samen een nieuw themapakket te ontwikkelen om tegemoet te komen aan het gebrek aan goed materiaal om over dit actuele thema met ouders, en kinderen te praten.
Het themapakket is opgezet om binnen een nieuwe, veranderde gezinssituatie ouders en kinderen bijkomende vaardigheden aan te bieden. De samenstellers gaan er van uit dat ouders en kinderen een heel pakket aan vaardigheden bezitten, maar dat ouders en kinderen wel eens tijdelijk uit hun evenwicht gebracht kunnen worden door de nieuwe situatie.
Het accent van het themapakket ligt dan ook op het opvoeden van kinderen in die nieuwe situatie. Het is voor gezinnen belangrijk om na een "wankele periode" terug tot opvoeden te komen. Het leven in een nieuw samengesteld gezin stelt ouders voor nieuwe opvoedingsvragen. Het nieuw samengestelde gezin staat voor de uitdaging een evenwicht te vinden waarin iedereen zijn of haar plaats verwerft en zich goed voelt. Het themapakket wil hierin een ondersteuning bieden.
We willen met dit themapakket dan ook niet therapeutisch werken; dat laten we aan de specialisten. Ervaringsuitwisseling vormt een belangrijk gegeven van het programma..
Inhoud themapakket
In de koffer van het themapakket "Nieuw samengestelde gezinnen" zit spelmateriaal om te werken tijdens de sessies met ouders, jongeren en kinderen. Voor de begeleiding is er deze begeleidersmap met doelstelling, situering, speluitleg en begeleidingstips.
Naast de begeleidersmap vind je ook een cd-rom. Deze cd-rom bevat alle informatie uit de begeleidersmap met de uitgebreide theoretische onderbouw en ‘afdrukklare’ voorbeelden van het bij te maken spelmateriaal.
Bestelwijze
Het themapakket ‘Nieuw samengestelde gezinnen’ is te bestellen bij: Provincie Limburg, Steunpunt Opvoedingsondersteuning, Universiteitslaan 1, 3500 Hasselt - (011) 23 82 22 - opvoedingsondersteuning@limburg.be.
Dit kan door storting van € 100 op rekeningnummer 000-3050003-32 (2de directie, afdeling 2.1, Universiteitslaan 1, 3500 Hasselt). Dit indien je de koffer zelf komt afhalen, wanneer de koffer wordt opgestuurd komen er € 14.00 euro verzendkosten bij en bedraagt de kostprijs 114 euro. (Men verwacht dat men eerst de koffer betaalt, dan pas kan je hem komen afhalen, of wordt hij opgestuurd).
Het themapakket "Nieuw samengestelde gezinnen", ontworpen en geproduceerd door Movin’Grip, is een product van de samenwerking tussen:
Remweg kan gehanteerd worden als trainingsmethodiek om een groep ouders of professionele opvoeders in acht bijeenkomsten te leren hoe zij kinderen, met een cognitief ontwikkelingsniveau van 6 t/m 12 jaar, stop-denk-doe-gedrag kunnen bijbrengen. Professionele opvoeders zijn leerkrachten, functietrainers, remedial teachers, groepsleiders en andere aan het onderwijs of de jeugdzorg gelieerde hulpverleners. Naar gelang waar en op welk gebied de problematiek zich voordoet, kunnen deze opvoeders thuis, op school, in de leefgroep of binnen een individuele behandelingssetting Remweg-principes toepassen.
Begeleiding via Remweg
Kinderen leren van hun opvoeder(s) eerst te stoppen, goed te kijken en te luisteren. Wanneer deze vaardigheden in voldoende mate zijn ontwikkeld, leren de kinderen zichzelf de volgende vier vragen te stellen:
Het plannen maken, uitvoeren en evalueren heeft betrekking op leertaken zoals rekenen of spelling, praktische taken zoals tafel dekken of de kamer opruimen, en sociale taken zoals het omgaan met leeftijdsgenoten en volwassenen.
Trainers
Degene die een training voor opvoeders verzorgt, dient deskundig te zijn op het gebied van gedragstherapeutische principes, kennis te hebben van de aard en behandeling van ADHD en te kunnen inspelen op vragen en problemen van opvoeders en kinderen binnen hun specifieke context (gezin, school, leefgroep).
Remweg kan door professionele opvoeders ook zelfstandig gebruikt worden als behandelingsmethodiek. Een voorwaarde hierbij is wel dat de gebruiker zelf al deskundig genoeg is op het gebied van ADHD.
Wetenschappelijke achtergrond
Remweg is een cognitief gedragstherapeutisch programma dat kenmerken heeft van het programma Think Aloud van Camp en Bash (1981), en de oudertrainingsprogramma's van Barkley (1987, 1990), Braswell en Bloomquist (1991) en Shure en Spivack (1978). Behandelen via Remweg is een vorm van mediatietherapie. Dit betekent dat de behandeling van het kind wordt uitgevoerd door de ouders of professionele opvoeders, die op hun beurt gecoacht worden
Remweg is ontwikkeld door A. Koning, R. van der Krol, S. Weller, T. Burghouts en drs. H. Oosterbaan. Remweg is verkrijgbaar bij uitgeverij Graviant in Doetinchem. Zie verder de informatie op de site van Graviant
Preventie RIAGG Amersfoort & Omstreken biedt ouders zelfhulpcursussen aan. Met dit aanbod werken ouders thuis aan een bepaalde klacht. Na een kennismakingsgesprek waarin gekeken wordt of de cursus een passende vorm van ondersteuning biedt, kunnen ouders voor € 12. een werkboek kopen. Dit werkboek met informatie, oefeningen en opdrachten wordt zelfstandig doorgewerkt. Wekelijks is er ongeveer 15 minuten telefonisch contact met een persoonlijke coach. Het doorwerken van de zelfhulpcursus neemt gemiddeld zes tot acht weken in beslag.
Voor informatie: RIAGG Amersfoort & Omstreken, Afdeling Preventie, PB 513, 3800 AM Amersfoort, telefoon (033) 460 35 00, www.riaggamersfoort.nl.
Studenten van de Fontys hogeschool, afdeling Maatschappelijk Werk en Dienstverlening, hebben als afstudeerstudie onderzoek gedaan naar tienervaders, en ze hebben een handleiding samengesteld voor een groepscursus voor tienervaders.
De handleiding bestaat uit twee delen. Het eerste deel bevat informatie om de cursus te kunnen aanbieden en verzorgen. In het tweede deel staan dertien bijeenkomsten uitgewerkt. Aangegeven wordt dat HBO-ers met het draaiboek direct met deze cursus kunnen starten.
Men heeft het draaiboek niet uitgeprobeerd in de praktijk.
De doelgroepanalyse bevat uitgebreide informatie over tienervaders.
L. Dewit, S. van Ekeren, C. Ekkels en S. Peters, ‘Handleiding groepscursus tienervaders’. (inclusief doelgroepanalyse). In eigen beheer uitgegeven 2005, € 150.
Voor informatie Sandra Peters, tel. 06 17 25 06 38.
De doelstelling van het project 'Gezin in Balans' is het aanbieden van opvoedingsondersteuning aan gedetineerde en ex-gedetineerde moeders met als doel het bevorderen van een goede terugkeer in de samenleving. 'Gezin in Balans' is een onderdeel van 'Toekomst in Balans'. Aan dit project nemen vrouwelijke gedetineerden deel die weer aan hun toekomst willen werken.
De Nederlandse vrouweninrichtingen werken hiertoe samen met de instanties Zorgconcept, Exodus, Delinkwentie & Samenleving en Humanitas. Zij werken samen en bieden ondersteuning aan ex-gedetineerde vrouwen op het gebied van wonen, weten, werken en gezin. Dit om een geslaagde reintegratie mogelijk te maken en recidive te voorkomen
Doel
Het doel van Gezin in Balans is: Aanbieden van opvoedingsondersteuning aan gedetineerde en ex-gedetineerde moeders met als doel het bevorderen van een goede terugkeer in de samenleving.
De kans op een geslaagde combinatie van opvoeding, scholing en werk kan daarmee worden vergroot. "Als een moeder goed in haar vel zit, komt dat ook de kinderen ten goede". In het huidige aanbod betekent dit dat we nu een viertal onderdelen hebben ontwikkeld en uitvoeren.
Programma tijdens detentie: groeps(thema)bijeenkomsten
- Moeder de Gans
- Cursus; Ik, JIJ, WIJ,
- Bezoekmoederproject
Programma na detentie:
Moedermaatjesproject.
Humanitas voert het projectonderdeel 'Gezin in Balans' uit. Voor informatie over dit project: e-mail: info@gezin-in-balans.nl
, www.gezin-in-balans.nl.
Zie ook: K. Sok, 'Gezin in Balans: terug in het gezin en terug in de samenleving Gezinsondersteuning en maatschappelijke reïntegratie voor (ex-)gedetineerde moeders'. Uitgave Humanitas, 2007.
Oudercursus 'Waarde(n)vol communiceren met kinderen: DOEN!'
In de cursus "Waarde(n)vol communiceren met kinderen: DOEN!" van het Humanistisch Vormingsonderwijs staan de eigen waarden van ouders, de dagelijkse praktijk en het belang van duidelijke communicatie in de ouder-kind relatie centraal. De communicatie over gevoelens en behoeften heeft hier direct mee te maken.
Ouders werken met elkaar gedurende 10 bijeenkomsten/weken aan het verhelderen van hun eigen kijk op opvoeding en hoe zij daaraan invulling willen geven. Het ontdekken van de eigen stijl en het maken van bewuste keuzes hierin krijgen ruim aandacht. Wilt u als ouder praktisch bezig zijn en stilstaan bij het in praktijk brengen van uw eigen waarden in de opvoeding, dan kunt u op diverse plaatsen in het land terecht bij onze oudercursus.
In het programma staat centraal het opbouwen en onderhouden van een relatie met kinderen, die zich kenmerkt door openheid, redelijkheid en gelijkwaardigheid. Kernbegrippen in de communicatie zijn:
In de waarde(n)volle communicatie richtmen zich op de oriëntatie van het individu, op eigen waarden en die van anderen. In de opvoeding betekent dat, dat het doel is de ander vrijheid van keus te geven en te leren verantwoordelijkheid te nemen. Als volwassene geef je hierin het voorbeeld. Je bent helder over je eigen standpunt met respect voor dat van anderen. In de programma's wordt stilgestaan bij het antwoord op de vraag naar de normen en waarden die voor ieder persoonlijk belangrijk zijn.
Onder de titelnaam “Waarde(n)vol communiceren met kinderen: DOEN!” wordt deze cursus aangeboden in Brabant, Groningen, Utrecht, Zeeland en Zuid-Holland. Ook worden in de cursus communicatievaardigheden geoefend die duidelijkheid in de ouder-kindrelatie brengen. Als u belangstelling hebt, kunt u contact opnemen met de contactpersonen van het Humanistisch Vormingsonderwijs in de regio.
U kunt een folder aanvragen bij het HVO voor uitgebreidere informatie: e-mail hvo@hvo.nl.
A. Geelhoed, ‘DOEN!’, Utrecht: HVO, 2001.Voor meer informatie over de cursus kunt u terecht bij hvo@hvo.nl of u kunt de folder downloaden. Werkboek €16,- (uitsluitend bestemd voor geautoriseerde cursusleiders) spellendoos € 35,-. Verkrijgbaar via www.hvo.nl
De cursus ‘Ik-Jij-Wij’, van Humanitas, is een training waarin ouders kennis maken met je eigen mogelijkheden. Uit de informatiefolder:
Het gaat over de relatie met je kinderen. In de training werken we niet met moeilijkheden maar aan mogelijkheden. Ieder doet dat voor zichzelf in zijn eigen werkboek en met elkaar in de groep. Tijdens de bijeenkomsten wordt gebruik gemaakt van allerlei werkvormen en materialen. Er worden gedichten voorgelezen, deelnemers stellen hun eigen muziek cd samen, en er is een verzameling boeken die geleend kunnen worden.
Uiteindelijk gaat het erover hoe je het met elkaar rooit. Het ‘er samen uitkomen’ en de vaardigheden die daarbij horen spelen een rol in de laatste bijeenkomsten. Steeds meer wordt er geoefend op manieren om duidelijk te zijn over je eigen grenzen zonder de ander te kwetsen. We leren conflicten hanteren en kijken naar wat je doet bij kinderruzies. Bij alles is het van belang inzicht te hebben in de eigen waarden en mogelijkheden. We sluiten af met een oefening over het anders omgaan met eigen idealen waarbij we terugkijken naar de doelen die in het begin zijn geformuleerd.
Voor informatie:
Humanitas,
Hertog Hendruk van Brabantplein 16b
5611 PE Eindhoven
tel. (040) 213 07 11
De werkwijze Gezinsportfolio is een concretisering van de optie 'ouderbetrokkenheid bij educatie'; een werkwijze die het Expertisecentrum Nederlands in samenwerking met Sardes ontwikkeld binnen het programma 'Taallijn VVE'. In het tijdschrift Leeskraam (2005, nr. 3) verduidelijkt Anne-Marie Baack de werkwijze van het gezinsportfolio.
'Het gezinsportfolio was niet alleen een verzamelboek, maar ook was er veel interactie binnen de groep over de gezinsportfolio’s op de peuterspeelzalen. Kinderen vertelden graag over situaties thuis aan de hand van foto’s. Met name het contact met de ouders is versterkt'. Dit is een reactie van een peuterleidster die deelnam aan een pilot van de Taallijn VVE in Zwolle, gericht op ouderbetrokkenheid. Het gezinsportfolio bleek een aantrekkelijk middel voor ouders, peuterleidsters en kinderen om samen te werken. Hun onderlinge betrokkenheid werd groter.
Het gezinsportfolio is een persoonlijk boek van het kind. Er zitten materialen in van thuis, zoals zelfgemaakte plakwerken, tekeningen, foto’s, verhalen over gebeurtenissen in het weekend. Daarnaast zitten er materialen in van de peuterspeelzaal, zoals zelfgemaakte werkstukken, tekeningen en uitspraken van het kind. Ook nieuwsbrieven, liedjes en woorden die passen bij het thema van het programma kunnen deel uitmaken van het gezinsportfolio. De informatie in het gezinsportfolio is tweezijdig. Het geeft informatie over de thuissituatie van het kind én het geeft informatie over het kind op de peuterspeelzaal.
Belangrijk aan de werkwijze van het gezinsportfolio is dat ouders met behulp van het gezinsportfolio worden aangesproken op de eigen kracht en verantwoordelijkheid. Het accent ligt hierbij niet op het aanvullen van wat ouders niet kunnen, maar juist het versterken van wat zij wel kunnen. Zowel voor de peuterleidster als voor de ouder wordt duidelijker zichtbaar wat er aan taalstimulering wordt gedaan. (...) De eerste aanzet tot een gesprek met de ouders komt vaak van de peuterleidster. Een peuterleidster: ‘Maar de inhoud van het gesprek werd nu eerder bepaald door de ouder. Ouders waren benieuwd wat hun kind vertelde over het thuisgemaakte werk. (…) Daarnaast vertelden de ouders spontaan, met behulp van foto’s, over het kind in de thuissituatie.
Het werken met gezinsportfolio’s gebeurt aan de hand van een stappenplan: verzamelen, selecteren, praten, reflecteren en presenteren.
Anne-Marie Baack, ‘Gezinsportfolio’, Leeskraam, 2005, nr. 3, p.23-25.
Literatuur
De projectgroep Ouderbetrokkenheid bestaat uit Anne-Marie Baack, Sylvia Peters, Minou de la Rambelje & Judith Stoep (vanuit het Expertisecentrum Nederlands) en Kees Broekhof & Heleen Versteegen (vanuit Sardes). Meer informatie kunt u vinden op: www.taalonderwijs.nl en www.sardes.nl.
Uit onderzoek blijkt dat ouders graag samen met de school hun kind willen ondersteunen, zeker als dat vanuit huis kan, schrijven de uitgevers van het programma Hecht: het RPCZ, een expertisecentrum op het gebied van leren in Zeeland, en het HCO, Het Haags Centrum voor Onderwijsbegeleiding. Hecht speelt op die behoefte van ouders in door kinderen op school én thuis actief bezig te laten zijn met dezelfde activiteiten.
Met het programma Hecht presenteren het RPCZ en het HCO een voor leerkrachten goed toepasbaar didactisch uitgewerkt lesprogramma's. Er zijn drie boeken; voor de onderbouw, de middenbouw en de bovenbouw van het basisonderwijs. In elk boek zijn vijfentwintig activiteiten uitgewerkt. Elke activiteit is gebaseerd op een thema en bestaat uit drie delen: een introductie op het thema in de klas, de activiteit die thuis uitgevoerd wordt door het kind met (één van) zijn ouders en daarna een verwerkingsactiviteit voor in de klas.
De boeken bevatten een inleiding en een verantwoording, gevolgd door de handleiding voor de leerkracht, het kopieergedeelte waarin de thuisactiviteiten voor de onderbouw zijn opgenomen en het literatuuroverzicht.
Hecht is gebaseerd op de Amerikaanse map ‘Character Connection, a School to Home Outreach program’ (2001) van Maria Loew en Janie Hamilton, Deze map werd in Amerika meermalen bekroond.
In de activiteiten worden vijftien verschillende, positief gewaardeerde karaktereigenschappen zoals betrokkenheid, behulpzaamheid en respect verwerkt. Deze eigenschappen zijn ontleend aan Spencer Kagan, die 15 universele kenmerken onderscheidt die in verschillende culturen positief worden gewaardeerd. Deze richten zich op de persoon zelf (karakter), de ander (positieve interactie tussen mensen) en de maatschappelijk omgeving (sociale verbondenheid).
In de inleiding is te lezen dat als uitgangspunt bij de ontwikkeling van de activiteiten is gekozen dat het vooral léuk moet zijn voor ouders en kinderen om deze activiteiten samen te doen. Er is daarom voor niet-schoolse onderwerpen gekozen, waarbij vooral interactie en het verstevigen van de relatie tussen ouder en kind centraal staan. Andere kenmerken zijn:
‘De resultaten van Hecht worden in hoge mate bepaald door de mate van betrokkenheid van de ouders bij de activiteiten', is in de inleiding te lezen. Om de ouders te informeren biedt het programma kopiebladen. Over de verdere communicatie met ouders wordt gesuggereerd: ‘Tijdens een informatieavond aan het begin van het schooljaar kunnen doelen en werkwijze van Hecht, de motivatie van de school om met Hecht te werken en de ervaringen van de leerkrachten onderwerp van gesprek zijn (…) Om de ouders op de hoogte te houden van de resultaten van het werken met Hecht kan de leerkracht (of het gehele team) de ouders uitnodigen naar de resultaten van de activiteiten (de werkbladen) te komen kijken’ (p. 10)
Het programma is uitgeprobeerd in pilotprojecten. De handleidingen vermelden geen gegevens over (mogelijk) effectonderzoek naar de realisering van de inhoudelijke doelstellingen bij (verschillende doelgroepen) kinderen en ouders, en over bijvoorbeeld het bereik en inzet van de (verschillende doelgroepen) ouders.
Bij het programma hoort ook een begeleidingstraject ter ondersteuning van de implementatie. Informatie is te verkrijgen bij het RPCZ en het HCO.
Hecht wordt uitgegeven door RPCZ Educatieve Uitgaven. De auteurs zijn: Katja Bosch (RPCZ), Hanan El-Idrissi (HCO), Lisette de Roode-Zandvoort, (HCO), Jenny de Vos-Boonman (RPCZ).
De prijs per deel (circa 100 p.) is € 22, en € 58 voor de drie boeken samen. Voor meer informatie en bestelgegevens: www.hco.nl/hecht en www.rpcz.nl/hecht; telefoon HCO (070) 448 28 28, RPCZ (0118) 62 88 51.
Preventieve Gezinsinterventie bij dreigend geweld
'Dijkstra onderzoek en advies' is verzocht om voor opdrachtgever ggz Altrecht in 2005 een preventieve gezinsinterventie te ontwerpen voor ouders van kinderen van 0 tot 8 jaar bij wie mishandeling of verwaarlozing dreigt of pas gaande is. Deze cursus 'respectvol opvoeden' wordt in het najaar op kleine schaal bij een beperkte groep ouders en kinderen getoetst. Verschillende ketenpartners zoals verslavingszorg, De Waag, Altrecht jeugd, Vrouwenopvang en Veilighuis, gezinsbehandelaars van de Bellenbergh en uitvoerders van het team jeugd van de afdeling Preventie zijn betrokken bij de ontwikkeling van dit project.
Nadere inlichtingen over de gezinsinterventie en de toepassing zijn te verkrijgen bij programmacoördinator T. Mathot, Altrecht, e-mail T.Mathot@altrecht.nl
‘Stabiel’ is een nieuw programma van het Leger des Heils. Met Stabiel wordt intensieve gezinsondersteuning geboden aan multi problem gezinnen die door normoverschrijdend gedrag nauwelijks meer te handhaven zijn. Bij deze gezinnen is ondersteuning in een vrijwillig kader vaak al tijden lang geprobeerd, maar niet meer mogelijk. Daarom wordt dringend en dwingend opgetreden. Bijvoorbeeld vanuit een (dreigende) jeugdbescherming maatregel (ondertoezichtstelling). ‘Stabiel’ lijkt te kunnen voorzien in de behoefte aan aanbod op het snijvlak van justitie en zorg. De mogelijkheden worden onderzocht om deze methode aan te laten sluiten op bestaande maatregelen van het programma Jeugd Terecht."
Het programma ‘Stabiel’ is AWBZ-gefinancierd en de indicatie wordt altijd op één van de volwassenen uit het gezin gesteld.
‘Stabiel’ is in september 2005 van start gegaan in Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Leeuwarden en Tilburg.
Zie verder: www.legerdesheils.nl
De Rationeel Emotieve Therapie (RET) - voor ouders ook wel een Rationeel-Emotieve Training genoemd - is een praktisch middel bij het beantwoorden van opvoedingsvragen van ouders die in een negatieve spiraal verkeren. Dit concludeert Lora Hoftijzer in een afstudeerthesis van de Fontys HBO-opleiding Pedagogiek, waarin ze een literatuur- en praktijkonderzoek verrichtte. Ze concludeert dat de RET-methodiek een goede aanvulling is op het aanbod van een Informatiepunt Opvoeding.
De kern van het hanteren van de Rationeel Emotieve Therapie binnen de opvoeding wordt gevormd door het uitgangspunt dat ouders voor een groot deel zelf bepalen hoe zwaar problemen wegen. De RET wordt ingezet om ongewenst gedrag, gevoelens en emoties om te buigen naar helpende gedachten, gevoelens en effectief gedrag wat de ouder kan helpen zijn/haar doel gemakkelijker te verwezenlijken. Deze methodiek maakt het ombuigen van irrationele gedachten en emoties naar rationele gedachten en emoties mogelijk door op een heldere en overzichtelijke wijze te verklaren hoe problemen ontstaan.
In de RET wordt gewerkt met het ABC-model. De A staat voor Activating event, gebeurtenis, de B staat voor Beliefs, gedachten en ideeën en de C staat voor Consequence, emotionele gevolgen (gevoelens) van de gedachte. Moeder wordt dus niet boos (C) omdat het kind bij thuiskomst haar jas op de grond gooit (A), maar omdat moeder gelooft dat het kind dit niet mag doen of dat het kind lui en nonchalant is (B). Aan het ABC model zijn de letters D en E toegevoegd. D staat voor Discussion, gedachten uitdagen en E staat voor Effectivity, met andere woorden: meer effectievere of helpende gedachten.
In het Nederlands wordt het ABC-model ook wel het GGGG-model genoemd. In het 4G-model staan de 4 G's voor:
Gebeurtenis
Hierbij stelt de cliënt zichzelf de vraag welke gebeurtenis of uitlokkende situatie vooraf ging aan het emotionele probleem.
Gedachte
Welke gedachten volgden op de gebeurtenis? Er wordt onderzocht of de cliënt de gebeurtenis juist heeft geïnterpreteerd, en welke inadequate, irrationele denkbeelden dit tot gevolg heeft gehad.
Gevoel
In deze fase brengt de cliënt zijn of haar gevoelens en emoties ten aanzien van de gebeurtenis en gedachten in kaart.
Gedrag
In de laatste fase evalueert de cliënt het gedrag wat hij of zij liet zien ter aanleiding van de gebeurtenis, de gedachten en gevoelens die de gebeurtenis opriep. Wat was de reactie van de cliënt en hoe zou de cliënt graag anders willen reageren?
Als literatuur over RET voor de medewerkers van het Informatiepunt Opvoeding wordt aangeraden: ‘RET handboek voor ouders’, R. Bender & A. Dijkman (2005), ‘RET je kind’ van J. Verhulst (2006) en ‘Rationeel-emotieve therapie, een praktische gids voor hulpverleners’ (1998) van G. Jacobs.
L. Hoftijzer, ‘Ontspannen opvoeden?!’ Rationeel Emotieve Therapie in opvoedpraktijk’. Afstudeerproject in het kader van Fontys Hogeschool voor Pedagogiek, Tilburg, 2008. Te downloaden van http://hbo-kennisbank.uvt.nl/.
Zie ook: R. Bender & A. Dijkman, ‘RET handboek voor ouders’.
De inzet van Snel Hulp in Flevoland - in het kader van Regio RAAK - betekent dat na melding binnen acht werkdagen hulp wordt geboden om kindermishandeling te voorkomen of te bestrijden. De hulpverleningsduur is maximaal drie maanden.
Bureau Jeugdzorg Flevoland vormt de toegang tot de module Snel Hulp. Het BJZ zorgt voor een indicatie binnen 4 weken na de start van de hulpverlening.
Snel Hulp is een hulpverleningsmodule geleverd door twee jeugdzorgaanbieders De samenwerkingsafspraken met Bureau Jeugdzorg Flevoland zijn zo dat na aanmelding binnen acht werkdagen de module ingezet wordt.
Er is een methodiekbeschrijving van Snel Hulp beschikbaar. Snel Hulp zit qua intensiteit en doorlooptijd tussen Families First (zes weken) en IOG (zes maanden). Families First is crisishulpverlening en IOG is geïndiceerde ambulante hulp.
Snel Hulp start als crisishulpverlening (dus zonder indicatie). Binnen vier weken wordt een indicatie afgegeven voor de resterende acht weken om Snel Hulp te kunnen afronden. Vanuit de twee zorgaanbieders zijn er vier medewerkers die Snel Hulp als module uitvoeren. Zij voeren daarnaast binnen hun reguliere werkzaamheden ook Families First en IOG uit. De fasering in tijd is verschillend maar de respondenten merken op dat zij veel overeenkomsten in middelen zien met de programma.s FF en IOG.
De vooruitzichten voor structurele inbedding zijn goed. Het effect van Snel Hulp is dat in een aantal zaken in korte termijn duidelijk wordt of de veiligheid van het kind in het geding is en welk vervolgaanbod passend is. Knelpunten bij de uitvoering van Snel Hulp is de beperkte capaciteit (de directe beschikbaarheid van de hulpverleners).
Uit: A.E. van Burik en R.T. van Vianen, Reflecties op de Regio.s RAAK. Tussentijdse evaluatie' Woerden: Adviesbureau Van Montfoort, 2005, p. 23-24.
De handleiding, uitgegeven door , is bedoeld voor hulpverleners die betrokken zijn bij hulp aan ouders en kinderen met een verstoorde gehechtheidrelatie. Om voor deze methodiek geïndiceerd te worden, is het essentieel dat de problemen bij het kind gepaard gaan met problemen bij de ouder. De VU en Xonar hebben hiervoor een werkwijze ontwikkeld die aansluit aan bij de vraag van ouders om hulp bij het zich weer vertrouwd leren voelen in de rol als ouder, zodat de ouder zijn verantwoordelijkheid voor het kind toe waar kan maken en het kind zich veilig kan voelen bij de ouder. Primair gaat het niet om wat er met het kind aan de hand is, maar hoe de ouder de problematiek beleeft. Dialooggestuurde hulpverlening, empowerment en sociale verbondenheid zijn hierbij belangrijke uitgangspunten.
De werkwijze is theoretisch onderbouwd in de uitgave: 'Methodiek behandeling van verstoorde gehechtheid'. De hulp aan gezinnen met een verstoorde gehechtheid baseert zich op gehechtheidtheorieën van Bowlby, Ainsworth e.a. De ouderbegeleiding gaat uit van de theorie van Van der Pas: een ouder heeft een besef van verantwoordelijk-zijn, niet gelimiteerd in tijd of door condities. De visie van Xonar op hulpverlening is dat de vraag van de cliënt bepalend is voor de hulp die wordt geboden. De VU en Xonar hebben ook wetenschappelijk onderzoek verricht naar de uitvoering van deze werkwijze.
De methodiek in de 'Handleiding voor de ouderbegeleider' is opgebouwd uit vijf fases: 1.) kennismaking, 2.) Ouderschapsgesprek, 3.) de metapositie en de werkvloer, 4.) het Ouderschapsgesprek opnieuw, en 5.) de afronding.
Het 'Ouderschapsgesprek' is een semi-gestructureerd interview dat ontworpen is om met ouders te kunnen praten over gebeurtenissen en emoties die samenhangen met het ouderschap. Het Ouderschapsgesprek bestaat uit 16 vragen en de afname ervan duurt ongeveer drie kwartier. Het gesprek richt zich op zowel positieve als negatieve aspecten van de ouder-kind relatie hierbij ligt de nadruk steeds op de relatie zoals die ten tijde van het gesprek wordt beleefd.
In fase 3 wordt voor het kind de module 'Dagbehandeling voor kinderen van 0-7 jaar' ingezet en ontvangen de ouders ouderbegeleiding; bv. met de methodieken 'Video Ouder Begeleiding - metapositie', 'Praten over opvoedingssituaties aan de hand van vignetten'; 'Sociogram'. Om de ouder te ondersteunen in het 'werken op de werkvloer' kan gebruik gemaakt worden van methodieken als 'Video Ouder Begeleiding - werkvloer', 'Ouder-kind gym, 'Zingen op schoot'.
'Handleiding voor de ouderbegeleider', Amsterdam: VU en Xonar, 2004, 81 p. (interne uitgave).
'Methodiek behandeling van verstoorde gehechtheid', Amsterdam: VU en Xonar, 2004, 57 p. (interne uitgave).
Voor informatie: Mariëlle Bonnet, VU, Afd. Orthopedagogiek, e-mail: m.bonnet@psy.vu.nl
Zie verder:
Bonnet, M., C. Schuengel, H. Baartman, H., (2005): 'Het ouderschapsgesprek: een instrument om met ouders over ouderschap te praten'. Tijdschrift voor orthopedagogiek; jaargang 44 : nr 10 (oktober. 2005), p. 424-436.
Pas, A. van der, (1994): 'Ouderbegeleiding als methodiek'. Handboek methodische ouderbegeleiding 2. Amsterdam: SWP.
Pas, A. van der (2005): 'Eert uw Vaders en uw Moeders. Opvoedproblemen nader verklaard'. Amsterdam: SWP.
Schuengel, C. & M. van der Veen (2000): 'Het Ouderschapsgesprek'. Amsterdam: VU, 2000.
Het project 'Vroegtijdige Interventie in Gezinnen' (VIG) werkt met probleemgezinnen in het Oude Noorden in Rotterdam, die door de reguliere hulpverlening nauwelijks worden bereikt. Het gaat om (eenouder)gezinnen, die van de bijstand leven en waarvan de (jongste) kinderen risico lopen in de criminaliteit te komen.
In de eerste weken, de analysefase, werkt de VIG-gezinscoach aan het creëren van draagvlak, het analyseren van de problemen, en herstellen van haalbare en meetbare doelen.
In de tweede, structurerende, fase is gezinscoach veelvuldig aanwezig in het gezin, om vast structuren aan te brengen. De coach neemt darbij voor een groot deel de regie binnen het gezin over.
In de derde fase, de leerfase, geeft de mentor de verantwoordelijkheid terug aan de ouder(s) Voordoen, instructie en training zijn daarbij belangrijke instrumenten . In deze fase wordt gebruik gemaakt van beloning en sanctionering door korting op de uitkering.
In de ideale situatie is de VIG-begeleiding na zes maanden afgerond.
Voor informatie: Mike Heuves, e-mail m.heuves@radaradvies.nl, tel. 06 51 62 30 38.
Een folder en de informatieve beschrijving 'Vroegtijdige Interventie in Gezinnen' (2005, 37 p.) zijn te downloaden van www.radaradvies.nl.
Redbad Veenbaas en Ursela van Dijk voerden najaar 2005 een tussentijdse evaluatie uit. (Instituut Jeugd en Welzijn, Afdeling Criminologie, VU, Amsterdam.
Aan de hand van haar uitgave "Ho, tot hier en niet verder…!" (ISBN 90334-4558-1, ACCO, Leuven/Voorburg) verzorgt Jooske Kool train-de-trainers voor de training in psycho-sociale weerbaarheid voor hulpverleners, begeleiders of leerkrachten die met kinderen en ouders werken.
Jooske Kool (1952) is bewegingsexpressietherapeut, geregisteerd lid van de NVPMT, directeur en opleidingscoördinator van Stichting Uit eigen beweging.
Kind-ouderscursus
De kind-oudercursus "Ho, tot hier en niet verder …!" bestaat uit een training voor kinderen en een cursus voor de ouders/ opvoeder en omvat:
- (telefonische) intake kennismakingsgesprek
- informatiebijeenkomst voor ouders/opvoeders en leerkrachten
- training voor kinderen van 12 lessen (1,5 uur) met een werkboek voor het kind
- 4 ouderbijeenkomsten van 2,5 uur met een werkboek voor de ouders
- evaluatiegesprek
Deelname vindt uitsluitend plaats in de combinatie van het kind en de ouders/opvoeders
Bewegingsruimte,
Praktijk voor bewegingsexpressie en –therapie,
Jooske Kool,
Vliek 10,
6235 NR Ulestraten,
Tel. (043) 326 18 47,
E-mail jm-kool@hetnet.nl.
'Baby Extra' in Eindhoven is een kans voor alle moeders en vaders om een negatieve spiraal te doorbreken. Om de doelen van het project te kunnen bereiken zal door middel van een versterking van de ketenzorg moeders en vaders uit de doelgroep verwezen worden naar of attent worden gemaakt op het expertisebureau 'Baby Extra'.
Doel
Doelgroep
Intermediaire doelgroepen
Verpleegkundigen en artsen van de consultatiebureaus, verloskundigen, behandelaars van de GGzE, de PAAZ afdelingen en Novadic-Kentron, de huisartsen, gynaecologen en kinderartsen en alle anderen die professioneel te maken hebben met de moeders en vaders uit de doelgroep.
Aanpak
Projectleiders zijn Marij Eliëns (AIT/De Combinatie) en Cecilia van de Zeeuw (GGzE, Eindhoven, afd. Preventie).
Bron: www.babywerk.nl; 'Communicatief', Tijdschrift van het landelijk bureau Associatie Intensieve Thuisbehandeling.
'Baby Extra’ won de jeugdzorgprijs 2007 op de Nationale Jeugdzorgmanifestatie, die op 27 november 2007 werd gehouden. ‘Wanneer je in een vroeg stadium hulp biedt, voorkom je daarmee grotere problemen. (…) Het aanbod van ‘Baby Extra’ is gericht op baby’s van ouders met psychische, verslavingsproblemen of een verleden met mishandeling en verwaarlozing. Vooral het voorkomen van problemen staat centraal. De cliëntenjury vindt dit van groot belang.’ Dit is te lezen in het juryrapport.
Zie verder: www.babyextra.nl.
Ouders met verslavingsproblemen en hun kinderen (jongeren) nemen samen deel aan een intensieve cursus waarin communicatie en opvoeding centraal staan. Dit is de bijzondere opzet van de interventie 'Gezin aan bod', de vertaling en proefuitvoering van het Amerikaanse 'Strengthening Families Program'.
In een programmeringsstudie 'Resultaten Scoren' van GGZ Nederland kwam de gezinsgerichte interventie het 'Strengthening Families Program' (K. Kumpfer) er positief uit (Bolier en Cuijpers, 2000)
De omvang van de doelgroep geeft alle aanleiding om interventies te ontwikkelen. Er zijn in Nederland 370.000 kinderen onder de 22 jaar met een ouder met een middelenstoornis (bron: Nemesis).
Voor een proef met 'Strengthening Families' (SF) in Nederland is gekozen voor de selectieve doelgroep kinderen van ouders met verslavingsproblemen in de leeftijd van 11+. Doel van de proef is na te gaan of de interventie in Nederland uitvoerbaar is.
SF is een cursus waarin communicatieve vaardigheden en opvoedingsvaardigheden centraal staan. Het programma heeft een aantal bijzondere eigenschappen.
De uitvoering bleek succesvol te zijn. Uitval was minimaal, opmerkelijk gezien het uitgebreide programma van 14 bijeenkomsten. De deelnemers waren zeer tevreden.
Voor informatie: Trimbos-instituut, M. Bool E mbool@trimbos.nl
Opgave voor de presentatie 'Gezin aan bod' via het secretariaat E lsp@trimbos.nl.
Bron: Preventie periodiek, 1/2006, p. 3-4.
ZonMw heeft het project 'Gezin aan bod' begin 20007 benoemd als 'parelproject', een project van meer dan gemiddelde betekenis. Hierdoor komen extra middelen beschikbaar voor de implementatie, waardoor het Trimbos-instituut, naast training, ook verdere ondersteuning kan bieden.
Erger Voorkomen (IOG-EV) is een ambulante hulpvorm voor jeugdigen die vanwege een delict in aanraking met de politie komen. Het gaat om jongeren tussen de 8 en 17 jaar die ook problemen thuis, op school of in de vrije tijd hebben. Hun ouders worden eveneens geholpen.
Bureau Jeugdzorg kan de jongeren al binnen 72 uur na acceptatie doorverwijzen naar een aanbieder van jeugdzorg. Deze hulpvorm is in het kader van Jeugd terecht nieuw ontwikkeld.
Vanaf het begin van dit jaar wordt IOG-EV uitgevoerd binnen drie proefregio's in Groningen, Drenthe en Overijssel waar ook 'Hulp aan Huis'-programma's zijn.
Doelen van deze intensief ambulante hulpvorm zijn onder andere recidive verminderen en voorkomen dat de jeugdige een criminele loopbaan ontwikkelt. Maar ook: het versterken van vaardigheden bij jongeren en ouders zodat ze om kunnen gaan met de problemen die ze tegenkomen.
Voor meer informatie over IOG-EV: Forium, Harm Wijgergangs, tel. (0544) 840 120.
Bron: Jeugd Terecht, maart 2006.
Bron: I. Westbroek, 'Succesvolle avond tijdens Vaderweek op De Dukdalf ' Het lijkt of er een moderne generatie vaders is opgestaan'. ROM, mei 2006, p. 21-23
De Meeuw, PB 57689, 3008 BR Rotterdam, tel. (010) 486 30 22, www.de-meeuw.nl.
Wat leert mijn kind op de basisschool? Wat kan ik als ouder doen? Wie werken er allemaal op de basisschool? Wat valt er te kiezen na groep 8? Op deze vragen krijgen ouders die deelnemen aan de cursus 'Veel plezier op school!' antwoord.
Ouders leren over school in 'Veel plezier op school!' Het is een brede oriëntatiecursus voor ouders (acht bijeenkomsten), die gegeven kan worden door allerlei (HBO-) professionals die met ouders werken. Stichting De Meeuw en Sonor (een organisatie voor opbouwwerk), die dit programma hebben ontwikkeld horen van professionals dat er een grote behoefte is aan bruikbaar materiaal om ouders meer bij de school van hun kind te betrekken.
Veel ouders met weinig ervaring met het (Nederlandse) onderwijs, zitten met vragen.
Aan de hand van de cursusmap met dvd kunnen taaldocenten NT2, opbouwwerkers, schoolmaatschappelijk werkers en oudercoördinatoren ouders informeren over school en over hun eigen rol als ouders. Door allerlei opdrachten (ook voor thuis) leren ouders op een actieve manier hoe zij hun kind kunnen steunen en wat zij samen met hun kind kunnen doen.
In de twee pilotgroepen waar opbouwwerkers van SONOR de cursus hebben gegeven (een groep moeders met taalles op de basisschool / en een NT2 basiseducatiegroep), is de cursus goed aangeslagen. De cursisten kregen inzicht in hun aandeel bij de ontwikkeling van hun kind en deden (taal-)vaardigheden en ideeën op.
'Veel plezier op school!' is ontwikkeld in het kader van het project Empowerment, een onderdeel van het programma 'Op Eigen Kracht' in de deelgemeente Rotterdam-Noord. De cursus is bedoeld voor (taal-)docenten, opbouwwerkers, maatschappelijk werkers, ouderconsulenten en anderen die met groepen ouders werken.
Materiaal
'Veel plezier op school!' is een uitgave van Stichting de Meeuw en SONOR. De cursusmap incl. dvd bevat cursist- en begeleidersmateriaal voor acht bijeenkomsten. De cursusmap is te koop voor professionals die werken met groepen ouders.
Aan het materiaal is een Train de trainer-scholing verbonden. Cursusmap voor de begeleider incl. dvd en kopieerbare cursistmaterialen € 100,- Studiedag voor potentiële trainers € 175,- Scholing van drie dagdelen € 300,-
Informatie
Stichting de Meeuw, Elke Louwers (e.louwers@de-meeuw.nl) of Marian Veldhuis (m.veldhuis@de-meeuw.nl), telefoon (010) 486 30 22, www.de-meeuw.nl.
SONOR, Angelina Adam (sgadam@sonor.nl), telefoon (010) 265 27 37, www.sonor.nl.
Lies Alons, Yolande Timman (ITTA ) Woutje Westenbrink (Sardes) en Heleen Verstegen (Sardes) hebben in samenwerking met ThiemeMeulenhoff een nieuwe methode ontwikkeld voor duale trajecten NT2 en opvoedingsondersteuning. ‘Spraakmakers’.
Spraakmakers is ontwikkeld om de groep allochtonen die al langere tijd in Nederland is, de oudkomers, Nederlands te leren. De inhoud is afgestemd op het opvoeden; de opvoedingssituatie in Nederland.
Er zijn in Nederland circa 400.000 oudkomers, veelal vrouwen, met opvoedingtaken, die vaak geen mogelijkheid hebben om de reguliere trajecten voor het leren van Nederlands te volgen. Inburgeraars kunnen met ‘Spraakmakers’ ook worden voorbereid op het inburgeringexamen.
De methode bestaat uit vijf goed verzorgde werkboeken voor ouders, die zijn afgestemd op de leeftijd van de kinderen. Om met ‘Spraakmakers’’ te beginnen moeten de deelnemers enige kennis van het Nederlands hebben; aanspreekbaar zijn. (‘op weg naar niveau 1’). Het doornemen van een werkboek vraagt ongeveer 30 dagdelen. Bij de werkboeken hoort een cd-rom, met een uitspraakleerlijn en een gesproken woordenlijst geordend op thema. De deelnemers kunnen hiermee ook thuis oefenen.
Voor de docenten zijn er twee uitgebreide klappers met handleidingen beschikbaar (voor de modules 1 en 2, en voor de modules 3,4,5); met een DVD met videofragmenten.
Als didactisch principe is het ‘VUT-model’ gebruikt: Vooruitkijken, Uitvoeren, Terugkijken. Voor het ‘uitvoeren’ wordt uitgegaan van concrete situaties, die de deelnemers in de praktijk gaan uitvoeren/oefenen.
‘Spraakmakers bestaat uit vijf modules ontwikkeld, afgestemd op ouders met kinderen in verschillende leeftijdsgroepen. In elke module komen onderwerpen aan bod die relevant zijn voor de leeftijdsgroep. Het uitgangspunt van iedere les is een gesprekssituatie, bijvoorbeeld een gesprek met de leidsters van een peuterspeelzaal. De cursisten bereiden zich tijdens de lessen voor om daarna het gesprek daadwerkelijk te voeren. Vervolgens wordt het gesprek uitgebreid nagesproken, waarbij veel aandacht is voor de taalvaardigheid en voor opvoedingsvraagstukken.
Module 1: 0-3 jaar: een afspraak op het consultatiebureau.
Module 2: 3-6 jaar: naar de peuterspeelzaal.
Module 3: 6-11 jaar: een tien-minutengesprek met de leerkracht op de basisschool.
Module 4: 11-14 jaar: de ontwikkeling van kind tot puber.
Module 5: 14-18 jaar: praten met kinderen over een vervolgopleiding of werk.
Sardes en ITTA verzorgen trainingen voor docenten die met ‘Spraakmakers’ gaan werken. Zie www.sardes.nl en www.itta.uva.nl.
L. Alons, Y. Timman en W. Westenbrink e.a., ‘Spraakmakers. Opvoeden in Nederland’. ThiemeMeulenhoff, www.spraak-makers.nl.
De werkboeken voor ouders kosten circa 22.50 euro per module. De bijbehorende CD 14,50. euro. De docentenhandleidingen kosten 100 euro.
In Nederland worden per jaar circa 2.500 meiden voor hun 20e jaar moeder (cijfers 2007). Met deze jonge moeders en hun kinderen gaat het best goed. Toch hebben ook zij vragen en soms problemen. Denk hierbij aan vragen over de opvoeding of over de rechten en plichten van het ouderschap en aan problemen met het vinden van opvang voor zichzelf, met huisvesting of kinderopvang. Een deel van de jonge moeders komt in een isolement terecht of loopt risico om in een isolement terecht te komen. Het is daarom van belang dat deze jonge moeders leren het heft in eigen hand te nemen.
Hiervoor is materiaal ontwikkeld om bijeenkomsten met jonge moeders te organiseren. Het resultaat is een goed verzorgde praktijkmap en een website waarmee deze bijeenkomsten georganiseerd kunnen worden onder de naam 'Heft in eigen hand'.
Draaiboek
In de map zijn vijf thema's uitgewerkt voor 26 bijeenkomsten voor jonge moeders. De vijf thema's zijn visie op moederschap, je kindje, onafhankelijk zijn, zelf jong zijn en je netwerk. Stuk voor stuk zijn dit onderwerpen die spelen bij jonge moeders.
Naast deze bijeenkomsten geeft de map informatie over de achtergronden van jonge moeders en over de visie die aan de jonge moedergroepen ten grondslag ligt. Daarnaast besteedt de map aandacht aan de vaardigheden van de begeleiders van deze jonge moedergroepen.
Bij de beschrijving van de werkvormen en de achtergrondinformatie hebben de auteurs ook bestaand materiaal bewerkt. Annick van der Hoeven schreef een eerste versie: 'Werkboek jonge moeders' (Gouda: JSO, 2004).
De draaiboek is uitgetest in pilots met jonge moedergroepen. Evaluatie- of onderzoeksgegevens worden niet vermeld.
Website 'Heft in eigen hand'
Op de website www.fiom.nl/heftineigenhand is de informatie uit de map opgenomen. (Zonder kosten te downloaden).
Yvonne Scheyper (eindred.), 'Heft in eigen hand. Praktijkmap voor begeleiders van bijeenkomsten voor jonge moeders'. Utrecht/Gouda: Stade/SJO, 2006, ca. 170 p.
'Heft in eigen hand' is ontwikkeld door JSO, Stichting Ambulante Fiom en Stade Advies in opdracht van het Ministerie van SZW (emancipatiebeleid).
Informatie
Yvonne Schleyper, projectleider, Stade Advies, tel. (030) 23 61 832, (06) 22 44 74 71, e-mail: y.schleyper@stade.nl (wo, do, vr.).
Zie ook: www.tienermoeders.nl.
'Allochtone Vaders' is een programma van Mediant, Centrum Preventie GGZ, dat bedoeld is om deze vaders in staat te stellen een opbouwende rol in de opvoeding van hun kinderen te spelen. Het draaiboek is gebaseerd op de ervaring en de resultaten van meerdere bijeenkomsten. Het betreft een goed verzorgd draaiboek voor vier bijeenkomsten over: opvoeden vroeger en nu, waarden, veilig opgroeien, ontwikkeling en contact.
Het draaiboek biedt praktisch uitgewerkt werkmateriaal en informatie voor de vaders. In het draaiboek wordt ook de achtergrond van het programma toegelicht. Bij de aanpak is gekozen voor de invalshoek van de bewustwording.
Als doelen bij het thema 'waarden' worden genoemd: 'De deelnemers kunnen verschillende manieren van leren opvoeden benoemen; weten vanuit welke bronnen zijzelf leren over opvoeden; worden zich bewust van hun eigen opvoedingswaarden en die van anderen; hebben een beeld van de Nederlandse opvoedingswaarden.' Het draaiboek vermeld niet of er (effect)onderzoek gedaan is naar de uitvoering van het programma.
Het programma kan worden uitgevoerd door instellingen voor GGZ, GGD, maatschappelijk werk, welzijnswerk.
Tieti Hoekstra en Recep Canel, 'Allochtone vaders: je kind voorbereiden op een toekomst in Nederland'. Enschede: Mediant, 2006, 35 p. Het draaiboek wordt verstrekt bij de 'train de trainer'-cursus. Voor informatie: Tieti Hoekstra, e-mail t.hoekstra@mediant.nl.
Handboek CB-bijeenkomsten moeders Marokkaanse afkomst, Rita van den Berg e.a.
In Boskoop is een serie van drie laagdrempelige activiteiten vanuit het consultatiebureau ontwikkeld voor moeders van Marokkaanse origine en hun kinderen. Er wordt gepraat wordt over het dagelijkse leven als vrouw, moeder, echtgenote en migrant. In iedere bijeenkomst staat een dagdeel centraal: ochtend, middag en avond. Dit is uitgewerkt in een urenspel over het dagdeel.
Er wordt gewerkt met een medewerker uit de doelgroep, die zelf ook ouder is. Zij spreekt Marokkaans en Nederlands, en werkt als zorgconsulent voor het consultatiebureau. De bijeenkomsten duren 2 tot 2½ uur en zijn los van elkaar te volgen. De gehanteerde werkvorm nodigt uit tot praten. Uitgangspunt is de uitwisseling over de vragen, behoeften, problemen en beleving van de Marokkaanse moeders. De groepsleider bekrachtigt de moeders in hetgeen goed gaat.
De bijeenkomsten vinden plaats in de groepsruimte van het consultatiebureau, waarmee de vrouwen vertrouwd zijn.
De organisatie en uitvoering van de serie bijeenkomsten in het consultatiebureau in Boskoop is toegankelijk en overdraagbaar beschreven in een projectplan, draaiboek, wervingsplan, uitnodiging en sociale kaart met informatie over lokale voorzieningen voor ouders van Marokkaanse komaf.
Deel IV, 'Nog niet bereikte Marokkaanse ouders. Activiteiten vanuit een consultatiebureau' van het Handboek ‘Opvoedingsondersteuning aan specifieke groepen ouders’, kunt u downloaden van de site van JSO: www.jso.nl.
R. van den Berg e.a., 'Handboek ‘Opvoedingsondersteuning aan specifieke groepen ouders. Deel IV. Nog niet bereikte Marokkaanse ouders. Activiteiten vanuit een consultatiebureau'. Gouda: JSO, 2006, 25 p.
Handboek bijeenkomsten op school voor moeders Marokkaanse afkomst, Rita van den Berg e.a.
In Gouda zijn voor ouders van Marokkaanse leerlingen uit groep 1 t/m 8 activiteiten opgezet vanuit een basisschool. Er is een serie van drie moederbijeenkomsten gegeven onder de naam “Blij naar school en blij naar huis”. De bijeenkomsten gaan over contact met school, regels en grenzen thuis & op school, en het basisschoolkind (themapakket). De communicatie mag geen probleem zijn. Daarom is gewerkt met een opvoedingsvoorlichter van 'Spel aan Huis' van Marokkaanse origine.
De bijeenkomsten duren 2 tot 2½ uur en zijn los van elkaar te volgen. De activiteiten zijn opgebouwd uit diverse werkvormen en zijn praktijkgericht. Ook wordt enige theorie gegeven. De moeders krijgen richtlijnen die direct toepasbaar zijn. Praktijkvoorbeelden uit het dagelijks leven nodigen uit tot uitwisseling. De groepsleider bekrachtigt de moeders in hetgeen goed gaat.
De organisatie en uitvoering van de serie bijeenkomsten in de basisschool in Gouda is toegankelijk en overdraagbaar beschreven in een projectplan, draaiboek, uitnodiging en sociale kaart met informatie over lokale voorzieningen voor Marokkaanse ouders.
Deel V, 'Nog niet bereikte Marokkaanse ouders. Activiteiten vanuit een basisschool' van het Handboek ‘Opvoedingsondersteuning aan specifieke groepen ouders’, kunt u downloaden van de site van JSO: www.jso.nl.
R. van den Berg e.a, 'Handboek ‘Opvoedingsondersteuning aan specifieke groepen ouders. Deel V. Nog niet bereikte Marokkaanse ouders. Activiteiten vanuit een basisschool'. Gouda: JSO, 2006, 17 p.
Themapakketten opvoedsteun gezinnen Antilliaanse origine
JSO heeft een methodiek ontwikkeld binnen het programma 'Mi Tesoro' dat ondersteuning biedt bij de opvoeding en integratie van gezinnen met een Antilliaanse achtergrond.
De methodiek werkt met themapakketten om opvoedingsvragen van ouders van Antilliaanse origine bespreekbaar te maken en kennis over opvoeding en ontwikkeling van kinderen te vergroten. De vijf themapakketten bieden beroepskrachten handvatten en aanknopingspunten om groepsbijeenkomsten voor Antilliaanse ouders te organiseren. De pakketten zijn ontwikkeld in een team van Antilliaanse en niet-Antilliaanse deskundigen.
De volgende themapakketten zijn bij JSO te huur (€ 11,00 per pakket voor 2 weken) of te koop (€ 70,00 per pakket excl. verzendkosten):
JSO heeft meer dan dertig jaar ervaring op het gebied van opvoedingsondersteuning voor Nederlandse, allochtone en vluchtelingenouders. Om het intercultureel werken in organisaties te versterken zijn diverse trainingen en methodieken ontwikkeld. Recent is een compleet overzicht van de advies-, trainings- en ondersteuningsactiviteiten op het gebied van diversiteit samengesteld. U kunt dit opvragen bij JSO, T 0182 547888, E secretariaat@jso.nl. Of kijk op de vernieuwde website: www.jso.nl.
In samenwerking met NISB (Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen) heeft Top-punt het themapakket 'Beweegkriebels' uitgebracht. Het is een pakket waarmee ouderbijeenkomsten voor ouders van kinderen van 0-4 jaar kunnen worden gehouden.
Doel is dat ouders zich ervan bewust worden hoe belangrijk bewegen is voor de ontwikkeling van jonge kinderen. Ze ervaren, door activiteiten in de praktijk, zelf weer het plezier van bewegen. Ouders krijgen tips hoe ze samen met hun kind met bewegen bezig kunnen zijn en hoe ze hun kind kunnen uitdagen tot meer spelenderwijs bewegen.
Als de bijeenkomst b.v. in een kindercentrum wordt uitgevoerd krijgen ouders informatie over de wijze waarop de beroepskrachten het bewegen van kinderen stimuleren. Het uiteindelijke doel is dat jonge kinderen meer spelenderwijs bewegen en gezond opgroeien.
Het pakket bevat een handleiding, achtergrondinformatie over het thema, de dvd beweegkriebels en twee werkvormen. Ook bevat het pakket een cd-rom met o.a. ouderfolders, beschrijvingen van beweegspelletjes en het format voor een beweeg-sociale kaart.
De prijs van het pakket is ca. 100 euro.
K2, Brabants Kenniscentrum Jeugd, heeft de cursusbeschrijving 'Als je pas een baby hebt' kritisch onder de loep genomen. Het resultaat is een vernieuwde uitgave onder de titel 'Baby in Huis'.
Doelgroep cursus
De cursus is bedoeld voor ouders met een eerste baby in de leeftijd tussen 0 en 1 jaar, die door allerlei omstandigheden binnen en/of buiten het gezin na de bevalling een moeilijke start (lijken te) maken.
Doel van de cursus
Inhoud per bijeenkomst:
Bijeenkomst 1: De beleving van de bevalling en het moederschap
Bijeenkomst 2: Huilen, troosten en steun uit je omgeving
Bijeenkomst 3: Ieder kind is uniek: hoe is jouw kind?
Bijeenkomst 4: Contact met je baby: praten en spelen
Bijeenkomst 5: Combinatie zorg en werk (plus omgaan met ziekte van je baby)
Sociale steun
Voor veel ouders heeft het volgen van een cursus een negatief imago. Ze zijn wars van het schoolse leren of zijn onzeker over hun competentie. Het werven van ouders voor een cursus als 'Baby in Huis' kan daardoor erg moeizaam gaan. Zijn de ouders eenmaal over de drempel en hebben ze de voordelen geproefd die steun van ouders in vergelijkbare posities biedt, dan willen ze doorgaans met de groep verder gaan. Het is een belangrijk neveneffect van de cursus dat het netwerk van ouders vergroot wordt. Sociale steun is een belangrijke beschermende factor in de preventie van opvoedingsproblemen. Voor zowel ouders als professionals een reden om deel te nemen aan c.q. in te zetten op groepsgerichte opvoedingsondersteuning.
Themabijeenkomsten
Elke bijeenkomst kan los gegeven worden. Dat geeft de mogelijkheid om de bijeenkomsten niet in de vorm van een cursus te geven maar in de vorm van themabijeenkomsten. Het aantal dagdelen kan variëren van 4 tot 6. Elk dagdeel duurt 2 uur.
Materiaal
Bij de cursus is het materiaal dat Bureau Babywerk in opdracht van NJi (NIZW Jeugd) heeft gemaakt (dvd en handleiding) als uitgangspunt genomen. Hiermee is onder andere het thema combinatie werk en zorg met de daarbij horende consequenties meer in beeld gekomen. Om duidelijk aan te geven dat het hier gaat om een grondig gereviseerde cursusbeschrijving die nauw verbonden is met het werkmateriaal van de dvd 'Baby in Huis' is, met goedkeuring van NIZW en Bureau Babywerk, de titel veranderd in 'Baby in Huis' .
Bestellen
U kunt de cursusbeschrijving inclusief de DVD bestellen bij K2. De prijs bedraagt 63 euro (exclusief verzendkosten); (073) 614 17 74, http://www.k2.nl.
Informatie
Voor meer informatie over het materiaal kunt u contact opnemen met de auteur Leonie Reumers, e-mail leonie.reumers@k2.nl.
Bron: http://www.babywerk.nl.
Korte inhoud
De moeder – kindcursusvan De Jutters, is een preventieve cursus voor jonge kinderen tot zes jaar die getuige zijn (geweest) van huiselijk geweld en hun moeders. De kinderen en de moeders volgen acht bijeenkomsten, deels samen met de kinderen, deels apart. Door samen te spelen en te knutselen, wordt de band tussen moeder en kind versterkt. In een apart programma krijgen moeders informatie over de ontwikkeling van kinderen, de gevolgen van huiselijk geweld, steun bij verwerking, veiligheid, de relatie met de vader en de sociale omgeving.
Visie / uitrgangspunten:
Het aanbod bevat elementen uit de hechtingstheorie, de traumatheorie en de sociale leertheorie. Deze drie theoretische invalshoeken bieden elk hun eigen aangrijpingspunten voor interventie en belichten elk een specifiek domein van resultaten die men zich in een interventie ten doel kan stellen;
De nadruk ligt op het eerste domein: het herstel van de relatie en van het vertrouwen tussen de moeder en het kind. Dit is de basis voor een gezonde psychische ontwikkeling van het jonge kind.
Doel van de methodiek
Het doel van de preventieve Moeder - Kindcursus is het voorkomen van (verergering) van psychische problemen bij kinderen in de leeftijd van anderhalf tot zes jaar die getuige zijn (geweest) van huiselijk geweld.
De moeder-kindcursus draagt bij aan:
Doelgroep
De moeder-kindcursus is bedoeld voor kinderen van anderhalf tot zes jaar die getuige zijn (geweest) van huiselijk geweld en voor hun moeders. Het geweld dient gestopt te zijn. Deze kinderen en hun moeders kunnen in een vrouwenopvanghuis verblijven of zelfstandig met of zonder de vader wonen. Ook kan de cursus gegeven worden aan kinderen die (tijdelijk) in een kindertehuis wonen tezamen met hun moeders.
De proefuitvoeringen van de cursus zijn gedaan met ouders met een lage SES. Er zitten veel non verbale elementen in de cursus, evenals ruimte voor moeders om ervaringen uit te wisselen en elkaar te steunen. Uit de opgedane ervaringen blijkt de cursus ook geschikt voor allochtone moeders en hun kinderen.
Reikwijdte tot nu toe
Mogelijkheden voor overdracht
De methodiek is beschreven in: 'De Moeder – Kindcursus. Een preventieve cursus voor jonge kinderen tot zes jaar die getuige zijn (geweest) van huiselijk geweld en hun moeders.' (Voorburg, Parnassia, psycho medisch centrum, afdeling Preventie, 2004)
Materialen
Draaiboek van de cursus inclusief handleiding voor het vormgeven en uitvoeren van de Moeder – Kindcursus.
Evaluatieonderzoek
Nee. Wel evaluatie aan het eind van elke cursus door de deelnemers middels een uitgebreid evaluatieformulier.
Publicaties
Kind tussen twee vuren : preventie- en hulpprogramma's voor kinderen die getuige zijn (geweest) van huiselijk geweld / W. Wentzel, in samenwerking met A. Haalboom, N. Meintser en A. de Ruit. Utrecht: TransAct. 2004
Praktische gegevens
Naam organisatie: De Jutters , afdeling Preventie.
Contactpersoon: Theo Mahieu
Telefoonnummer: 070 3808224
Adres: Prinsegracht 71, 2512 EX Den Haag
Steun voor jonge kinderen van wie de ouders psychische problemen hebben. Draaiboek voor een kinderclub en ouderbijeenkomsten.
‘Piep zei de muis’ is een uitgebreid draaiboek van een preventieve interventie voor kinderen van 4-8 jaar van ouders met psychosociale, psychische en verslavingsproblemen uit buurten met een hoge concentratie van gezinnen met lage sociaal economische status. De interventie betreft een kindergroep van vijftien bijeenkomsten (‘ kinderclub’ )en een oudergroep van vijf bijeenkomsten. Vooraf aan de interventie wordt een informatiebijeenkomst gehouden voor de doelgroep. Verder biedt een gezinsbegeleider de deelnemende ouders ook ‘steun op maat’.
De basis van de uitvoering ligt in een projectplan van de Stichting Welzijn Amersfoort, Riagg preventie en GGD/JGZ. De uitvoering van dit plan realiseerden de instellingen in Amersfoort. De proef werd betrokken bij het landelijke project ‘Kinderen in de knel’ van het Trimbos-instituut. In de pilot werd de doelgroep goed bereikt. Tijdens de proef kon geen effectmeting plaats vinden. Inmiddels zijn eerste metingen verricht waarvan de resultaten binnen kort bekend worden. In de pilot zijn wel tevredenheidsonderzoeken gehouden, die gunstig resultaten lieten zien.
Het doel van ‘Piep zei de muis’ is: het leveren van een bijdrage aan het voorkomen van ernstige psychische problemen bij kinderen van 4 tot 8 jaar. De interventie kent kindgerichte, gezinsgerichte en op de omgeving gerichte doelen. Kindgerichte doelen zijn: isolement dorbreken, kennis opdoen en competentie verhogen. Het doel voor de ouders is: bevorderen van een goede ouder-kindrelatie. Wat betreft de op de omgeving gerichte doelen wordt onder andere gewerkt aan preventieve aandacht voor de doelgroep vanuit zorg- en hulpverlening.
Het draaiboek beschrijft de programma’s van de kinderclub en de ouderbijeenkomsten en de rol van gezinsbegeleider. Daarnaast biedt het draaiboek achtergrondinformatie over de interventie en en behandelt doel, doelgroep, opzet van de inerventie, samenwerking, werving en kennismaking, en evaluatie.
C. Mostert, Y. Braaksma (red.), ‘Piep zei de muis. Een preventieve interventie in de wijk voor kinderen van ouders met psychosociale, psychische en verslavingsproblemen’. Daaiboek voor organisatoren en uitvoerenden’. Utrecht: Trimbos-instituut, 2006, 227 p.
Het draaiboek is uitsluitend verkrijgbaar in combinatie met een training. Voor informatie over de training, zie de site van de Landelijke Steunfunctie Preventie van het Trimbos-instituut, http://www.lsp-preventie.nl/.
Zie verder: C. Mostert, R. Kasander, ‘Piep zei de muis’. TSG, 2007, nr. 5, p. 250-253.
Voor info: Catelijne Mostert, RIAGG Amersfoort & omstreken, tel. (033) 460 35 00, e-mail cmostert@riaggamersfoort.nl.
De oudercursus ‘Ouders Actief’ behandelt voor laagopgeleide ouders de ontwikkeling van hun kind (0-6). Dit komt de ontwikkeling van deze kinderen ten goede en draagt daardoor bij aan het vergroten van hun onderwijskansen.
Het programma 'Ouders Actief' betreft een serie ouderbijeenkomsten, die in modules kan worden aangeboden: de ontwikkeling van het jonge kind, ouder-kindinteractie, de peuterspeelzaal, basisonderwijs, voorlezen, ouderschap, en een korte vadercursus.
Voor ouders van kinderen tot 2 jaar zijn er zeventien themabijeenkomsten, voor ouders van peuters en kleuters twintig.
De themabijeenkomsten zijn uitgewerkt in twee programmaboeken (0-2 jaar en 2-6 jaar). Materialen voor werkvormen, zoals spelborden, foto's en situatiekaarten, zijn opgeborgen in een handzaam koffertje. Verder bevat het pakket ‘Ouders Actief’ een dvd met fragmenten over de interactie tussen ouder en kind, handleidingen voor de uitvoerders, en folders voor ouders en betrokken instellingen.
D. Ince en H. Kalthoff, ‘Ouders Actief. Themabijeenkomsten over ontwikkelingsstimulering’ (twee programmaboeken + dvd). Utrecht: NJi, 2007, 165 euro. (Als één pakket verkrijgbaar).
De Boekenbas-interventie bestaat uit informatie/uitleg aan de ouders over het programma door de wijkverpleegkundige in de eerste maand na de geboorte, gevolgd door tien huisbezoeken door getrainde vrijwilligers in de eerste twee levensjaren.
In de gemeenten Staphorst en Urk is men respectievelijk in 1998 en 2000 gestart met Boekenbas, een variant van Boekenpret, waarbij stimulering van de spraaktaalontwikkeling een belangrijke doelstelling is. De doelen van Boekenpret worden genoemd in het Raamplan van het (vroegere) ministerie van Welzijn Volksgezondheid en Cultuur: het verbeteren van de materiële leesomgeving van het kind, het bewust maken van (beroeps)opvoeders van het belang van (voor)lezen voor de ontwikkeling van het kind, het verhogen van de kwaliteit van de interactie tussen kind en opvoeder(s), en het positief beïnvloeden van het leesgedrag van de opvoeders. Voor Boekenbas geldt als bijkomend doel: het vergroten en verbeteren van de woordenschat van de deelnemende kinderen.
Boekenbas wordt in de genoemde gemeenten aan alle ouders van eerstgeboren kinderen aangeboden. Als zij willen deelnemen, dan worden zij tussen de leeftijd van 3 maanden en twee jaar regelmatig thuis bezocht door een moeder, die hiertoe speciaal is opgeleid, de zogenaamde Boekenbasmoeder. Tijdens de gesprekken met de bezoekmoeder wordt ingegaan op de spraaktaalontwikkeling van het kind op deze leeftijd en krijgt de ouder een boekje om samen met het kind te bekijken. Tevens zijn (in Staphorst) een aantal groepsbijeenkomsten gepland. Het project krijgt een vervolg op de peuterspeelzaal en op de basisscholen.
Doel Boekenbas
Een belangrijke uitwerking van deze doelen is het streven dat: de deelnemende gezinnen hun kind(eren) elke dag tussen de 20-30- minuten voorlezen en/of andere vertel-, kijk-, praat-, speel-, teken- en schrijfactiviteiten doen.
Boekenbasmoeders:
De zogenoemde ‘Boekenbasmoeders’ zijn moeders afkomstig uit de diverse geledingen van de Staphorster gemeenschap die deelnemende gezinnen bezoeken, Boekenbas-materialen (voorlees/ontwikkelingsmateriaal) introduceren, tips en voorbeelden geven op welke wijze deze materialen te gebruiken zijn.
In de babyperiode draait het om de zogenaamde Boekenberen. De Boekenberen zijn twee fraaie wandplaten die in de loop van de twee jaren door de Boekenbasmoeders aan huis gebracht worden. De platen worden "kaal", dus zonder boekjes, bij de ouders van de baby thuisgebracht. Maar naarmate de tijd verstrijkt raken de Boekenberen steeds meer gevuld met (baby)boekjes. Bij ieder boekje horen tips. Wat kun je allemaal met het boekje doen? Hoe gebruik je het? Hoe ontwikkelt spraak en taal zich in deze fase?
In Staphorst worden wanneer de baby twee jaar geworden het boek ‘Ik ben Bas’ uitgereikt, het eerste boek waar speciale aandacht is voor de woordenschatontwikkeling.
Groepsbijeenkomsten
Belangrijk onderdeel van Boekenbas zijn de groepsbijeenkomsten. De groepen worden samengesteld op basis van de leeftijd van de baby. Ouders kunnen hun ervaringen met de ontwikkeling van hun baby en de Boekenbasmaterialen dan beter met elkaar delen. De wijkverpleegkundige van het consultatiebureau in Staphorst begeleidt deze bijeenkomsten. Tijdens de groepsbijeenkomsten zijn geregeld 1 of 2 Boekenbasmoeders aanwezig. Zij blijven zo op de hoogte van inhoud van de thema's en zijn in de gelegenheid ervaringen van andere deelnemers te horen.
Zowel in het eerste, tweede en het derde Boekenbasjaar worden de ouders 3 keer uitgenodigd voor een groepsbijeenkomst. Onderwerpen:
Het eerste Boekenbasjaar:
Het tweede Boekenbasjaar:
Het derde Boekenbasjaar:
Onderzoek
Uit degelijk onderzoek (met controlegroepen) van F. Bunge e.a. blijkt dat het programma 'Boekenbas' (op korte termijn) positieve effecten heeft op de spraaktaalontwikkeling van 0-4-jarigen. Effecten op middellange termijn konden niet worden aangetoond (bij vier jaar).
Het grootste effect van Boekenbas is gemeten op de leeftijd van 2 jaar; dit is de leeftijd waarop het kind gedurende bijna 2 jaar de interventie Boekenbas heeft gehad. Tot de leeftijd waarop het kind naar de peuterspeelzaal gaat zijn er vervolgens geen leesbevorderende activiteiten. Met 3 jaar is het effect van Boekenbas minder, maar nog wel aanwezig. Dit zou ervoor kunnen pleiten om Boekenbas in afgeslankte vorm voort te zetten ter overbrugging van de tijd tot het bezoek aan de peuterspeelzaal. Te denken valt aan groepsbijeenkomsten waarin naast de techniek en het belang van het voorlezen, ook het verbeteren van de communicatie tussen ouders en kind aan bod komt.
Bij een aanbod na de leeftijd van 2 jaar kan ook gedacht worden aan de rol van de bibliotheek. Moeders en kinderen worden uitgenodigd voor voorleesmiddagen, waarbij de moeders een voorbeeld zien van voorleesgedrag en de kinderen boekjes kunnen uitzoeken. Het uitreiken van een gratis boekje in de bibliotheek blijkt vaak een extra prikkel te zijn om te komen voor ouders die gewoonlijk de drempel erg hoog vinden.
Om te voorkomen dat stigmatisering optreedt, wordt aanbevolen Boekenbas aan te blijven bieden aan alle eerstgeborenen en niet alleen aan kinderen in taalarme gezinnen zoals elders gebeurt. Wel zal extra aandacht moeten worden besteed om juist de doelgroep kinderen met laagopgeleide ouders aan Boekenbas te laten deelnemen.
Omdat in de literatuur langetermijneffecten worden gemeld, zal de spraaktaalontwikkeling van de kinderen worden gevolgd.
In het onderzoeksverslag doen de onderzoekers verslag van hun studie, bespreken de resultaten, vergelijken die met andere literatuur, en doen aanbevelingen voor vervolgonderzoek.
F. Bunge e.a., ‘De invloed van Boekenbas op de spraak-taalontwikkeling van 0-4-jarigen’. Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg, jrg. 39, juni 2007, p. 51-56.
Het programma ‘Incredible Years’ van Amerikaanse klinisch psycholoog Webster-Stratton wordt voor Nederland bewerkt en onderzocht (met subsidie ZonMw) door Walther Matthys, hoogleraar UU/UMC. Het programma ‘ Pittige Jaren’jaren wordt als groepsbehandeling vermeld op de site van het UMC bij disruptieve stoornissen. (http://www.umcutrecht.nl/).
Doel van de behandeling:
Doelgroep:
Inhoud
Tijdsinvestering
Voor een beschrijving van ‘Incredible Years’ zie ook: C. Konijn (red.), ‘Werkzame werkwijzen. Verkenning van effectieve interventies in de jeugdzorg’. Utrecht/Woerden: Nederlands Jeugdinstituut (NJi)/Adviesbureau Van Montfoort, 2007, 157 p., ISBN 9789088300097. € 16,95 euro. Voor bestellen: zie de knop 'Publicaties' boven aan deze bladzijde.
Er bestaat ook een uitgave voor onders onder deze titel: C. Webster-Stratton, ‘Pittige jaren. Praktische gids bij het opvoeden van jonge kinderen’. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2007, 356 p. ISBN 978 90 313 4890 9, 29.50 euro.
Het programma ‘Incredible Years’ van Amerikaanse klinisch psycholoog Webster-Stratton wordt voor Nederland bewerkt en onderzocht (met subsidie ZonMw) door Walther Matthys, hoogleraar UU/UMC. Het programma ‘Pittige Jaren’ wordt als groepsbehandeling vermeld op de site van het UMC bij disruptieve stoornissen. (http://www.umcutrecht.nl/).
Doel van de behandeling:
Doelgroep:
Inhoud
Tijdsinvestering
Voor een beschrijving van ‘Incredible Years’ zie ook: C. Konijn (red.), ‘Werkzame werkwijzen. Verkenning van effectieve interventies in de jeugdzorg’. Utrecht/Woerden: Nederlands Jeugdinstituut (NJi)/Adviesbureau Van Montfoort, 2007, 157 p., ISBN 9789088300097. € 16,95 euro. Voor bestellen: zie de knop 'Publicaties' boven aan deze bladzijde.
Er bestaat ook een uitgave voor onders onder deze titel: C. Webster-Stratton, ‘Pittige jaren. Praktische gids bij het opvoeden van jonge kinderen’. Houten: Bohn Stafleu van Loghum, 2007. www.bsl.nl
De workshop ‘Effectief communiceren met kinderen’ wordt door How2talk2kids aangeboden voor ouders en professionals die werken met kinderen. In de cursus van zes avonden worden praktische communicatievaardigheden behandeld, die toepasbaar zijn kinderen in de leeftijd van twee tot twintig.
De methode werkt zonder straffen-belonen, strafmatje en time-outs. Men leert daarvoor in de plaats: alternatieven voor straf waarbij het kind leert dat er consequenties zijn aan zijn gedrag en verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag; belonen vervangen door waarderen, belangstelling tonen en stimuleren zonder in te vullen; prijzen op een manier zodat het kind zichzelf prijst.
Grondlegger van de methode is de Amerikaanse klinisch psycholoog Haim Ginott.
Adele Faber en Elaine Mazlish vertaalden zijn wetenschappelijke theorie naar een zesstappenplan in de vorm van een boek en workshop.
How2talk2kids introduceert het Amerikaanse ‘How To Talk’ programma in Nederland. Het programma bestaat uit de workshop en het boek “How To Talk So Kids Will Listen & Listen So Kids Will Talk”. De Nederlandstalige versie van het boek komt najaar 2007 uit. (A. Faber & E. Mazlish, ‘How2talk2kids. effectief communiceren met kinderen’. 19,95 euro.)
How2talk2kids is in 2006 opgericht door Heleen de Hertog en is gevestigd in Aalsmeer. Men werkt met gecertificeerde trainers opgeleid door How2Talk2Kids.
Zie verder: http://www.how2talk2kids.nl/
Het aanbod 'Opvoeden in je eentje' - 8 ouderbijeenkomsten -, brengt ouders met elkaar in contact en stelt hen in staat om ervaringen uit te wisselen, te reflecteren op hun rol als ouder en elkaar tot steun te zijn in hun taak als opvoeder ten opzichte van hun kinderen, hun directe omgeving en de samenleving.
Doel
Het doel van het aanbod is het versterken van de draagkracht en positie van de ouder. Diverse aspecten die bij het alleenstaand ouderschap horen komen aan de orde zoals: omgang met de andere ouder, de combinatie van werk en zorg, het mobiliseren van hulp en goed zorgen voor jezelf. Tevens worden ouders in staat gesteld om hun sociale netwerk uit te bereiden.
Doelgroep
Eenoudergezinnen met tenminste een kind jonger dan 18 jaar.
Aanpak/ Materiaal
'Opvoeden in je eentje' is een praktijkgids voor professionals. De gids omvat een draaiboek voor het uitvoeren van een serie van acht themabijeenkomsten. Daarnaast worden er tips en adviezen beschreven voor het creëren van draagvlak voor het uitvoeren van deze bijeenkomsten, inclusief aanbevelingen op het gebied van PR en organisatie.
Kwaliteit/effectiviteit
Er is geen effectstudie beschikbaar. De masteropleiding Opvoedingsondersteuning aan de UvA is voornemens een onderzoek te starten in 2008. De praktijkgids is gebaseerd op jarenlange kennis en ervaring van beroepskrachten die werken met de doelgroep. Tot op heden is de cursus goed ontvangen, oa zichtbaar in interviews die bij de deelnemers zijn afgenomen.
Achtergrondinformatie
De groep alleenstaande ouders is groeiende. Landelijk gezien is 14 % van de gezinnen met kinderen, een eenoudergezin. In de grote steden is het percentage hoger. In Amsterdam is dit 40 %. Met de meeste gezinnen gaat het goed, toch worden er relatief veel kinderen uit gezinnen met alleenstaande ouders aangemeld bij de jeugdhulpverlening en is uit onderzoek (SCO-Konstamm instituut 2003) gebleken dat er een grote potentiële behoefte van ouders is aan ondersteuning die past bij hun specifieke situatie. Er is nog weinig aanbod voor deze doelgroep ontwikkeld. De ondersteuning in de vorm van “Opvoeden in je Eentje” is preventief en voorziet in een hiaat binnen de sociaal-pedagogische hulpverlening.
De Training “Ondersteuningsaanbod Alleenstaande ouders”, voor professionals
De training: “Ondersteuningsaanbod Alleenstaande ouders”, traint beroepskrachten in het organiseren en uitvoeren het programma 'Opvoeden in je eentje' en geeft informatie over het opzetten van doorlopende steungroepen. De doelstelling is overdracht van kennis en vaardigheden die de deelnemers instaat stellen om zelfstandig het aanbod te organiseren en uit te voeren. De training bestaat uit vier dagdelen van drie uur . De professionals worden wegwijs gemaakt in verschillende vormen van ondersteuning en er wordt gewerkt aan de voorbereiding van acht themabijeenkomsten. De training wordt in Amsterdam aangeboden door de welzijnsorganisatie Ysterk en het Servicebureau voor Opvoedondersteuning & training.
Voor informatie: m.hermans@welzijn-westerpark.nl en m.denijs@bjaa.nl.
M. Hermans, 'Opvoeden in je Eentje'. Uitgegeven in opdracht van Capabel amsterdam, 2006. Verkrijgbaar bij het volgen van de 'train de trainer'.
Multisysteem Therapie (MST) is intensieve, ambulante behandelingsmethode gericht op jongeren met ernstig antisociaal en delinquent gedrag, die op het punt staan om uit huis geplaatst te worden. MST richt zich op alle risicofactoren die samenhangen met dit probleemgedrag. Door het sociale systeem rond een jongere te versterken in probleemoplossende en opvoedkundige vaardigheden wordt de jongere gestimuleerd zijn/haar gedrag te veranderen. De interventies die binnen MST worden ingezet richten zich vooral op ouders en andere sleutelfiguren uit de omgeving van de jongere, maar meestal wordt ook gewerkt aan het vergroten van vaardigheden van de jongere zelf, het functioneren op school en de omgang met prosociale leeftijdsgenoten. De behandelduur is gemiddeld 3 tot 5 maanden.
Voor informatie: Wim van Geffen, De Viersprong, e-mail wim.van.geffen@deviersprong.nl, tel. (0164) 632 706.
De Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie heeft MST oktober 2007 gekwalificeerd als 'voorlopig erkend'.
Bron: Erkenningscommissie Gedragsinterventies Justitie
‘Peuters in balans’ is een preventieprogramma (zes groepsbijeenkomsten) dat mogelijk overgewicht bij kinderen wil voorkomen door zich te richten op de leefstijl van de ouders/het gezin. Het doel van het programma is het hanteren van een gezonde leefstijl waardoor overgewicht wordt voorkomen of wanneer overgewicht reeds aanwezig is dit niet verder toeneemt. Aan het programma werken pedagogen, een sportdeskundige en een diëtiste mee.
Het programma kent een algemeen doel gebaseerd op drie pijlers: kennis, houding (bewust zijn van) en vaardigheden. Het algemene doel is omschreven als: “Ouders van kinderen in de leeftijd van 2-4 jaar handvatten te geven om een gezond leefpatroon bij hun kind te bewerkstelligen en hierdoor overgewicht te voorkomen.” Dit is verder vertaald in drie programmadoelen:
1) ouders zijn zich bewust van hun functie als rolmodel (houding) en verantwoordelijke voor het leefpatroon van hun kind;
2) ouders hebben kennis over gezonde voeding voor hun kind en beschikken over verschillende vaardigheden en technieken om deze kennis van gezonde voeding in de praktijk te brengen, en
3) ouders hebben kennis over beweegspelletjes en beweegoefeningen en beschikken over de vaardigheden om samen met hun kind thuis aan de slag gaan met deze spelletjes en oefeningen.
Uit een onderzoek (onder zeven ouders) concluderen Aafke Seebregts en Bas Levering dat ‘Peuters in Balans’ een werkzaam programma is.
Fontys Hogeschool Pedagogiek, ‘Ouderprogramma Peuters in Balans’. Draaiboek. Fontys Hogeschool Pedagogiek in samenwerking met Fontys Sport Hogeschool, Stichting de kleine Burcht en Thuiszorg Westelijke Mijnstreek. Sittard: Fontys Hogeschool Pedagogiek, 2006.
A. Seebregts en B. Levering, ‘Eindrapport Evaluatie van het preventieprogramma ‘Peuters in balans’. Tilburg: Fontys Hogeschool, 2006, 18 p. Te downloaden van fontys.nl.
Met VVE Thuis, een nieuw ontwikkeld programma van het NJi, krijgen ouders ontwikkelingsstimulerende activiteiten aangereikt om thuis met hun peuter te uit te voeren. VVE Thuis bestaat uit 14 themaboekjes voor ouders; het kindercentrum kiest welke thema’s het de ouders aanreikt. Op ouderbijeenkomsten worden de activiteiten toegelicht en geoefend. De activiteiten sluiten aan bij het thema op de voorschoolse voorziening. Hierdoor komen woorden, begrippen en andere leerinhouden óók thuis aan de orde. Door deze combinatie worden de effecten op de ontwikkeling vergroot.
VVE Thuis wil de onderwijskansen van peuters stimuleren door :
Op de voorschoolse voorziening wordt een thema aangeboden aan de kinderen. Aansluitend aan het thema en leerinhouden op de speelzaal ontvangen de ouders gerichte activiteiten om thuis te doen met hun peuter. Daarnaast worden de ouders geïnformeerd over een (meer) stimulerende omgang (interactie) met hun kind.
Er zijn veertien thema’s die aansluiten bij VVE-programma’s, maar ook bruikbaar zijn voor voorschoolse voorzieningen zonder programma’s. De thema’s zijn: Welkom, Ik, Winkeltje, Eten, Herfst, Huis, Winter, Lente, Ziek, Verkeer, Jarig, Kleding, Groot en Water.
Themaboekjes met de activiteiten voor thuis, een spelbord met attributen, een A4 met vuistregels, en voorleesboekjes in diverse talen. De ouders hebben materialen nodig zoals schaar, kleurpotloden, lijm en kwastje, vouwblaadjes, een bal (themaboekje Ik) en een verfdoos (themaboekje Water). Ook zijn er folders voor ouders.
Er is een handleiding beschikbaar met informatie over de achtergrond, de opzet, inhoud en de overdracht aan ouders.
Een ouderbijeenkomst bestaat uit twee delen:
Optioneel kan een inhoudelijk thema uit het programma 'Ouders Actief' worden behandeld. 'Ouders Actief' bestaat uit themabijeenkomsten over de ontwikkeling van kinderen tussen 0 en 6 jaar. De modules zijn: Ontwikkeling van het jonge kind, Ouder-kindinteractie, Voorlezen, Peuterspeelzaal, Basisschool en Ouderschap.
Er zijn binnen VVE Thuis vier ontwikkelingsgebieden: de taalontwikkeling, cognitieve ontwikkeling, lichamelijke ontwikkeling, en de sociaal-emotionele ontwikkeling.
1.) Taalontwikkeling
De taalontwikkeling wordt gestimuleerd door gerichte taalactiviteiten zoals voorlezen, liedjes/versjes en vertelplaten. Verder worden de ouders aangemoedigd wordt (meer) met hun kind te praten, door handelingen en gevoelens te verwoorden, een conceptrijke woordenschat te gebruiken, vragen te stellen en het kind te stimuleren tot deelname aan gesprekjes.
Aan de orde komen:
In relatie met het bevorderen van het praten tussen ouder en kind is veel aandacht voor het vergroten van de woordenschat. Bij iedere activiteit staat een lijstje ‘Woorden’. Dit zijn woorden die aan bod komen en waarvan wordt verwacht dat ouders ze ook buiten de activiteit gaan gebruiken op momenten dat dit aan de orde is.
2.) Cognitieve ontwikkeling
Dit bevat terreinen als de begripsontwikkeling, zintuiglijke waarneming en geheugen, classificatie, tellen, getalbegrip en ruimte. Jonge kinderen leren door ‘doen’, oftewel door het manipuleren van voorwerpen in hun omgeving. Hierbij maken ze gebruik van hun zintuigen. Door te kijken, luisteren, ruiken, proeven en te voelen onderzoeken ze voorwerpen en raken ze vertrouwd met hun eigenschappen.
3.) Lichamelijke ontwikkeling
De grove motoriek wordt gestimuleerd door activiteiten als kegelen, bewegingsspelletjes en spelen met de bal. Bij veel activiteiten worden gebruiksvoorwerpen gehanteerd, zoals schaar, potlood en stiften. Door activiteiten als knippen, plakken en tekenen e.d. wordt de fijne motoriek gestimuleerd.
4.) Sociaal-emotionele ontwikkeling
De ouders worden aangemoedigd om (meer) met hun kind te praten, te spelen en het kind te betrekken in de dagelijkse bezigheden. Daarbij wordt een (meer) ondersteunende en stimulerende omgangswijze tussen ouder en kind (kwaliteit interactie) aangereikt.
De kwaliteit van interactie is geoperationaliseerd in een aantal interactieboodschappen, voor de ouders vuistregels genoemd. Deze zijn:
Opgenomen soorten activiteiten zijn:
Activiteiten
Iedere themaboekje heeft acht activiteiten. Iedere activiteit staat op een instructieblad voor de ouders, soms vergezeld van een werkblad voor het kind. Iedere week heeft een eigen kleur maar de werkbladen voor de kinderen zijn wit en van wat dikker papier. De activiteiten behelzen alle ontwikkelingsgebieden.
Opbouw themaboekje
Binnen een themaboekje is, globaal gesproken, sprake van een opbouw. Woorden, begrippen en andere leerinhouden worden zoveel mogelijk in een voor kinderen zinvolle context aangeboden. Uit wordt gegaan van ervaringsgericht leren, waarbij zoveel mogelijk alle zintuigen worden gebruikt.
Actief gebruik van begrippen wordt veelal niet verwacht. Actief gebruik van centrale woorden wordt pas verwacht nadat de woorden (ruim) zijn ervaren/gehoord. Verwerking/toepassing op het platte vlak wordt slechts een enkele keer verwacht en dan na het zelf ervaren door kinderen.
Aansluiting met VVE-programma’s
VVE Thuis past bij de belangrijkste VVE: programma’s maar zijn ook breder te gebruiken. Hieronder een overzicht van de thema’s.
Kaleidoscoop en Startblokken werken niet met gestructureerd thema;’s maar aansluitend bij wat de kinderen op een bepaald moment bezig houdt worden soms thema’s aangeboden; thuis kan VVE Thuis worden gedaan. De woorden en begrippen in VVE Thuis sluiten aan bij de kernbegrippen van Piramide en Puk en Ko.
Buro Extern (072) 567 00 00;e-mail bestelling@extern.nl.
Hilde Kalthoff, NJi; tel. (o30) 230 66 50/230 65 97; e-mail stapprogramma's@nji.nl; www.stapprogramma.nl.
De methode ‘Tolk’ richt zich met filmbeelden op ‘verandering van het taalaanbod van ouders van kinderen (tussen 0-6 jaar) die in hun taalontwikkeling bedreigd zijn. Een op de vijf leerlingen uit achterstandswijken stroomt het basisonderwijs in met een achterstand in de taalontwikkeling. TOLK richt zich vooral op ouders van die kinderen. Het betreft ouders die door onrust of onvermogen onvoldoende aandacht schenken aan goed taalaanbod. TOLK helpt dat voorkomen door vroeg, liefst op zo jong mogelijke leeftijd, ouders te laten zien en horen hoe belangrijk hun rol is in het proces.' (Handleiding, p. 17)
De naam TOLK vormt de sleutel tot de methode. TOLK staat voor:
De ontwikkelaars van de methode schrijven dat TOLK te gebruiken is op consultatiebureau, de kinderopvang, peuterspeelzalen, de onderbouw van de basisschool, sociaal-cultureel werk en inburgeringsprogramma’s. In de handleiding (en op de site tolkinfo.nl) is de theoretische verantwoording van de methode na te lezen.
De film gaat in op maandthema’s van kindercentra en het onderwijs: mijn lichaam, eten, school, thuis, boodschappen doen, verkeer, dieren, en het weer. In de acht f ilms, van ieder ongeveer zeven minuten, worden taalsituaties getoond van Nederlands sprekende (autochtone en allochtone) gezinnen thuis en leidsters/leerkrachten op kindercentrum en school.
In de handleiding worden bij de acht films mogelijke vragen van ouders opgesomd en antwoorden voor intermediairs. Verder zijn er bij de films ideeën voor ouders beschreven. De bedoeling van bijgeleverde stickers is dat ouders die plakken op plaatsen waar zij in gesprek kunnen gaan met hun kind.
‘TOLK kan gebruikt worden ter ondersteuning van informatieverstrekking aan ouders, maar ook als aanvulling op of invulling van programma’s voor ouderbetrokkenheid. Te denken valt darbij aan oudercomponenten van vve-programma’s zoals Kaleidoscoop, Piramide, Startblokken enz. De films kunnen ook onderdeel uitmaken van programma’s voor ouderbetrokkenheid zoals de STAP-programma’s, Speel Mee, Kom Erbij, Rugzak, enz. TOLK is evenzeer geschikt voor pedagogische ondersteuning aan huis of logopedische taaltherapie. Ook kunnen de films toegevoegd worden aan opvoedingsondersteunende activiteiten van consultatiebureaus, kinderdagverblijven en in programma’s als Werken aan de Wijk of inburgering.' (p. 18)
TOLK kwam tot stand middels financiële bijdragen van de Provincie Noord Brabant, het Oranjefonds, het Prins Bernhard Cultuurfonds, Stichting Kinderpostzegels en het Damsté-Terpstrafonds.
D. Verheijden-Lels, ‘TOLK. Praten met je kind’ (Handleiding 47 p. + dvd + 10 stickervellen + 2 posters.) Breda: KLIK-Onderwijsondersteuning i.s.m. Uitg. Hollaers van Elkerzee, 2008.
Het TOLK-pakket bevat een handleiding, een CD-rom met een algemene motiverende film voor ouders en 8 themafilms, 240 reminders (10 vellen met stickers) en 2 posters.Het TOLK-pakket kost €147,50.Het refill-pakket bevat 480 stickers en 20 posters. Het refill-pakket kost €35,-.De prijzen zijn exclusief verzendkosten en exclusief 19% BTW. Te bestellen op www.tolkinfo.nl .
De cursus ‘Opkikkertje’ werd in opdracht van GGNet team preventie ontwikkeld. Onderzoek van Boeder (2006) toonde aan dat er behoefte was aan opvoedingsondersteuning voor moeders met psychische problemen, moeders die opvoedingsstress ervaren en/of multiprobleem gezinnen en hun kind(eren) in de leeftijd van 1-5 jaar. Omdat er voor deze specifieke doelgroep nog geen interventie bleek te bestaan heeft Boeder heeft daartoe een preventieve groepsinterventie ontwikkeld om deze moeders te ondersteunen in de opvoeding, om (latere) problemen bij hun kinderen te voorkomen of te verminderen.
Het programma ‘Opkikkertje’ is zowel geschikt voor kinderen (1-5 jaar) bij wie de ontwikkeling normaal verloopt, als voor kinderen bij wie de ontwikkeling zorgelijk is. Er kunnen maximaal zeven moeders en zeven kinderen deelnemen aan de groepsbijeenkomsten. De cursus bestaat uit acht ouder-kind bijeenkomsten en één terugkombijeenkomst.. De cursus richt zich voornamelijk op de moeder-kind interactie. Door de verandering in het gedrag van de moeder wordt ook het kind indirect door de cursus bereikt. Voorwaarde voor deelname aan de cursus is dat er sprake moet zijn van psychische problematiek bij één van de ouders, opvoedingsstress en/of dat het gezin een multiprobleem gezin is.
De cursus ‘Opkikkertje’ heeft tot doelstelling jonge kinderen gezond te houden en verdere problemen bij ouders voorkomen. Een tweede doel van de cursus is dat de ouder succeservaringen opdoet met het kind en leert over de ontwikkeling van het kind in de leeftijd waarin het verkeert. Dit gebeurt aan de hand van verschillende thema’s rondom de opvoeding, namelijk: ‘kennismaken,’ ‘contact maken met je kind,’ ‘dagelijkse verzorging,’ ‘duidelijkheid en structuur,’ ‘gevoelens van je kind en jezelf,’ ‘gewenst gedrag stimuleren,’ ‘grenzen stellen’ en ‘sociale steun.’ Een derde doel is de hechtingsrelatie tussen ouder en kind te verbeteren zodat zij weer van elkaar kunnen genieten.
De cursus is gebaseerd op de draaiboeken van ‘De moeder-peutergroep KOPP/KVO’ (Verdoold, 2003), ‘PIEP zei de muis’ (Mostert & Braaksma, 2006), ‘Problemen met jezelf en toch actief ouder blijven’ (Petilon, Croese & Liefers, 2001), ‘Praten over peuters’ (Stichting spel- en opvoedingsvoorlichting, 1990), ‘Peuters, lief maar lastig’ (Stichting spel- en opvoedingsvoorlichting, 1991) en ‘Opvoeden: Zó’ (Bakker & Janssen, 1993).
Onderzoek van Sijtsma (2008) toont aan dat er positieve resultaten zijn gevonden van de cursus ‘Opkikkertje’. Sijtsma concludeert dat effectieve interventies voor depressieve moeders de kans op de ontwikkeling van depressie bij hun kinderen kunnen verkleinen. De volgende positieve effecten van het interventieprogramma werden gevonden: de moeders rapporteerden een vooruitgang in de algehele gezondheid, afname van opvoedingsstress en kindproblematiek, evenals toename van opvoedingsvaardigheden. Conclusie: Er is echter longitudinaal RCT nodig om de effectiviteit van de cursus te bevestigen.
Boeder, M. (2006):
Draaiboek Opkikkertje: cursus voor ouders die meer willen genieten van hun kind (1 tot en met 5 jaar). Apeldoorn: GGNet.
Sijtsma, V. (2008):
Opvoedcursus ‘Opkikkertje’: doelgroep en effectiviteit. In het bijzonder gericht op depressieve moeders.’. Master thesis Universiteit Utrecht.
De oudertraining 3 X Groei, ontwikkeld door PI Research, is de opvolger van de oudertraining ‘Competentievergroting bij ouder en kind’ en heeft als doel probleemgedrag van kinderen te verminderen en om te zetten in gewenst gedrag. Het kan gaan om alle soorten probleemgedrag: van angstig gedrag tot temperamentvol gedrag, van slecht eten in de thuissituatie tot externaliserend probleemgedrag in alle drie de leefmilieus. Naast de oudertraining zijn ook andere activiteiten ontwikkeld: een kidsles en leerkrachtondersteuning. Met 3 x Groei worden gezinsbegeleiders handvatten aangereikt om te interveniëren bij de drie belangrijkste spelers in de opvoeding van een kind: de ouders, het kind zelf en de leerkracht.
De oudertraining wordt – op indicatie - gegeven aan ouders van kinderen, in de leeftijd van 4 tot en met 12 jaar, die op de één of andere manier probleemgedrag vertonen. De oudertraining richt zich op de opvoedingsvaardigheden van de ouders.
De interventie is gebaseerd op gedragstherapeutische principes. Het functioneren van ouders wordt geanalyseerd aan de hand van het competentiemodel dat betrekking heeft op de taken waarvoor ouders staan en de vaardigheden waarover zij beschikken om die aan te kunnen. De oudertraining bestaat uit drie fasen: in de eerste fase wordt informatie verzameld, in de tweede fase worden opvoedingsvaardigheden geleerd en in de derde fase worden de opvoedingsvaardigheden ingezet om het kind te helpen ongewenst gedrag in gewenst gedrag om te zetten. De eerste fase duurt ongeveer drie weken en heeft twee bijeenkomsten van één uur per week. De tweede fase bestaat uit drie tot elf wekelijkse bijeenkomsten van ongeveer één uur. De derde fase bestaat ook uit ongeveer zes tot acht bijeenkomsten van één uur. De frequentie wordt in overleg met de ouders vastgesteld. De tweede en derde fase worden intensiever en langer als de oudertraining in 3 X Groei gecombineerd wordt met de kind- en/of leerkrachttraining. De bijeenkomsten vinden plaats bij de ouder(s) thuis. De ouders leren de opvoedingsvaardigheden door instructie, voorbeeldgedrag, oefeningen en feedback.
De 3 x Groei: de oudertraining is een herziene en uitgebreide versie van de door Dangel en Polster (1984) in Amerika ontwikkelde oudertraining die in 1996 bewerkt werd voor Nederland door PI Research (Beljaars, Beumer & Slot).
Voor informatie: PI Research, http://www.piresearch.nl/
PI Research,
Hettenheuvelweg 16
1101 BN Amsterdam ZO
(020) 650 15 00
Op basis van de werken van Russell Barkley heeft het Paedologisch Instituut, Duivendrecht eind jaren negentig gewerkt aan programma’s voor kinderen met aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD): ‘ADHD, wat doe je ermee?’. In de inleiding van de handleiding voor therapeuten wordt aangegeven dat onderzoek uitwijst dat een gecombineerde aanpak van kinderen én opvoeders het meest effectief is.
De werkontwikkeling heeft geleid tot methodieken voor trainingen van kinderen en opvoeders. In de handleiding ‘ADHD, wat doe je ermee?’ worden gedetailleerd de bijeenkomsten van de oudertraining en de leerkrachtbijeenkomsten beschreven.
In het oktobernummer 2004 (p. 12-18) van J/M biedt Manon Mostert-Uijterwijk in een interview ouders veel tips over het geven van positieve aandacht en effectieve instructies, het belonen van gewenst gedrag en het corrigeren van ongewenst gedrag, en het toepassen van time-out en straf. Dit artikel is goed bruikbaar bij de oudertraining, en ook bij oudercursussen en ouderbijenkomsten over ‘straffen en belonen’, ‘grenzen stellen’, e.d.
Doelgroep oudertraining
De training van de oudergroep is bedoeld voor ouders van kinderen in de leeftijd van 4-12 jaar met ADHD.
De doelstelling
Doel van de oudertraining is de opvoedingsvaardigheden bij te stellen en beter te laten aansluiten op de behoeften van het kind en daarmee de interactie tussen kind en ouders te verbeteren. Er wordt getracht een aanzet tot structurele verandering in de opvoedingsvaardigheden te bereiken. Daarnaast wordt psycho-educatie gegeven om ouders beter inzicht te geven in de problematiek van hun kind waardoor ze beter kunnen inschatten hoe ze het gedrag van hun kind kunnen beïnvloeden.
Opbouw
De behandeling van de ouders is gebaseerd op operante leertheoretische principes (Barkley, 1997). In de training leren de ouders op systematische wijze het gedrag van hun kind te beïnvloeden. Dit verloopt in twee fasen. In de eerste vijf sessies wordt informatie overgedragen, observaties verricht en vaardigheden aangeleerd en geoefend. De laatste vijf sessies zijn de interveniërende sessies. Ze bestaan vooral uit oefeningen en opdrachten om de vaardigheden in de thuissituatie te gebruiken. Ook worden de vaardigheden die de kinderen in de kindergroep aanleren besproken om het generalisatie-effect te verhogen.
Daarnaast leren ouders observeren van aangeleerd gedrag en het uitleggen van ABC-model: Antecedenten, Behavior (kindgedrag) en Consequenten (Herbert, 1981). Het concretiseren van gedrag is essentieel voor het succesvol uitvoeren van een gedragsveranderingsprogramma.
Structuur van de training
Er is sprake van een curatieve groepstraining voor ouders, waarbij aandacht :besteedt wordt aan het verbaal aanleren van sociaal-leertheoretische principes, :Daarnaast worden de opvoedingsvaardigheden getraind en wordt er aandacht besteed aan eigen ervaringen en opdrachten (Bosch & Ringrose, 1997).
De trainingsgroep betreft een gesloten groep en de sessie hebben verschillende ma’s. Het aantal deelnemers is maximaal vijf ouderparen, omdat anders de individuele aandacht verloren gaat. Het aantal bijeenkomsten voor de ouders is tien.
De duur van de sessies is ruim anderhalf uur. In geval van een combinatietraining 2 uur.
M. Uijterwijk, J. Bosch, P. Prins, ‘ADHD, wat doe je ermee?. Een groepstraining voor ouders van kinderen met ADHD. Een handleiding voor therapeuten’. Amsterdam/Duivendrecht: Paedologisch Instituut, 1999, 127 p., € 40., ISBN 00 72353 53 6. (Nu: De Bascule), PB 303, 1115 ZG Duivendrecht, e-mail info@debascule.com, intenet www.debascule.com.
De oudercursus 'Alcohol, drugs en opvoedingsondersteuning' betreft een draaiboek van het NIGZ in Woerden.
De cursus wordt onder meer gegeven door Tactus, instelling voor verslavingszorg, circuit Preventie en Consultancy, in Gelderland en Overijssel. De cursus wordt geleid door twee preventiewerkers van Tactus.
Voor informatie: Mieke Platenkamp, telefoon (053) 482 47 50; internet www.tactus.nl
Het handboek ‘Als het mis gaat … bel ik jou’ bevat naast de beschrijving van de methodiek een aantal bijlagen (bijvoorbeeld tips over gespreksvoering met jeugdigen en informatie over huiselijk geweld bij allochtonen) en werkbladen (onder andere een veiligheidsplan voor moeders bij stalking).
T. van Harten, 'Als het misgaat...bel ik jou. Steun voor kinderen van 0-18 jaar die getuige zijn geweest van huiselijk geweld'. Gouda: JSO. 2004.
Voor meer informatie: www.jso.nl.
Centraal in het (VVE-)programma ‘Bij de Hand’ staat het verbeteren van de interactie tussen ouders (moeder) en kind, door middel van spel. Er zijn twee middelen om de kwaliteit van de ouder-kind-interactie te verbeteren: het materiaal (werkbladen) en de groepsinstructie door de buurt-moeder. Het materiaal bestaat uit zogenaamde speel- of werkbladen (64 stuks) waarin de verschillende ontwikkelingsdomeinen waarop het programma zich richt, aandacht krijgen. De werkbladen zijn in verschillende talen uitgebracht (Nederlands, Turks, Marokkaans-Arabisch, Engels, Frans). De werkwijze is als volgt: de eerste zes weken gaat de buurtmoeder een keer per week naar de gezinnen toe en wordt het programma daar uitgevoerd. Daarna wonen de ouders wekelijks met hun kind een groepsbijeenkomst bij in een peuterspeelzaal of een welzijnsinstelling. Hier wordt instructie ontvangen, praten de moeders samen en wordt onder leiding van de buurtmoeder met de kinderen gespeeld. Bij de hand gaat uit van de gedachte dat de ontwikkeling van kinderen gunstig beïnvloed wordt wanneer sprake is van een veilige hechtingsrelatie met de ouders.
‘Bij de Hand’ is ontwikkeld door Stichting De Meeuw in Rotterdam. ‘Bij de Hand’ is afgeleid van een in Friesland in het kader van ‘Samenspel’ ontwikkeld programma, ‘Het Eerste Stapje’, een gestructureerde variant van de methodiek ‘Spelvoorlichting aan Huis’, waarbij een spelbegeleidster (meestal een stagiaire) thuiskomt om ouders en kinderen te leren spelen. Bij de Hand heeft de professionele spelbegeleidsters vervangen door een paraprofessional, de oudercontactpersoon of buurtmoeder.
Informatie: Stichting de Meeuw, Postbus 57689, 3008 BR Rotterdam, bezoekadres: Katendrechtse Lagedijk 186-1, 3081 ZD Rotterdam. Telefoon: (010) 486 30 22, e-mail stichting@de-meeuw.nl, Internet www.de-meeuw.nl
Doel van het Brugproject in Gouda is om de deelnemende vrouwen, naast het leren van de Nederlandse taal, durf en zelfvertrouwen bij te brengen en ze op basis van informatie meer te laten participeren in de basisschool en het voortgezet onderwijs en dus in het leven van hun kinderen. Daarnaast wordt de participatie in de eigen wijk gestimuleerd en bevorderd.
Bovendien worden de vrouwen op de hoogte gesteld van allerlei praktische zaken zoals de ouderavond, de wekelijkse nieuwsbrief of de schoolvakken en opvoedkundige aspecten die horen bij opgroeiende kinderen. Ook leren ze zich in te zetten voor de eigen buurt. Kinderen van de cursisten van het Brugproject die de basisschoolleeftijd nog niet hebben bereikt, worden opgevangen in de crèche. Sommige van deze crèches werken in het kader van de VVE aan taalstimulering. Het Brugproject vindt plaats in combinatie met "Brede Scholen", zodat ook gebruik kan worden gemaakt van tussen- en naschoolse activiteiten.
Inmiddels zijn in 2003 ook Brugprojecten in 2 regioplaatsen. Het vervolgproject in Gouda is een brug naar de wijk toe. Het vervolgproject wordt “In de buurt” genoemd. De inzet van de deelnemers is meer gericht op wijkparticipatie.
Inmiddels zijn de projecten ook toegankelijk voor andere allochtone groepen.
Informatie
Hanny Kuijpers, projectleider Brugproject, ROC ID College, tel.: (0182) 52 51 44, e-mail: hkuijpers@idcollege.nl.
Zie ook: www.pavem.nl, www.cinop.nl, www.itta.uva.nl.
Cursus voor vaders met kinderen van 4- 12 jaar van Turkse afkomst, en vaders van Marokkaanse afkomst met kinderen tussen de 8 en 12 jaar. Doel is het bieden van opvoedingsondersteuning aan ouders zodat opvoedingsvragen in een vroegtijdig stadium worden beantwoord en ouders hun kind gerichter kunnen stimuleren in het onderwijs en in buitenschoolse activiteiten. Casussen uit de dagelijkse opvoedpraktijk van ouders worden besproken en er wordt een appel gedaan op de vaardigheden van ouders en op het leren door zien, nadoen en onthouden. De cursus voor de vaders met een Turkse achtergrond bestaat uit 8 bijeenkomsten, de cursus voor vaders van Marokkaanse komaf bestaat uit 6 bijeenkomsten.
M. van Leeuwen, ‘De band met uw kind’, Gouda: S&O Zuid Holland, 1999.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Marieke Dijkstra, JSO: tel. (0182) 54 78 88.
Het programma 'De toekomst van uw kind' van Stichting De Meeuw biedt ouders met een kind in groep 7/8 van de basisschool informatie over de school nu en over het onderwijs van hun kind in de toekomst. Het programma gaat in op de schoolkeuze en wil de begeleiding die ouders hun kind bieden versterken. Het programma bestaat uit 16 bijeenkomsten; per schooljaar acht bijenkomsten. 'De toekomst van uw kind' biedt ouders:
Stichting De Meeuw geeft trainingen op maat aan de gespreksleiders/begeleiders die het programma 'De toekomst van uw kind' gaan uitvoeren met ouders. In de Rotterdamse situatie betreft dat merendeels assistenten ouderbetrokkenheid ('buurtmoeders') die op basisscholen werken. De lesmodule die voor hen is ontwikkeld bestaat uit 30 dagdelen (één schooljaar). Om de map te kunnen kopen en gebruiken is het volgen van de training een voorwaarde.
Afhankelijk van de kennis/ervaring/opleiding van andere gespreksleiders (bijvoorbeeld uit het welzijnswerk of zelforganisaties) geeft De Meeuw kortere trainingen of workshops, op maat van de afnemer (na een intakegesprek). De kosten daarvan variëren. Hiervoor kunt u contact op te nemen met Stichting De Meeuw, teamleider Ouders.
M. Velthuis, 'De toekomst van uw kind. Programma voor ouders met een kind in groep 7/8 van de basisschool'. Rotterdam: Stichting De Meeuw, 2003, € 45,50. Stichting De Meeuw, PB 57689, 3008 BR Rotterdam, telefoon (010) 486 30 22, e-mail stichting@de-meeuw.nl, internet www.de-meeuw.nl.
In de cursus "Waarde(n)vol communiceren met kinderen: DOEN!" van het Humanistisch Vormingsonderwijs staan de eigen waarden van ouders, de dagelijkse praktijk en het belang van duidelijke communicatie in de ouder-kind relatie centraal. De communicatie over gevoelens en behoeften heeft hier direct mee te maken.
Ouders werken met elkaar gedurende 10 bijeenkomsten/weken aan het verhelderen van hun eigen kijk op opvoeding en hoe zij daaraan invulling willen geven. Het ontdekken van de eigen stijl en het maken van bewuste keuzes hierin krijgen ruim aandacht. Wilt u als ouder praktisch bezig zijn en stilstaan bij het in praktijk brengen van uw eigen waarden in de opvoeding, dan kunt u op diverse plaatsen in het land terecht bij onze oudercursus.
In het programma staat centraal het opbouwen en onderhouden van een relatie met kinderen, die zich kenmerkt door openheid, redelijkheid en gelijkwaardigheid. Kernbegrippen in de communicatie zijn:
In de waarde(n)volle communicatie richtmen zich op de oriëntatie van het individu, op eigen waarden en die van anderen. In de opvoeding betekent dat, dat het doel is de ander vrijheid van keus te geven en te leren verantwoordelijkheid te nemen. Als volwassene geef je hierin het voorbeeld. Je bent helder over je eigen standpunt met respect voor dat van anderen. In de programma's wordt stilgestaan bij het antwoord op de vraag naar de normen en waarden die voor ieder persoonlijk belangrijk zijn.
Onder de titelnaam “Waarde(n)vol communiceren met kinderen: DOEN!” wordt deze cursus aangeboden in Brabant, Groningen, Utrecht, Zeeland en Zuid-Holland. Ook worden in de cursus communicatievaardigheden geoefend die duidelijkheid in de ouder-kindrelatie brengen. Als u belangstelling hebt, kunt u contact opnemen met de contactpersonen van het Humanistisch Vormingsonderwijs in de regio.
U kunt een folder aanvragen bij het HVO voor uitgebreidere informatie: e-mail hvo@hvo.nl.
A.Geelhoed, ‘DOEN!’, Utrecht: HVO, 2001.Voor meer informatie over de cursus kunt u terecht bij hvo@hvo.nl of u kunt de folder downloaden. Werkboek €16,- (uitsluitend bestemd voor geautoriseerde cursusleiders) spellendoos € 35,-. Verkrijgbaar via www.hvo.nl.
Cursus voor gescheiden vaders. De cursus geeft informatie over wettelijke regelingen, het laatste wetenschappelijk onderzoek, rechten en plichten. Daarnaast wordt ingaan op de gevolgen voor vader en kinderen en de beste manier om die te hanteren. Lotgenoten kunnen helpen om het verdriet rond een echtscheiding te verwerken en meer inzicht te geven in de manier waarop ze met hun emoties omgaan. Een beter zelfinzicht kan de omgang met de ex-partner en de kinderen vergemakkelijken. De cursus bestaat uit tien bijeenkomsten.
Duindam, V. en Vroom, M., ‘Een nieuwe start’, Amsterdam: Van Gennep, 2001. Cursusboek € 13,50. Handboek € 15,90. Verkrijgbaar via de boekhandel.
Het Vlaamse vormingspakket 'Familie' wil trainers ondersteunen in het werken rond het thema 'diversiteit in gezinnen'. Het omvat gespreksmethodieken en een reeks foto's om de beeldvorming over gezinnen gemakkelijk bespreekbaar te maken. Bedoeld voor de opleiding of navorming van gastouders, leid(st)ers en opvoeders.
Het vormingspakket 'Familie' richt zich tot trainers in de brede zin van het woord:
Het vormingspakket bestaat uit twee delen:
Concreet bestaat het materiaal uit:
Het pakket is tot stand gekomen vanuit de samenwerking tussen VBJK en ESSSE (een opleidingscentrum voor Educateurs Jeunes Enfants in Lyon) en werd uitgetest met leidsters in Vlaanderen, Wallonië, Frankrijk en Noord Italië. Het werd ook uitgetest met gastouders in Vlaanderen en met het personeel van bureaus voor zuigelingenconsultaties in Vlaanderen en Wallonië.
Het wordt in Vlaanderen het meest gebruikt bij basisvormingen en begeleidingen van gastouders (door de gastouderbureaus) en bij de opleidingen van leidsters.
Michel Vandenbroeck, 'Familie Een vormingspakket om te praten over gezinnen'. Gent: VBJK, 2002, € 30. www.vbjk.be.
In Vlaanderen werkt de Vrije Universiteit Brussel aan een pilotproject: ‘Families in Transition’. In het project worden bijeenkomsten met gezinnen (ouders én jongeren) georganiseerd waar ideeën, tips en ervaringen worden uitgewisseld. De invulling van het programma gebeurt volgens de eigen behoeften van de deelnemers. Er wordt gediscussieerd en er vinden doe-activiteiten plaats.
Doel van ‘Families in Transition’ is ouders en jongeren duidelijk maken dat bepaalde spanningen en opvoedingproblemen ook in andere gezinnen voorkomen.
Voorafgaand aan de uitvoering van het pilotproject verrichte de Vrije Universiteit onderzoek naar de ondersteuning van ouders van pubers. Uit het onderzoek concludeerden zij dat het betrekken van jongeren bij initiatieven om ouders te steunen bij de opvoeding van hun pubers een belangrijke kan meerwaarde opleveren
Voor de implementatie van FIT worden lokale netwerken uitgebouwd te Molenbeek, Schaarbeek, Aarschot, Genk, Herentals, Vilvoorde en Brasschaat. Hierbij wordt samengewerkt met In Petto, jeugddienst informatie en preventie.
Voor informatie: C. Andries, hoogleraar VU Brussel, telefoon +32 2 629 25 28, e-mail caroline.andries@vub.ac.be.
Zie ook: Onderzoek Families in Transition
Najaar 2006 geeft uitgeverij Garant het 'Contactboek' uit. dit bevat werkvormen, strategiën voor het opzetten van het programma, evaluatiemethodieken en een overzicht van relevant onderzoek.
De Feuersteinmethode is een methode om kinderen met een ontwikkelingsachterstand te stimuleren in hun leervaardigheden. De methode kan worden uitgevoerd door ouders en door leerkrachten. De leerkracht of ouder biedt het kind vaardigheden aan waardoor het beter en zelfstandiger leert denken. De ouder of leerkracht fungeert eigenlijk als 'mediator' (bemiddelaar) tussen het kind en haar denkvermogen: als een kind een vraag heeft, geeft de ouder niet rechtstreeks antwoord, maar stimuleert het kind om zelf dingen uit te denken. Mediëren wil zeggen: de gedachtenwereld van het kind volgen.
Er zijn verschillende oudercursussen waar u kunt leren de Feuersteinmethode thuis te gebruiken. De belangrijkste is de cursus ‘Denkstimulering Thuis’. Een greep uit de thema's:
Stichting ter Bevordering van de Cognitieve Ontwikkeling (StiBCO), Postbus 14064, 3508 SC Utrecht, telefoon (030) 219 20 60, internet www.stibco.nl.
Cursus voor (stief)ouders die bij de opvoeding zijn betrokken van kinderen tussen de 0 en 16 jaar. Doelstellingen zijn:
-(stief) ouders inzicht geven in de specifieke kenmerken en processen in een stiefgezin en de positie van het kind daarin
-het verbeteren van het opvoedingsklimaat.
Onderwerpen die aan bod komen : vooroordelen en verwachtingspatronen, specifieke kenmerken van het stiefgezin, communicatieve vaardigheden en vaardigheden gericht op conflictoplossing. De cursus bestaat uit 7 bijeenkomsten.
N. Petilon & L. Hobert, ‘Gewoon anders. Opvoeden in een stiefgezin’, Apeldoorn: Spatie, 2002. Draaiboek € 25,-. Verkrijgbaar via tel.: 055 52 62 640 of e-mail: preventie@spatie.nl
Doel
De ouders bezetten (opnieuw) hun plaats in de hiërarchie: het ouderlijk gezag is hersteld, de ouder beseft zijn / haar verantwoordelijkheid voor zijn / haar kinderen, ouders kunnen overleggen en elkaar mandateren, ouders kunnen hun aandacht over al hun kinderen verdelen.
Doelgroep
Gezinnen met problemen in de hiërarchie tussen ouders en kind. Er is altijd sprake van een kind met problemen waarvoor een niet vrij geïndiceerde manier van hulpverlening geïndiceerd is, zoals een (semi-)residentiële plaatsing.
Visie / theorie
De gezinsdagbehandeling staat voor hulp bieden aan gezinnen die een vraag hebben over hun functioneren. Ouders staan bovenaan in de hiërarchie en ouder- en kindrollen zijn dusdanig vormgegeven dat het gezin en ieder gezinslid optimaal kan functioneren. De gezinsdagbehandeling neemt het hele gezin in behandeling; het kindprobleem wordt verbreed naar gezinsfactoren. De behandeling krijgt gestalte via de dialoog met ouders en hun kinderen.
De methodiek is gebaseerd op verschillende theorieën waarvan de systeemtheorie en de leertheorie de twee belangrijkste zijn.
Functies, methodieken en activiteiten
De vier functies zijn behandeling, begeleiding, training en lotgenotencontact.
In principe is het hele gezin na schooltijd van 15.30 tot 18.30 uur (woensdag van 12.30 tot 16.00 uur), twee dagdelen per week in de gezinsgroep van de gezinsdagbehandeling aanwezig. In de gezinsgroep zijn steeds drie gezinnen tegelijkertijd aanwezig in steeds wisselende samenstelling. Daarnaast woont elk gezin minimaal eenmaal per week een themabijeenkomst bij voor ouders, moeders, vaders of kinderen.
In de gezinsgroep is een vaste dagelijkse routine; na binnenkomst tijdens het koffiedrinken met elkaar afstemmen wat en hoe er die dag geoefend wordt. De warme maaltijd wordt samen gebruikt en ieder groepslid heeft hierbij taken. De structuur is zoveel mogelijk in overleg met de ouders en vooraf bepaald.
Er zijn vier fases te onderscheiden:
Frequentie / duur
In principe twee dagdelen per week, ongeveer voor de duur van een jaar.
Voorwaarden voor toepassing
Op indicatie van Bureau Jeugdzorg.
Organisaties waar de interventie veel wordt toe gepast
MFO Xonar Maastricht Heuvelland
Overige informatie
www.rmpi.nl
Literatuur
Zuthof, C., C. Alberts, R. Pannemans, en M. Gudde (2003) ; Gezinsdagbehandeling. Herstel van de hiërarchie. Amsterdam: SWP.
Gezins-Interactie Training (GIT) is gericht op gezinnen met en kind in de leeftijd van 2 tot 9 jaar. Het programma wordt uitgevoerd in gezinnen met en kind dat kampt met gedrags- of ontwikkelingsproblemen. De GIT is een vorm van geprotocolleerde gezinsbehandeling. De hulp speelt zich af in het hier en nu, bij de ouders thuis, en sluit aan bij wat de ouders dagelijks als moeilijk ervaren. Samen met de ouders worden veranderingdoelen geformuleerd. Het GIT behandelingsprotocol stuurt het handelen en de beslissingen van de gezinsbegeleider. Video-opnamen worden gemaakt van dagelijkse situaties in het gezin en vormen het uitgangspunt voor de behandeling.
M. Jongbloed en L. Tavecchio, ‘Project Gezins-Interactie Training. Een methodiek ontwikkeld en geëvalueerd Rotterdam: Pedologisch Instituut. 1995.
M. Jongbloed, ‘Gezins-Interactie Training. Een protocol voor behandelaar en gezin. In P. Prins en N. Pameyer, ‘Protocollen in de jeugdzorg’. Lisse: Swets en Zeitlinger, 2000
Informatie: Pedologisch Instituut, PB 8639, 3009, AP Rotterdam, tel. (010) 407 16 40.
In Nederland zijn twee cursussen van het Canadese Hanen Centrum vertaald en geïmplementeerd.
- 'Jij bent belangrijk (voor de ontwikkeling van je kind')
- 'Praten doe je met z’n tweeën'.
De cursus 'Jij bent belangrijk (voor de ontwikkeling van je kind') richt zich op ouders van kinderen die het risico lopen op een taal- of ontwikkelingsachterstand. Het gaat om kinderen van 6 maanden tot 4 jaar. De cursus (met video) is ontwikkeld voor ouders die weinig kans tot scholing gehad hebben. De training van deze beroepskrachten is momenteel in Nederland niet structureel geregeld. Het bijbehorende boek voor ouders heeft de titel: 'Jij bent belangrijk! voor de ontwikkeling van je kind'.
'Praten doe je met z’n tweeën' richt zich op ouders van jonge kinderen (2-5 jaar) bij wie een taalontwikkelingsstoornis is gediagnosticeerd. De cursus (met video en cursusboek 'Praten doe je met z’n tweeën') wordt gegeven door logopedisten, die hiervoor een speciale training van het Hanen Centrum gevolgd hebben. Jaarlijks worden in Nederland minimaal twee trainingen aangeboden. Bij deze training hoort een Nederlandstalig methodiekboek.
Meer informatie over het Hanen Centrum vindt u op: www.hanen.org
De ouderboeken en video’s zijn te bestellen bij Uitgeverij SWP.
Informatie over workshops in Nederland kunt u onder meer verkrijgen bij: Audiologisch Centrum Hoensbroeck, dhr J. Dekelver, 045 528 29 00, j.dekelver@ach.nl
In Amsterdam wordt de Hanenoudercursus jaarlijks 2 tot 3 keer gegeven door Annemarieke Melman, freelance logopedist, in samenwerking met de MEE Amstel en Zaan.
Voor informatie Annemarieke Melman: e-mail a.melman@hetnet.nl, telefoon 06-15 51 78 13, internet www.archimedestrainingen.nl.
NOA-cursus (Netwerk Oudercursus Amsterdam)
Daarnaast draait al enkele jaren de NOA-cursus in Amsterdam, (voorheen cursus "Kijk, luister, praat"). Een cursus voor ouders van jonge kinderen met een taalontwikkelingsprobleem, gebaseerd op de uitgangspunten van de Hanenmethode. Deze cursus wordt door enkele logopedisten gegeven binnen Amsterdam, en wordt door de AGIS vergoed. Voor NOA-leden is een draaiboek beschikbaar.
In het koffertje 'Hink-Stap-Sprong' zitten dertien boekjes, die de kernpunten van opvoeden beschrijven volgens drie uitgangspunten: sturen, steunen, stimuleren. Het betreft een coproductie van de Belgische provincie Limburg met de instellingen Opzet en Centrum Bethanië. De koffer is bedoeld voor ouders en ook als inspiratiebron voor begeleiders van deze ouders. Voor werkers is er een methodische handleiding beschikbaar.
Vijf van de dertien boekjes beschrijven de ontwikkeling van kinderen: baby’s, peuters, kleuters, schoolkinderen en jongeren, én wat het van ouders vraagt om hen veilig en wel groot te brengen. Acht boekjes gaan over de vaardigheden van ouders om kinderen bij te staan in hun groeiproces. In de boekjes worden onder andere onderwerpen behandeld als: grenzen stellen, straffen en belonen, problemen oplossen, huiswerk begeleiden en ‘hoe bescherm ik mijn kind tegen drugs en andere gevaren?’.
De uitgave 'Hink-Stap-Sprong' is ontwikkeld voor ouders die uit zichzelf niet zo gauw boeken aanschaffen of lenen. De boekjes zijn geschreven in eenvoudige taal en geïllustreerd met schema’s en tekeningen.
J. Voets e.a., ‘Hink-Stap-Sprong’, 2003, uitgave van R. Hoebers, 2de directie Welzijn, Provincie Limburg, Universiteitslaan 1, 3500 Hasselt. Kosten € 15. Het koffertje is te bestellen bij Provincie Limburg, Steunpunt Opvoedingsondersteuning, Universiteitslaan 1, 3500 Hasselt, België, telefoon +32 11 23 82 22, e-mail opvoedingsondersteuning@limburg.be.
Een bijpassende methodische handleiding (circa €10) is verkrijgbaar in Centrum Bethanië, Smeilstraat 74, 3600 Genk, telefoon +32 89 32 95 55, e-mail lmichielsen@bethanie.be. Ook de uitgave voor ouders is hier verkrijgbaar.
De informatie uit het koffertje uit 2003 heeft uitgeverij Garant uitgegeven in twee boeken:Vanuit de idee van de Tupperware-party’s ontwikkelde de Grift, verslavingszorg Arnhem, en het Trimbos Instituut het idee van een ‘homeparty’. Een homeparty is een informatiebijeenkomst thuis, voor ouders van kinderen tot 16 jaar over alcohol, drugs, gokken en opvoeding. Een voorlichter geeft informatie over verschillende middelen. Tegelijkertijd kunnen de deelnemers vragen stellen en wisselen de ouders ervaringen uit.
Een initiatiefnemer nodigt buren en kennissen uit die belangstelling hebben voor zo’n bijeenkomst. De gastouder krijgt na afloop een cadeautje en een bijdrage in de koffie- en theekosten.
Het Trimbos-instituut en De Grift hebben een draaiboek ontwikkeld. De implementatie wordt verzortgd door het Landelijk Steunpunt Preventie en Resultaten Scoren. Zie verder: www.dehomeparty.nl,
Dit soort homeparty’s worden onder meer verzorgd door Tactus, instelling voor verslavingszorg, Brink 40, 7411 BT Deventer, telefoon (0570) 66 72 00 .
Voor informatie: C. de Leeuw of J. Hielkema, Tactus, afdeling preventie telefoon (0570) 66 72 00.
Doel
Hulp in eigen omgeving is in Limburg bekend onder de naam ‘Jeugdhulp Thuis’. Het heeft als doel om met uithuisplaatsing bedreigde jongeren en hun ouders maximale steun te bieden in hun eigen omgeving om zodoende een alternatief te bieden voor uithuisplaatsing.
Doelgroep
Met uithuisplaatsing bedreigde jongeren en hun gezinnen. In deze gezinnen hebben zich door een opeenstapeling van risicofactoren en stressoren zoveel problemen voorgedaan dat de situatie onhoudbaar is geworden.
Visie / theorie
De theoretische uitgangspunten van Jeugdzorg Thuis kunnen als volgt worden samengevat:
Functies, methodieken en activiteiten
De aandacht gaat uit naar alle systemen waar de jongere deel vanuit maakt (multisystemisch werken). Er wordt daarom intensief samengewerkt tussen de voorzieningen die behoren tot de sociale context van de jongere er het gezin. Er wordt een breed scala aan hulpverleningsmethoden aangeboden, waaronder ook Families First. Het creëren van een sociaal vangnet in de eigen omgeving krijgt, binnen de HEO-methodiek, veel aandacht.
Frequentie / duur
Na de eerste twee bijeenkomsten, waarin kennismaking centraal staat, is het verloop van de hulpverlening variabel en dus vraaggestuurd. In de praktijk blijkt het gemiddeld aantal huisbezoeken tussen de twee en drie per week te liggen. De duur van de contacten is gemiddeld zo’n twee uur. De frequentie en duur kunnen echter per gezin en afhankelijk van de fase waarin de hulpverlening zich bevindt, sterk uiteenlopen.
Voorwaarden voor toepassing
Op indicatie van Bureau Jeugdzorg.
Resultaten
Het concept ‘behandeling of begeleiding in de eigen omgeving’ blijkt goed te werken. Bij afsluiting van de hulp zijn de problemen afgenomen en wonen de meeste jeugdigen nog thuis. De problemen zijn nog niet over: ruim driekwart van de jeugdigen heeft nog beduidende gedragsproblemen, maar die problemen zijn minder dan bij de groep die is afgehaakt. Bovendien zijn de ouders én jeugdigen tevreden over de geboden hulp (Huijsman, 2003).
Organisaties waar de interventie veel wordt toe gepast / regionale of lokale varianten.
De verschillende hulpverleningsmethoden worden vaak geïndiceerd door bureaus jeugdzorg en uitgevoerd door jeugdhulpverleningsinstellingen. Er is afhankelijk van het ingezette programma nauwe samenwerking met Gespecialiseerde gezinsverzorging, Consultatiebureaus, GG&GD, Schoolbegeleidingsdiensten, huisartsen, de Raad voor de Kinderbescherming, onderwijsinstellingen, woningbouwverenigingen, bureaus budgetadvisering en de SPD.
Literatuur
Ouderschap van mensen met een verstandelijke beperking is ander ouderschap dan het normale. Het kernprobleem, de grotere mate van afhankelijkheid hoeft niet het grootste probleem te zijn. Een laag IQ gaat vaak gepaard met andere problemen zoals het moeilijk kunnen inschatten van situaties, gebrekkige impuls controle of een onderontwikkelde gewetensfunctie. In combinatie met emotionele instabiliteit en het ontbreken van verantwoordelijkheidsbesef leidt dit tot grote problemen. Als de mogelijkheden van de ouders op dit gebied beperkt zijn, komen kinderen vaak ernstig tekort.
Via de site van MEE Gelderland is het spel Ik wil een goede ouder zijn van Ineke Verdonk te downloaden; een uitgewerkte werkvorm over de kinderwens voor het werken met individuele ouders of in (meerdere) groepsbijeenkomsten.
Doel van het spel: Ouders, toekomstige ouders of deelnemers met een kinderwens laten beseffen wat kinderen verzorgen vraagt van ouders. Inzicht geven in wat zij al wel weten en kunnen. Inzicht geven in wat zij nog (zouden) moeten leren. Bespreken of zij de mogelijkheden hebben dat te leren.
Het spel bevat vier thema's:
De vragen op de kaarten helpen bij het onderzoeken van de zorg die kinderen nodig hebben. Ouders en toekomstige ouders met een verstandelijke beperking zijn niet geneigd met dit soort levensvragen bezig te zijn.
Voor meer informatie: www.meegeldersepoort.nl.
JPP, zoals dat in Zuidost Brabant is ontwikkeld, is een werkvom die zich richt op jongeren tussen de 0-18 jaar. JPP wordt door de politie aangeboden. Op grond van signalen spreekt de politie jongeren, hun opvoeders en eventuele andere belangrijke personen aan op zorg die bestaat voor de jongere. In drie maanden werken jongere, opvoeders en de jeugdpreventiewerker aan het weer zelfstandig kunnen hanteren van de eigen leefsituatie.
De aanpak van het JPP kenmerkt zich door een praktische aanpak op 8 leefgebieden: onderwijs, arbeid, financiën, huisvesting, politie/justitie, relaties en omgeving, gezondheid en vrije tijdsbesteding.
Onderzoek (1995) toont aan dat 84% van de jongeren niet recidiveert binnen een jaar na afsluiting. Van de door de jongere en het gezin gestelde doelen wordt 70% behaald.
De methode is door het NIZW beschreven:
G. Lieverse e.a., 'De JPP-methode: Een handleiding voor jeugdpreventiewerkers'. Utrecht : NIZW; Fontys Hogescholen, opleiding Sociaal Werk, 2001, 61 p.
H. Spanjaard e.a., 'Werkboek JPP : Een beschrijving van mogelijke interventies voor jeugdpreventiewerkers'. Utrecht : NIZW, 2001, 50 p.
Collegio verspreid JPP.
Voor informatie: Chris van Lenteren of Herma Ooms, telefoon (030) 232 30 70, e-mail collegio@collegio.nl
De volgende thema’s worden in de leerstraf besproken: delicten, het eigen delict, gevolgen delict voor de dader, gevolgen delict voor de slachtoffers, leerpunten, omgaan met kwaadheid en frustratie, omgaan met kritiek en assertiviteit, delictsscenario’s, zelfcontroletechnieken, themabijeenkomst, toekomst, evaluatie en afscheid. Na elke bijeenkomst worden er huiswerkopdrachten meegegeven.
De nadruk bij de oudercursus ligt op opvoedingsondersteuning en niet zoals ouders soms denken op een verkapte straf omdat ze gefaald zouden hebben.
De thema’s voor de oudercursus zijn: waarden en normen, ouderschap, conflict oplossen, genogram, opbouwend prijzen / opbouwende kritiek, observeren, themabijeenkomst, evalueren. Ook de ouders krijgen na elke bijeenkomst een huiswerkopdracht mee.
De leerstraf en de oudercursus lopen parallel. Omdat de leerstraf bestaat uit 13 bijeenkomsten en de oudercursus uit 7 bijeenkomsten begint de oudercursus later zodat beide groepen in dezelfde tijd zijn afgelopen en er een gezinsevaluatie kan plaatsvinden.
Zowel de leerstraf als de oudercursus worden in een groep uitgevoerd. Delicten worden door jongeren vaak in groepsverband gepleegd en ervaring heeft geleerd dat zij er baat bij hebben om in groepsverband gedragveranderingen en het omgaan met groepsdruk aan te leren. Voor ouders blijkt het een grote opluchting te zijn om met lotgenoten openlijk te kunnen praten over dit voor hen met schuld en schaamte beladen onderwerp.
Voor instellingen die deze leerstraf gaan uitvoeren biedt de Jeugdriagg Noord Holland Zuid een trainingsprogramma aan.
Het cursuspakket bestaat uit een draaiboek voor de leerstraf, een draaiboek voor de oudercursus, een brochure voor verwijzers, een folder voor de jongeren en een foldser voor de ouders.
Het materiaal is te bestellen bij de Jeugdriagg Noord Holland Zuid, e-mail: i.fraterman@jeugdriagg-nhz.nl. De kosten bedragen cica € 35 (exclusief portokosten)
Voor meer informatie over het trainingsprogramma of over de JOJ leerstraf kunt u contact opnemen met de projectcoördinator van het JOJ project:
Mw. A.M. Kapteyn, psychotherapeut / preventiewerker, Jeugdriagg Noord Holland Zuid, Amerikaweg 2, 2053 RA Haarlem, tel. (023) 518 75 00.
'Kinderen … de baas!?' is de titel van een training van ouders van jonge kinderen met gedragsproblemen. De auteurs van de Universiteit Gent beschrijven in de uitgave de gestructureerde programma’s van de elf groepsbijeenkomsten en de theoretische fundering. Verder bevat de uitgave kopieën voor sheets die bij de bijeenkomsten worden gebruikt en het achtergrondmateriaal voor de ouders.
De training beoogt een preventieve aanpak van gedragsproblemen bij kinderen, tussen 4 en 8 jaar. Voor deelname aan de training wordt multidisciplinaire screening van het kind aanbevolen.
Uit effectiviteitstudie bleek dat de training zowel op korte termijn, als één jaar later efficiënt is in het terugdringen van probleemgedrag bij jonge kinderen.
In de theoretische verantwoording wordt het belang van de ecologische benadering benadrukt: interventie van zowel het kind, als het gezin en de omgeving. (In 'Kinderen … de baas!?' zijn geen handleidingen voor trainingen van kinderen en leerkrachten opgenomen.)
Aanbevolen wordt dat de ouderbijeenkomsten geleid worden door twee trainers. In de training worden onder meer de volgende onderwerpen uitgewerkt: observeren, positief gezinsklimaat, gewenst gedrag versterken, spelen met je kind, afspraken maken en grenzen trekken, apart zetten, straffen, en afdwinggedrag van de kinderen.
Tijdens de groepstraining worden enkele individuele contacten tussen de trainer en de ouders gepland. Na het groepsgedeelte volgt er ook een individuele follow-up. Verder wordt er gewerkt met een ‘buddysysteem’. In de tweede bijeenkomst geven de trainers de ouders de opdracht om een andere ouder in de perioden tussen twee bijeenkomsten op te bellen.
E. Merlevede e.a., ‘Kinderen... de baas !? Praktijkboek voor deskundigen. Een training in opvoedingsvaardigheden voor ouders van jonge kinderen met gedragsproblemen’. Antwerpen/Apeldoorn: Garant, ISBN: 9 0441 1530 8, € 22,80.
Tupperwareparty’s inspireerden de Stichting Thuiszorg Oost-Veluwe om groepsvoorlichting aan ouders van jonge kinderen thuis aan te bieden. Inmiddels zijn over zes thema's draaiboeken verschenen voor deze vorm van groepsvoorlichting.
De opzet van 'Kinderthema’s Thuis' is dat een ouder andere ouders - en een wijkverpleegkundige - uitnodigt voor een bijeenkomst bij haar thuis. De wijkverpleegkundige verzorgt een themabijeenkomst. De ouders kunnen kiezen uit meerdere onderwerpen: slapen en slaapproblemen, huilen en troosten, regels en grenzen, weerbaarheid, taalontwikkeling, en voorkomen en behandelen van kleine verwondingen.
De ouders ontvangen een na afloop een boekje over het onderwerp. Voor de wijkverpleegkundigen zijn de thema’s uitgewerkt in een draaiboek.
Groepsvoorlichting biedt ouders de mogelijkheid om met andere ouders en de wijkverpleegkundige ervaringen uit te wisselen en elkaar te ondersteunen. Zo kunnen er nieuwe netwerken ontstaan.
Net zoals bij een Tupperwareparty ontvangt de gastvrouw na afloop van een bijeenkomst een cadeautje.
De vijf S-en van de Tupperware-methode::
Voor informatie over de methodiek en de draaiboeken: Marleen van der Kolk, Thuiszorg Oost-Veluwe, PB 1032, 7301 BG Apeldoorn, (055) 538 65 60, e-mail kolkmvd@tov.nl.
Zie verder: A. Straathof, e.a., 'Kinderthema's Thuis succesvol als methode in de jeugdgezondheidszorg. Een nieuwe opzet van groepsgerichte voorlichting binnen de Jeugdgezondheidszorg van Thuiszorg Oost-Veluwe'. Apeldoorn: Stichting Thuiszorg Oost-Veluwe, 2002.
Het programma 'Kleine stapjes' richt zich op kinderen met een ontwikkelingsachterstand of een verstandelijke beperking. Met het programma 'Kleine Stapjes' kunnen ouders zelfstandig aan de slag om de ontwikkeling van het kind te stimuleren, vanaf de baby- tot de kleuterleeftijd.
Het principe van 'Kleine Stapjes' is dat kinderen met een belemmering vaardigheden goed kunnen aanleren als die worden aangeboden in een reeks van kleine stappen. Het programma bestaat uit een videoband en een ringband met acht hoofdstukken, waarin de volgende vaardigheden worden behandeld:
Ouders kunnen de ringband en eventueel de video zelf bestellen en ermee aan de gang gaan; ze kunnen ook begeleiding krijgen van uw plaatselijke MEE-organisatie. De ringband en de video zijn te bestellen bij de Stichting Down’s Syndroom. (elk ongeveer € 60)
Begeleiding kan individueel of groepsgewijs. Bij een groepsgewijze aanpak organiseert MEE zes tot tien bijeenkomsten waarin het programma wordt behandeld. Voordelen zijn de uitwisseling van ervaringen. Bij de individuele benadering komt er iemand van MEE een aantal malen bij thuis op bezoek om samen met de ouder en het kind het programma door te nemen.
De individuele begeleiding is gratis voor mensen met een indicatie. De groepen zijn gratis toegankelijk zonder indicatie.
Onderzoek
Uit onderzoek van TNO blijkt dat ‘early intervention' op langere termijn geen effect heeft op een betere ontwikkeling van cognitie, motoriek gedrag en sociale vaardigheden maatschappelijke participatie en kwaliteit van leven.
Wel blijkt intensief oefenen,, dat wil zeggen over een langere periode tenminste een aantal keren per week, een positief effect te hebben vooral op taal en zelfredzaamheid van het kind. Het gebruik van een programma heeft geen significant effect.
‘Evaluatie van effecten van Early Intervention bij kinderen met het syndroom van Down’
Leiden: TNO-PG, 2004,
Voor informatie:
Jeanet Bruil, PhD, TNO Preventie en Gezondheid, Jeugd, Postbus 2215,
2301 CE Leiden, tel. (071) 5181705, Fax (071) 5181920, e-mail j.bruil@pg.tno.nl.
Stichting Down's syndroom, Oeverlandenweg 2, 7944 HZ Meppel, telefoon (0522) 28 13 37, internet www.downsyndroom.nl
In de serie thuisgerichte programma’s heeft Stichting De Meeuw materiaal uitgebracht dat is afgestemd op leerlingen en ouders van groep 4: ‘Knapzak 4’. Het programma, gericht op ‘leren leren’ en ‘sociale competentie’, bevat de thema’s zelfbeeld, onderzoeken, plannen, doorzetten, ontdekken, samenwerken, invoelen, motivatie, probleem oplossen en omgaan met regels. De leerkracht introduceert het thema bij de kinderen, de ouderconsulent doet dit in dezelfde week bij de ouders met een stukje theorie, werkvormen en instructie van het materiaal. Ouders krijgen materiaal mee naar huis waarmee ze met het kind aan de slag kunnen gaan. Na vier weken wordt het thema afgerond met een presentatie.
De serie thuisgerichte programma’s van Stichting de Meeuw bestaat nu uit ‘Rugzak 1 en 2 en 3’ voor respectievelijk groep 1, 2 en 3, ‘Knapzak 4’ voor groep 4, ‘Pesten is geen spel’ voor de groepen 5 en 6, ‘De toekomst van uw kind’ voor de groepen 7 en 8 en het programma ‘Jongens & meisjes’ voor alle groepen.
Voor informatie: Suzana Zornic en Francis Wesseling , Stichting De Meeuw, Postbus 61055, 3002 HB Rotterdam , telefoon (010) 486 30 22, s.zornic@de-meeuw.nl en f.wesseling@de-meeuw.nl, www.stichtingdemeeuw.nl.
De Kruipgroep is een aanduiding voor een laagdrempelige ontmoetingsplek in de buurt waar ouders wekelijks met hun kinderen bijeen kunnen komen. De ontmoeting heeft een laagdrempelig karakter: ouders zijn niet verplicht te komen. De bijeenkomst op de ontmoetingsplek – die één keer in de week gedurende 2,5 uur plaatsvindt - bestaat uit een informeel deel voor ouders en kinderen samen en een formeel gedeelte met informatie en ervaringen uitwisselen. Het project is ontwikkeld door de Jeugdzorg groep Oost, die een project – en methodiekbeschrijving uitbracht.
Jeugdzorggroep Oost, Resedastraat 15, 7555 CJ Hengelo. Telefoon: (074)256 15 61.
Interventie voor moeders met psychiatrische problemen en hun baby’s
‘Hoe jonger het kind dat wordt geconfronteerd met de psychiatrische ziekte van zijn moeder des te groter is de kans op het ontwikkelen van ernstige psychische problemen’. Dit schrijft Karin van Doesum in het voorwoord van de herziene uitgave ‘KOPP Handboek’ dat een interventie beschrijft voor moeders met psychiatrische problemen en hun baby’s. De interventie bestaat uit acht tot tien huisbezoeken. Tijdens de begeleiding staat het kind centraal. De behandeling van de moeder wordt gescheiden van de moeder-kind interactie. De interventie is gebaserd op de hechtingstheorie en de leertheorie.
In het handboek treft men achtergrondinformatie aan en een beschrijving van de werkwijze. Als bijlagen zijn artikelen opgenomen over depresieve moeders en artikelen met praktische tips voor ouders met jonge kinderen.
Het handboek wordt gebruikt bij de trainingen die RIAGG IJsselland verzorgt trainingen voor de preventieve moeder-baby interventie.
In samenwerking met de Radboud Universiteit Nijmegen verricht Karin van Doesum effectonderzoek.
Karin van Doesum en Jeanette Borren zijn door deelnemers van het congres 'Goede en veelbelovende voorbeelden van eerdere, snellere en betere hulp bij opgroeien en opvoeden: de Inventgroep één jaar later', 13 december 2006, verkozen tot winnaars van de publieksprijs.
C. Brok en K. van Doesum, ‘KOPP Handboek. Een preventieve interventie voor moeders met psychiatrische problemen en hun baby’s’. Deventer: RIAGG IJsselland, 2004, circa 150 p., € 17,50. RIAGG IJsselland, afdeling Preventie, Postbus 390, 7400 AJ Deventer, telefoon (0570) 68 87 88.
K. van Doesum, ‘An early preventive intervention for depressed mothers and their infants. It's efficacy and predictors of maternal sensitivity’. Proefschrift Radboud Universiteit Nijmegen, 6 december 2007.
Parnassia, psycho-medisch centrum, heeft een preventieve cursus ontwikkeld voor jonge kinderen (tot zes jaar), die getuige zijn (geweest) van huiselijk geweld en voor hun moeder. De cursus betreft een psycho-educatief aanbod: er wordt informatie gegeven, er worden ervaringen uitgewisseld en er wordt geoefend.
De cursus beztaat uit acht wekelijkse bijeenkomsten van twee uur. De groep bestaat uit 6 tot 8 moeders met hun kinderen. Er wordt gewerkt met de moedergroep en met de groep kinderen.
Een draiboek van de cursus is te bestellen bij Parnassia Service & Informatie, secretariaat afdeling Preventie, Prins Bernhardlaan 177, 2273 DP Voorburg. telefoon (070) 391 87 60,
Voor informatie: Simone Sas, e-mail s.sas@dejutters.com.
Met een 'oefenbaby' kunnen mensen ervaren hoe het is om een baby te hebben. De oefenpop ziet er net als een gewone baby uit en gedraagt zich dankzij een ingebouwd computertje ook natuurgetrouw: hij moet regelmatig worden gevoed, verschoond en getroost.
Sommige MEE-organisaties verhuren de pop; bij www.mee.nl weten ze welke MEE-organisaties er een hebben. De pop is ook te koop. Voor meer informatie: www.babybedenktijd.nl.
Top-punt heeft een programma voor ouderbijeenkomsten uitgebracht over regels en grenzen.
Omdat ik dat zeg!? is een uitgave - in de vorm van een ‘themapakket’ - van Top-punt roducthuis voor Themamaterialen rond OPvoeden en OPgroeien. Met dit kant-en-klaar-pakket kunnen leidsters, leerkrachten, ouderraadsleden en anderen één of meer bijeenkomsten organiseren voor ouders van kinderen tot twaalf jaar.
Het themapakket bevat een handleiding met theoretische onderbouwing, achtergrondinformatie voor de ouders en twee werkvormen om het thema met de ouders aan de orde te stellen.
Omdat ik dat zeg!? is samengesteld in samenwerking met de pedagoog Hans Janssen, auteur van ‘Als kinderen niet luisteren’ en ‘Kinderen vragen om duidelijkheid’.
Het pakket is voor € 115 te koop bij het secretariaat van Top-punt, p/a Spectrum, PB 8007, 6880 CA Velp, e-mail info@top-punt.nl Zie verder: www.top-punt.nl.
Serie themabijeenkomsten voor Turkse, Marokkaanse en Antilliaanse/ Arubaanse ouders van kinderen in de leeftijd van 0-18 jaar, met de nadruk op ouders van kinderen vanaf 6 jaar. Ouders worden gestimuleerd hun vragen en meningen onder woorden te brengen en ervaringen uit te wisselen. 6 bijeenkomsten en 6 thema’s; opvoeden in twee culturen, jonge kinderen en moederschap, opvoeding van pubers, kinderen en vrije tijd, veilig opgroeien en seksuele opvoeding.
M. Most van der Spijk, Opvoeden in beeld. Handleiding. Utrecht: NIZW, 2000.
Themabijeenkomsten voor laagopgeleide ouders met kinderen op de basisschool. Er wordt speciaal aandacht besteed aan ouders afkomstig uit etnische minderheidsgroepen. Het doel van deze themabijeenkomsten is het bevorderen van de wederzijdse communicatie en samenwerking tussen de ouders en de school en het versterken van de deskundigheid en de inbreng van de ouders. Er zijn themabijeenkomsten voor groep 1 en 2, groep 3,4,5 en 6 en voor groep 7 en 8.
S. Goren-Kalayci & P. Boersma, ‘Ouderbetrokkenheid en opvoedingsondersteuning voor de basisschool’, Amsterdam: Project Capabel,Drukkerij Heijt BV, 2002. Draaiboek €40,- verkrijgbaar bij Project Capabel, tel. (020) 686 59 85.
De cursus 'Wat is een basisschool. Ouderbetrokkenheid en taalvaardigheid' is ontwikkeld voor laagopgeleide allochtone ouders van kinderen op de basisschool. Vaak worden voorlichtingen over de basisschool in de eigen taal gegeven. En voorlichtingen in het Nederlands zijn veelal te moeilijk voor de doelgroep waar bovenstaande cursus zich op richt: analfabete NT2-cursisten en NT2-cursisten met een schoolachtergrond van maximaal tien jaar. Centraal staan twee dingen: het (beter) leren van de Nederlandse taal en het verwerven van kennis over het basisonderwijs met de bijbehorende Nederlandse woordenschat.
De cursus is opgedeeld in zeven modules: Wat is een basisschool, Klassenbezoek, Spelen, Het rapport, Gesprekken met leerkrachten en Voortgezet Onderwijs. Onderwerpen die voor de ouders van belang zijn maar die door Nederlandstalige voorlichtingen op de basisschool zelf zelden op het juiste taalniveau worden aangeboden. De module ‘De volgende stap’, bedoeld om te kijken welke mogelijkheden en belemmeringen er voor de cursist zijn om zelf verder te leren in de volwasseneneducatie, staat alleen in de docentenhandleiding Elke module wordt afgesloten met een praktijkopdracht in de basisschool en een schriftelijke of mondelinge toets.
De docentenhandleiding bevat de gehele lessenserie met mondelinge en schriftelijke opdrachten, praktijkopdrachten binnen de basisschool, te kopiëren kijkplaten, woordkaarten, toetsen en een cd met dialogen. Ook staan er voorbeeldbrieven in voor beginnende cursisten die nog te weinig Nederlands spreken om bijvoorbeeld zelfstandig een afspraak te maken voor een klassenbezoek. Schriftelijke oefeningen en educatieve illustraties staan in het cursistenboek dat al vroeg in het alfabetiseringsproces kan worden ingezet. In de docentenhandleiding staat aangegeven welke oefeningen voor welke doelgroep geschikt zijn.
De auteurs zijn als docenten NT2 werkzaam bij Educatie Amsterdam e.o. en geven al jarenlang cursussen ouderbetrokkenheid en taalvaardigheid.
W. Kaminski, M. Lahnstein, M. van Leeuwen, 'Wat is een basisschool. Cursus ouderbetrokkenheid en taalvaardigheid'. Uitg. Coutinho, 2000, 228 p. € 15.
W. Kaminski, M. Lahnstein, M. van Leeuwen, 'Wat is een basisschool. Cursus ouderbetrokkenheid en taalvaardigheid'. Uitg. Coutinho, 2000, 228 p. € 15. Docentenhandleiding + CD-rom: € 38,50. Verkrijgbaar via www.coutinho.nl
Cursus voor ouders van kinderen tussen ongeveer twee en twaalf jaar. De cursus is gebaseerd op de sociale leertheorie. Uigangspunt is dat gedrag van ouders en kinderen op elkaar inwerken. In de cursus worden zowel communicatieve vaardigheden als gedragsveranderingsvaardigheden aangeboden. Hoofddoel is het beïnvloedend vermogen van ouders ten aanzien van hun kinderen te vergroten, zodat zij leren respect te hebben voor de behoeften van hun kinderen, leren duidelijk te communiceren en leren de gedragsprincipes oordeelkundig te gebruiken. De cursus bestaat uit tien bijeenkomsten.
I. Bakker en M. Husman,'Positief omgaan met kinderen', Nijmegen: Dekker & Van de Vegt, 1994. Handleiding € 14,- ; Praktijkboek voor ouders € 14, 95. Verkrijgbaar via www.dekker.nl .
Een cursus van de Sociaal-Pedagogische Diensten voor ouders van kinderen met een lichte verstandelijke beperking. Er wordt aandacht besteed aan het bedenken van beloningen en het oefenen van eigen opvoedingssituaties. 6 thema’s; aandacht geven, nee-zeggen en verbieden, negeren, apart zetten, straffen en iets leuks afnemen. Deze cursus is een bewerking van de cursus 'Opvoeden Zo!'.
J. Remmerswaal. Positief opvoeden. Een opvoedingsondersteunende cursus van de sociaal-pedagogische diensten voor ouders van kinderen met een lichte verstandelijke beperking. Utrecht: NIZW, 2000.
In de Powercursus leren (allochtone) jongeren van 12 tot 19 jaar omgaan met moeilijke situaties. Ze ontdekken wat hun krachten en talenten zijn. Ze krijgen inzicht in hun eigen gedrag, ze worden weerbaar gemaakt tegen verleidingen en negatieve invloeden.
In de cursus worden onderwerpen besproken die jongeren bezighouden. Voorbeelden van onderwerpen die worden besproken zijn: relaties met ouders, familie en vrienden; hoe gaan ze om met vrije tijd, hun eigen toekomst; omgaan met agressie en criminaliteit, lichaamsverzorging, waarden en normen.
Vanaf maart 2004 tot heden wordt de Power-cursus in Utrecht, Leiden en Eindhoven uitgevoerd. De doelgroep is divers; jongens of meisjes met een Turkse of Marokkaanse achtergrond, en een gemengde groep met een Antilliaanse achtergrond.
De oudercursus
Het gezin en de opvoeding zijn belangrijke factoren in het ontstaan en voortbestaan van probleemgedrag bij jongeren. Voor ouders worden, parallel aan de jongerentraining, enkele voorlichtingsbijeenkomsten over empowerment georganiseerd. Deze bijeenkomsten die ook wel de ouder-cursus worden genoemd, wil ouders van jongeren die deelnemen aan de Power-cursus betrekken bij het empowermentprogramma.
Het doel van deze bijeenkomsten is de ouders inzicht te geven in de empowermentbenadering en vaardigheden te leren om adequaat te reageren op het nieuwe gedrag van hun kinderen.
Daarvoor voeren de ouders min of meer dezelfde opdrachten uit als de jongeren.
Projectbegeleiding
Dr. H.J. Wennink
Projectuitvoering
Drs. Glenn Uiterloo
Drs. H.N van Diest
Ontwikkelteam
Drs. R. van Dam (GGZE)
B. de Man (SWH)
I. Dos Santos (GGD Rotterdam)
R. Roemer
H. Ouali (Altrecht Preventie)
Drs. A. van Osenbruggen
Drs. M. van Vugt
Voor informatie:
Monique Bransen, Trimbos Instituut, tel. (030) 2959382, e-mail mbransen@trimbos.nl,
Henrike van Diest, Trimbos Instituut, tel. (030) 295 93 33, e-mail h.diest@trimbos.nl,
Hamid Ouali, Altrecht, tel. (030) 699 91 50, e-mail h.ouali@altrecht.nl,
Ria van Dam, GGZ Eindhoven, (040) 297 02 36. e-mail mw.van.dam@ggze.nl.
of e-mail power@trimbos.nl.
'Praten doe je met z'n tweeën' is een cursus van het Canadese Hanen Centrum die is vertaald en in Nederland is geïmplementeerd (evenals Jij bent belangrijk). De cursus richt zich op ouders van jonge kinderen (2-5 jaar) bij wie een taalontwikkelingsstoornis is gediagnosticeerd. De cursus (met gelijknamige video en cursusboek) wordt gegeven door logopedisten, die hiervoor een speciale training van het Hanen Centrum gevolgd hebben. Jaarlijks worden in Nederland minimaal twee trainingen aangeboden. Bij deze training hoort een Nederlandstalig methodiekboek.
Meer informatie over het Hanen Centrum vindt u op: www.hanen.org
De ouderboeken en video’s zijn te bestellen bij Uitgeverij SWP.
Informatie over workshops in Nederland kunt u onder meer verkrijgen bij: Audiologisch Centrum Hoensbroeck, dhr J. Dekelver, 045 528 29 00, j.dekelver@ach.nl
In Amsterdam wordt de Hanenoudercursus jaarlijks 2 tot 3 keer gegeven door Annemarieke Melman, freelance logopedist, in samenwerking met de MEE Amstel en Zaan. Voor informatie Annemarieke Melman: e-mail a.melman@hetnet.nl, telefon 06-15517813.
NOA-cursus (Netwerk Oudercursus Amsterdam)
Daarnaast draait al enkele jaren de NOA-cursus in Amsterdam, (voorheen cursus "Kijk, luister, praat"). Een cursus voor ouders van jonge kinderen met een taalontwikkelingsprobleem, gebaseerd op de uitgangspunten van de Hanenmethode. Deze cursus wordt door enkele logopedisten gegeven binnen Amsterdam, en wordt door de AGIS vergoed. Voor NOA-leden is een draaiboek beschikbaar.
Cursus voor Turkse, Marokkaanse en Antillaanse ouders met opgroeiende kinderen vanaf 12 jaar. De cursus biedt de ouders handreikingen voor het omgaan met de puberteit van hun kind. De cursus sluit aan bij de eigen culturele waarden en achtergronden van de ouders. De cursus bestaat uit 7 bijeenkomsten en wordt gegeven door 2 trainers.
Ö. Beyhan en P. Sweys, `Pubertijd`, Beverwijk/Zaandam: Stichting Multiple Choice en Stichting Pyloon, 1999. Voor informatie over de cursus of aanvraag van de cursus kunt u terecht bij:
Pauline Sweys; 020-6902626/ info@profor.nl
Mustapha El Moumene; 0251-229167/ info@multiplechoice.nl
Programma voor ouders met kinderen in de kleuterleeftijd en groep 3 van de basisschool. Het programma biedt de ouders handvatten om elke dag een kwartiertje samen met hun kind activiteiten te doen. Doelen zijn: het bevorderen van een inhoudelijke relatie tussen activiteiten thuis en op school, het bevorderen van de tweede taalwerving, het bevorderen van de positieve interactie tussen ouder en kind, het bevorderen van onderwijsondersteunend gedrag van ouders in het kader van ontwikkelingsstimulering, het bevorderen van ondersteunend gedrag van school en het bevorderen van onderling contact tussen ouders. Rugzak bestaat uit drie delen, Rugzak 1, 2 en 3. Ieder deel duurt een schooljaar en om de drie weken komt er een nieuw thema aan bod.
‘Rugzak’ is ontwikkeld door Stichting De Meeuw te Rotterdam. Materialen: Rugzak 1 (1995) €36,50,- Rugzak 2 (1995/1996) €36, 50,- Rugzak 3 (2000) €45,50,-. Verkrijgbaar via Stichting de Meeuw. E-mail: www.de-meeuw.nl , telefoon: 010 - 486 30 22.
'Samen Starten' is een landelijk project dat zich richt op versterking van de lokale samenwerking om de gezondheid en het welzijn van het jonge kind van 0-2 jaar te bevorderen. Vanaf januari 2003 wordt in Breda, Maastricht en Rheden een gecoördineerde en vraaggestuurde aanpak gerealiseerd waarin gemeenten, thuiszorg, GGD-en, maatschappelijk werk, NIZW en TNO Preventie en Gezondheid samenwerken. Een belangrijk doel is integrale vroegsignalering. 'Samen Starten' begint daarom al tijdens de zwangerschap. Alle problemen die zich voordoen bij en rondom het jonge kind moeten vroegtijdig worden opgemerkt. Dit kunnen zowel psychische problemen, als sociaal-emotionele, medische, financiële en opvoedingsproblemen zijn. Gezinnen met een langdurige achterstelling en financiële problemen hebben deze zorg het hardste nodig, daarom start 'Samen Starten' in kansarme buurten. Bij elke situatie wordt bekeken welke strategie een bijdrage levert aan preventie of terugdringing van problemen. Door een samenhangende en meerjarige aanpak neemt de kans op succes toe. Het uiteindelijke doel van 'Samen Starten' is het voorkómen van psychische en sociale problemen, antisociaal gedrag en criminaliteit. De kinderen worden in principe 20 jaar gevolgd.
'Samen Starten' gaat uit van datgene wat er in de buurten al aanwezig is op het gebied van preventie en zorg en wil vooral de verbindingen hiertussen versterken. Stapsgewijs wordt gewerkt aan een methode om de behoefte van de gezinnen met 0-2 jarige kinderen in beeld te brengen. Verpleegkundigen en jeugdartsen worden verder getraind in methoden van integrale vroegsignalering en een toolkit zal worden ontwikkeld met handige instrumenten voor de vroegsignalering.
Samen Starten is een signaleringsmethodiek, gecombineerd met een nieuwe manier van denken en werken. Het gaat om bejegening. Er wordt gebruik gemaakt van het DMO protocol (Dienst Maatschappelijke Ondersteuning van de gemeente Amsterdam) vanaf dat het kind 6 weken oud is tot het kind de leeftijd van 15 maanden heeft bereikt. Het protocol stoelt op 5 peilers:
Dit volgsysteem brengt factoren in kaart die kunnen wijzen op een risicovolle opvoedingssituatie in de gezinnen. Na de inventarisatie trekt de jeugdverpleegkundige de conclusie: 'prima', 'zozo' of 'probleem'. Bij gesignaleerde problemen volgt huisbezoek of een serie van huisbezoeken. Bij ernstige problemen wordt een gezinscoach ingezet
In dit programma Samen Starten’ wordt door het consultatiebureau (…) vanaf enkele weken na de geboorte systematisch, maar voor een groot deel interactief en vraaggestuurd, met de ouders gekeken naar de ontwikkeling en het welbevinden van het kind, naar het welbevinden van de ouders, naar de onderlinge steun tussen de ouders, de sociale inbedding van het gezin en naar externe belemmeringen en risicofactoren die het opvoeden kunnen bemoeilijken. Indien er signalen zijn dat er een probleem is gaat de verpleegkundige jeugdgezondheidszorg (vp-jgz) op korte termijn, bij voorkeur binnen één week, op huisbezoek In samenspraak met de ouders analyseert de vpjgz volgens de Stap voor Stap methode het probleem en besluit wie het betreffende gezin gaat begeleiden. Daarvoor bestaan de volgende mogelijkheden:
'Samen Starten' brengt het bestaande aanbod in de buurt in kaart, ontwikkelt een instrument om dit aanbod op kwaliteit te toetsen en ontwikkelt een werkwijze om vraag en aanbod op elkaar te laten aansluiten met een optimale afstemming tussen alle partners zodat er daadwerkelijk sprake is van ketenzorg. Dit laatste betekent dat in 'Samen Starten' vooral instellingsoverstijgend wordt gewerkt rondom preventie en zorg.
Het programma is een verdieping van het programma ‘Samenspel’ van DaalAdvies
Bij DaalAdvies zijn informatiebrochures, video’s, handleidingen en onderzoeksverslagen aan te vragen.
Informatie: Monique Daal of Ester van der Wiel, tel. (010) 436 14 43 of e-mail info@daaladvies.nl, website www.daaladvies.nl.
DaalAdvies is gevestigd aan de Westzeedijk 106, 3016 AH te Rotterdam.
Eén of twee dagdelen per week komt een groep kinderen (1 ½ - 4 jaar) en hun ouders (meestal de moeders) onder leiding van een Samenspelbegeleidster (meestal) op de speelzaal bij elkaar om aan het programma deel te nemen. De doelgroep betreft kwetsbare gezinnen waarvan de kinderen (2-4 jaar) risico lopen op achterstanden in hun ontwikkeling. Het programma omvat naast activiteiten die de ontwikkeling van kinderen stimuleren, ook een opvoedingsondersteund programma voor ouders waarin thema’s rond opvoeding en ontwikkeling van kinderen worden behandeld.
Landelijk zijn er zo’n 200 Samenspelgroepen die per jaar in totaal gemiddeld 4000 moeders en kinderen bereiken. Een Samenspelgroep bestaat uit 6 tot 10 ouders en hun kinderen.
Bij DaalAdvies zijn informatiebrochures, video’s, handleidingen en onderzoeksverslagen aan te vragen.
Meer informatie: www.daaladvies.nl
Een groepsgericht voorlichtingsprogramma waarin (laagopgeleide) moeders onder leiding van een paraprofessional met elkaar praten over de thema’s opvoeding, onderwijs en eigen emancipatie. Het programma is in het Turks en het Nederlands beschikbaar en omvat in totaal 22 bijeenkomsten die wekelijks of tweewekelijks worden georganiseerd.
Stap Rond is de Nederlandse versie van het in Turkije ontwikkelde Mother Enrichment Programma (MEP). In Turkije is het programma geëvalueerd met positieve resultaten o.a. op de opvoedingscompetentie van de deelnemende moeders.
Het programma is met name geschikt voor gebruik binnen jeugdwelzijnsinstellingen. Voor de groepsbegeleiders is een handleiding beschikbaar. Onderdelen van het programma zijn ook bruikbaar naast andere trajecten. Per groep wordt uitgegaan van één begeleider.
Informatie: Mirjam Sicking en Hilde Kalhoff, NIZW, e-mail: m.sicking@nji.nl, tel. (030) 230 66 61.
De cursus ''Stilstaan bij veranderingen" is door JSO ontwikkeld voor ouders van vluchtelingen. Het doel van deze training is het vergroten van het vertrouwen van ouders in de eigen opvoedingscapaciteiten.
Doelen van de cursus:
De cursus bestaat uit zeven bijeenkomsten van twee uur.
Er is een draaiboek beschikbaar. De map en bijbehorende materialen kunnen bij JSO besteld worden en kosten € 97,50 excl. verzendkosten (inclusief € 105,-).
Voor informatie: Martine van Leeuwen, martinev@jso.nl, www.jso.nl.
‘10 voor Toekomst’ staat voor de hulp en zorg die geboden wordt aan gezinnen voor wie het halen van een ‘10’ altijd onbereikbaar bleef. Daarnaast verwijst ’10 voor Toekomst naar de tien aandachtsgebieden in de thuissituatie waarop de hulp zich richt. De focus het project vormen gezinnen met kinderen tot 12 jaar, die hun zelfstandigheid dreigen kwijt te raken door verlies van zelfstandige huisvesting of verlies van het ouderlijk gezag over de kinderen. De hulp is laagdrempelig en er zijn geen uitgebreide intakes.
‘10 voor Toekomst’ betreft een gezinsondersteuningstraject, waarmee het Leger des Heils in 1998 van start ging. Met hetzelfde concept volgden in de loop van tijd Amersfoort, Apeldoorn, Den Haag, ’t Gooi (Hilversum en Huizen), Goes en Haarlem. Het Trimbos-instituut verrichtte een beschrijvend onderzoek naar de projecten. In het verslag ’10 voor Toekomst wordt de methodiek van deze integrale hulpverlening besproken.
Doel van ‘10 voor Toekomst’ is het behoud van de zelfstandigheid van het gezin als geheel. Er wordt gewerkt aan het beheersbaar maken en verminderen van de problemen. Daarbij ligt de nadruk op het stimuleren en versterken van de eigen mogelijkheden van het gezin. Van de werkers, gezinscoaches, wordt een basishouding verwacht van volharding en flexibiliteit, en een niet aflatende inzet.
De tien leefdomeinen waar de hulp zich op richt zijn: het huishouden, financieel beheer, kind- en zelfzorg, opvoedingsondersteuning, orthopedagogische interventie, educatie, psychische of verslavingsproblematiek, gedragsverandering, daginvulling en netwerkversterking. De top vijf van leefgebieden waarop gezinnen hulp willen hebben is: zorg voor de kinderen, financiën, huisvesting, psychische gezondheid, vervoer. Uit het onderzoek komt naar voren dat de werkers er vrijwel altijd in slagen contact te leggen en te onderhouden met de gezinnen. De vasthoudende benadering speelt hierbij een belangrijke rol.
E. Brantsen e a., ’10 voor Toekomst’. Utrecht: Trimbos-instituut, 2003, 48 p.
Zie ook: www.huiselijkgeweld.nl.
'De toekomst van uw kind' betreft een programma voor ouders (16 bijeenkomsten), die een kind hebben in groep 7 en 8 van de basisschool van Stichting De Meeuw.
In groep 7 worden 8 bijeenkomsten gehouden, en in groep 8 ook. Het programma
In het uitvoerige draaiboek is ook werkmateriaal voor ouders met teksten in het Turks opgenomen.
Stichting De Meeuw verzorgt trainingen voor de uitvoerders van het programma (in Rotterdam: de 'assistenen ouderbetrokkenheid').
M. Veldhuis, ''De toekomst van uw kind'. Rotterdam: Stichting De Meeuw, 2003. (klapper circa 150 p.)
Stichting De Meeuw, PB 57689, 3008 BR Rotterdam, telefoon (010) 486 30 22, e-mail stichting@de-meeuw.nl, www.de-meeuw.nl
Cursus voor ouders van kinderen in alle leeftijden. Deze cursus geeft aan ouders een aantal praktische adviezen om de problemen van alledag aan te pakken, het zelfbeeld van het kind te verbeteren en gedrag positief te beïnvloeden. 4 thema’s staan centraal; zelfbeeld van het kind, gespreksvaardigheden, gedragsbeïnvloeding en gezond denken. De cursus bestaat uit twaalf bijeenkomsten.
A.van Londen, A. Biloen-Beijen, H. Cladder, W. van Londen-Barentsen, ‘Vaardigheden voor ouders’, Lisse: Swets & Zeitlinger, 1992. Werkboek € 22, 90; Handleiding € 16,20. Verkrijgbaar via de boekhandel.
Cursus voor Molukse ouders en verzorgers. Het voorlezen wordt vanuit verschillende invalshoeken benaderd. Het belang van voorlezen voor de taalontwikkeling van het kind, het kiezen van kinderboeken en het vertellen als inspiratiebron voor het voorlezen komt aan de orde. Ook leggen deelnemers een link naar het eigen lezen en leren. Het doel van de cursus is drieledig: weten wat voorlezen bijdraagt aan de (taal)ontwikkeling van kinderen, meer plezier krijgen in voorlezen en vertellen en meer gebruik maken van de Openbare Bibliotheek. De cursus bestaat uit 6 dagdelen.
Pattiselanno, M. ‘Verder met voorlezen’, Utrecht: LSEM, 1999. Boek €9,08. Verkrijgbaar via www.lsem.nl Voor meer informatie kunt u terecht bij Marjanne Haitsma of Bert Tahitu,
telefoon: 030-23 33 900
VHT is een hulpverleningsmethode waarbij thuis video-opnamen van gezinssituaties gemaakt worden. De door ouder en hulpverlener gemaakte analyse van de opnamen biedt inzicht in en is aanknopingspunt voor verbetering van de omgangssituaties. VHT betreft een training voor gezinnen met kinderen van 0 tot 18 jaar waar sprake is van opvoedingsproblemen en pedagogische onmacht.
De aanpak is niet probleemgericht, maar gericht op de basiscommunicatie, mogelijkheden en positieve krachten in het gezin. Het zien van positieve interacties op de video vormt de drijfveer om positieve krachten verder uit te bouwen.
VHT wordt in de praktijk in verschilende varianten uitgevoerd, kortdurend en intensief. Op veel plaatsen voeren JGZ-verpleegkundigen een kortdurende Video-Home-Training uit als hulpmiddel bij opvoedingsondersteuning en primaire preventie.
Thuiszorg Eindhoven is de landelijke coördinator voor Video-Home-Training en Video-Interactie-Begeleiding (VIB) binnen de thuiszorg.
Met behulp van praktijkervaringen van vele JGZ-afdelingen in het land heeft Thuiszorg Eindhoven een handleiding VHT-kortdurend in de JGZ uitgebracht. De handleiding is bedoeld voor organisaties die overwegen om VHT kortdurend in de JGZ in te voeren en beoogt optimale kwaliteit van uitvoering van de methode en van de eisen aan de opleiding en certificering. Tevens dient de handleiding als leidraad en naslagwerk voor organisaties die al werken met VHT in de JGZ.
De handleiding ‘VHT-kortdurend in de JGZ’ kost € 45 inclusief verzendkosten en is te bestellen bij O. Nieborg, secretariaat Ouder- en Kindzorg, Thuiszorg Eindhoven, telefoon (040) 294 99 49. Meer informatie is verkrijgbaar bij K. Dierckx, coördinator VHT in de thuiszorg en D. Brouwers, stafmedewerker OKZ van Thuiszorg Eindhoven.
Zie ook: Literatuur Videohometraining
Zie ook: www.aitnl.org, de site van de Associatie Intensieve Thuisbehandeling.
Onder de naam 'Waardevol opvoeden zijn meerdere producten uitgebracht over waarden en normen in de opvoeding.
TOP-punt, producthuis voor Themamaterialen rond OPvoeden en OPgroeien heeft een themapakket uitgegeven voor de organisatie van bijeenkomsten voor ouders van kinderen van 0-12 jaar over waarden en normen in de opvoeding. Het pakket bevat een handleiding, achtergrondinformatie, videofilms voor 2 leeftijdsgroepen 0-4 / 4-12 jaar, met twee werkvormen, waarvan een ook in Turks en Arabisch. Dit themapakket is te koop bij Top-punt voor € 100. www.top-punt.nl.
In samenwerking met het LOOPP heeft het NIZW bij dit themapakket een brochure voor ouders uitgebracht: 'Zo zijn onze manieren'. De auteur van de brochure Tom Kroon werkte ook aan het themapakket. Ook is hij (mede)auteur van het lessenpakket voor het basisonderwijs: 'Kinderen en omgaan met waarden en normen' (uitgeverij Kwintessens).
T. Kroon, ‘Zo zijn onze manieren. Waarden en normen in de opvoeding’. Alkmaar: Buro Extern, 2004, 36 p. € 5., ISBN 90 5957 259 9. Te bestellen bij Buro Extern, Berenkoog 11, 1822 BH Alkmaar, telefoon (072) 567 00 00, e-mail bestel@extern.nl.
K2 heeft onder de naam 'Waarde(n)vol Opvoeden' een pakket van drie draaiboeken uitgebracht:
1. Een cursusdraaiboek voor beroepskrachten. Hierin zijn drie bijeenkomsten voorzien. Bewustwording van eigen waarden en normen en hoe deze in het werk een rol spelen staat hierin centraal. Ook wordt er informatie gegeven over morele ontwikkeling bij kinderen van 0 tot 12 jaar en over ondersteuning van ouders bij de morele opvoeding van hun kinderen.
2. Een draaiboek training voor het geven van de oudercursus. Een training van vier bijeenkomsten voor de uitvoerders van de oudercursus.
3. Een draaiboek oudercursus. De cursus van vier bijeenkomsten voor ouders met kinderen in de leeftijd van 0 tot 12 jaar. De cursus heeft als doelstelling ouders bewust te maken van het feit dat zij het gedrag van hun kinderen en de ontwikkeling van moreel besef zelf kunnen beïnvloeden.
Voor informatie: K2, Brabants kenniscentrum jeugd, PB 2347, 5202 BL Den Bosch, tel. (073) 614 17 74, www.k2.nl
Ook JSO heeft een draaiboek Oudercursus ‘waarde(n)vol opvoeden’ uitgebracht.
De cursus (drie bijeenkomsten) is bedoeld voor ouders met kinderen in de leeftijd van 0-12 jaar.
Elsa Ubags, Moniek Mors, ‘Waarde(n)vol Opvoeden’. Gouda: JSO, expertisecentrum voor jeugd, samenleving en opvoeding. 2004, 55 p. € 25,-. Te bestellen bij JSO. Voor meer informatie: www.jso.nl.
De cursus 'Wat is een basisschool. Ouderbetrokkenheid en taalvaardigheid' is ontwikkeld voor laagopgeleide allochtone ouders van kinderen op de basisschool. Vaak worden voorlichtingen over de basisschool in de eigen taal gegeven. En voorlichtingen in het Nederlands zijn veelal te moeilijk voor de doelgroep waar bovenstaande cursus zich op richt: analfabete NT2-cursisten en NT2-cursisten met een schoolachtergrond van maximaal tien jaar. Centraal staan twee dingen: het (beter) leren van de Nederlandse taal en het verwerven van kennis over het basisonderwijs met de bijbehorende Nederlandse woordenschat.
De cursus is opgedeeld in zeven modules: Wat is een basisschool, Klassenbezoek, Spelen, Het rapport, Gesprekken met leerkrachten en Voortgezet Onderwijs. Onderwerpen die voor de ouders van belang zijn maar die door Nederlandstalige voorlichtingen op de basisschool zelf zelden op het juiste taalniveau worden aangeboden. De module ‘De volgende stap’, bedoeld om te kijken welke mogelijkheden en belemmeringen er voor de cursist zijn om zelf verder te leren in de volwasseneneducatie, staat alleen in de docentenhandleiding Elke module wordt afgesloten met een praktijkopdracht in de basisschool en een schriftelijke of mondelinge toets.
De docentenhandleiding bevat de gehele lessenserie met mondelinge en schriftelijke opdrachten, praktijkopdrachten binnen de basisschool, te kopiëren kijkplaten, woordkaarten, toetsen en een cd met dialogen. Ook staan er voorbeeldbrieven in voor beginnende cursisten die nog te weinig Nederlands spreken om bijvoorbeeld zelfstandig een afspraak te maken voor een klassenbezoek. Schriftelijke oefeningen en educatieve illustraties staan in het cursistenboek dat al vroeg in het alfabetiseringsproces kan worden ingezet. In de docentenhandleiding staat aangegeven welke oefeningen voor welke doelgroep geschikt zijn.
De auteurs zijn als docenten NT2 werkzaam bij Educatie Amsterdam e.o. en geven al jarenlang cursussen ouderbetrokkenheid en taalvaardigheid.
W. Kaminski, M. Lahnstein, M. van Leeuwen, 'Wat is een basisschool. Cursus ouderbetrokkenheid en taalvaardigheid'. Uitg. Coutinho, 2000, 228 p. € 15. Docentenhandleiding + CD-rom: € 38,50. Verkrijgbaar via www.coutinho.nl
Er bestaan veel verschillende methodieken die gebruikt worden bij het ondersteunen van ouders. Die methodieken kunnen worden gegroepeerd naar werkwijze of functie.
Ambulante hulp thuis richt zich op het vergroten van competenties van gezinsleden, het voorkomen van uithuisplaatsing van kinderen en het creëren van een situatie waarin kinderen zich veilig kunnen ontwikkelen. Er bestaan verscheidene methodieken. De varianten richten zich op een specifiek probleemgebied of kenmerken zich door een eigen methodiek. De overeenkomst tussen alle behandel- en begeleidingsvormen is het bieden van concrete en laagdrempelige hulp in de thuissituatie.
Vrijwel alle vormen van hulp in de eigen omgeving zijn bedoeld voor multi-problemgezinnen met langdurende problemen. Er zijn vaak problemen op het gebied van opvoeding en gezag, verslaving of psychiatrie en niet zelden zijn er financiële, sociale of huishoudelijke problemen. Veel vormen van begeleiding in de eigen omgeving kunnen ook worden ingezet bij opvoedingsmoeilijkheden in gezinnen met een (licht verstandelijk) gehandicapt kind.
Intensieve hulpvormen worden vaak pas toegepast wanneer minder intensieve vormen niet in aanmerking komen of niet tot de gewenste resultaten hebben geleid.
Er is sprake van contra-indicatie wanneer de veiligheid van het kind, ondanks de hulp, niet te waarborgen is. Ook wanneer de veiligheid van de hulpverlener niet zeker is of wanneer de problematiek zo ernstig is dat uithuisplaatsing de enige oplossing is, kan dat als gevolg hebben dat er een andere vorm van hulp moet worden gezocht.
In veel gevallen start een hulpverlener in crisisachtige omstandigheden, er kan sprake zijn van een dreigende uithuisplaatsing of anderszins een bedreigende situatie voor de kinderen of het hele gezin. De contactfrequentie wordt flexibel gehanteerd en wordt normaalgesproken langzaam afgebouwd. Bij sommige hulpvormen kan begeleiding in de beginperiode oplopen tot zo’n 25 uur per week. De hulp wordt in fasen vormgegeven en start na de aanmelding met het zorgen voor veiligheid en praktische en materiele randvoorwaarden. Daarna vindt een analyse van de hulpvragen en interacties plaats en is er ruimte voor pedagogische en psychologische ondersteuning. Na de werkfase volgt een afrondingsfase. Een belangrijke vorm van therapeutische hulp is het aanleren van sociale en pedagogische vaardigheden. De gezinsmedewerker doet dit door instructie, rollenspel en het geven van voorbeelden. De hulp is gebaseerd op het versterken van positieve krachten, waarbij de mogelijkheden en alle potentiële hulpbronnen van de gezinsleden benut worden.
Het concept ‘behandeling of begeleiding in de eigen omgeving’ blijkt goed te werken. Bij afsluiting van de hulp zijn de problemen afgenomen en wonen de meeste jeugdigen nog thuis. De problemen zijn nog niet ‘over’: ruim driekwart van de jeugdigen heeft nog beduidende gedragsproblemen, maar die problemen zijn minder dan bij de groep die is afgehaakt. Bovendien zijn de ouders én jeugdigen tevreden over de geboden hulp
Zie ook: Literatuurlijst ambulante hulp
Voorbeelden van interventies in de vorm van ambulantie hulp zijn:
Veel professionals, zeker die met jonge kinderen werken, bezoeken ouders ook thuis, naast de afspraken die ze met de ouders bij de instelling maken. Huisbezoek wordt regulier toegepast in de jeugdgezondheidszorg voor jonge kinderen. Frequent en langdurig huisbezoek blijkt verder ook effectief te zijn voor preventie vn kindermishandeling. Op veel basisscholen en kindercentra bezoeken leerkrachten en leidsters de ouders thuis. Ook voor ontwikkelingsstimulering van jonge kinderen blijkt frequent huisbezoek (bv. zoals bv door paraprofessionals in het Opstapprogramma) effectief te zijn.
Huisbezoek in de JGZHoewel huisbezoeken in vergelijking met bureaugesprekken diverse pluspunten bezitten zijn er ook enkele kanttekeningen. Huisbezoeken vragen een behoorlijke tijdsinvestering. Het informele karakter krijgt gemakkelijk de overhand waardoor methodische werken moeilijker is. De aanwezigheid van kinderen legt ook beperkingen op aan de inhoud van het gesprek. En niet alle ouders vinden het prettig als een buitenstaander hun privésfeer binnendringt. Om deze reden is het beter als pedagogische ondersteuning in de thuissituatie voor ouders een vrije keus is, in plaats van een standaardaanbod.
R. Burgmeijer en J. Rijcken, bieden in 'Het huisbezoek in de OKZ: ritueel of rationeel'. (Tijdschrift voor Jeugdgezondheidszorg), een overzicht van de kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkeling van het huisbezoek in de ouder- en kindzorg (OKZ). Zij schrijven dat de laatste twee decennia het huisbezoek een dalende tendens vertoont. In 1997 werden er ongeveer 400.000 huisbezoeken afgelegd. De auteurs concluderen: ‘Na bestudering van de literatuur moet na bijna 100 jaar traditie van huisbezoeken in de ouder- en kindzorg worden vastgesteld dat nog steeds geen antwoord gegeven kan worden op de vraag in hoeverre huisbezoeken een bijdrage leveren aan de handhaving of verhoging van het bereik en aan de gezondheidstoestand van de kinderen. Over de effectiviteit en de efficiëntie van de voorlichting, advisering en begeleiding die tijdens en huisbezoek plaatsvindt blijkt weinig bekend te zijn, evenals over de eventuele meerwaarde die velen het huisbezoek toekennen boven andere, minder tijdrovende en minder arbeidsintensieve werkvormen.’ (p. 26)
In Amerika is wél onderzoek gedaan, zo melden TNO en NIZW in het literatuuronderzoek 'Systematische review naar effectieve interventies ter preventie van kindermishandeling'. Uit de Amerikaanse literatuur komt naar voren dat alleen langdurige huisbezoeken (tot twee jaar lang) effectief bleken in het verminderen van de incidentie van kindermishandeling. In het rapport staan negen factoren beschreven voor een succesvol huisbezoekprogramma. De onderzoekers noemen het belangwekkend dat kinderen die tijdens hun eerste twee levensjaren regelmatig huisbezoeken kregen van een daartoe opgeleid verpleegkundige, te vergelijken met onze wijkverpleegkundigen, ook veel minder antisociaal en crimineel gedrag vertoonden dan kinderen die géén huisbezoek ontvingen.
Uit onderzoek in de provincie Zeeland (Staal, 2004) bleek dat wijkverpleegkundigen door huisbezoek zestien procent meer kinderen opsporen met potentiële opvoedproblemen bij gezinnen met peuters van achttien maanden
Huisbezoek in het onderwijs
Ook andere professionals (die met kinderen werken) bezoeken de ouders thuis: peuterleidsters, leerkrachten. Net als in de jeugdgezondheidszorg lijkt de gewoonte van huisbezoek af te nemen. Maar J. Hermans, hoogleraar UvA, stelt: ‘Huisbezoeken vormen een van de krachtigste instrumenten om iets te doen aan opvoedings- en gezinsondersteuning’. ('Binnenlandsbestuur.nl', 21 mei 2004, p. 24).
In de nota over een sluitende aanpak 0-6 jarigen: 'Een goed begin' (2004) van de gemeente Schiedam wordt huisbezoek van leerkrachten in het primair onderwijs als een van de ambities voor de komende jaren genoemd. Dit om de betrokkenheid van ouders bij educatie te vergroten, de communicatie tussen school en ouders te bevorderen, te werken aan een betere overdracht, en aan vroegtijdig signaleren.
Margalith Kleijwegt wees in haar indringende boek ‘Onzichtbare ouders' (Plataan, 2004) op het ontbreken van huiszoek met name bij allochtonen, die weinig contacten binding met de buitenwereld hebben.
Maatschappelijk werk/jeugdzorg
Ook maatschappelijk werkers maken met ouders thuis een afspraak, wanneer men vermoedt dat afspraken op kantoor een te hoge drempel zouden kunnen zijn; cliënten zouden niet kunnen verschijnen.
In de jeugdzorg is het bezoeken van de ouders thuis de laatste decennia toegenomen: vanuit het uitgangspunt dat men laagdrempelig, outreachend werken. De ontwikkeling van programma's en het aanbod van (intensieve) gezinsbegeleiding is sterk gegroeid.
Zie ook:
Literatuur huisbezoek leerkrachten
Literatuur huisbezoek jeugdverpleegkundigen
Informele sociale steun verdient een plek in het lokale (preventieve) jeugdbeleid. Dit stelden Elise Roelofse (Spectrum) en Inge Anthonijsz (Nji) in een workshop die ze verzorgden op het tweede Nationaal Congres Opvoedingsondersteuning, 6 juni 2008. De workshop had als titel: ‘Welke positie krijgt informele opvoedingsondersteuning?’ Als achtergrondinformatie boden ze het onderstaande (enigszins bewerkt):
In de vijf functies van preventief jeugdbeleid (te weten informatie en advies, signalering, toeleiding, lichte pedagogische hulp en coördinatie van zorg) krijgt sociale steun geen duidelijke plaats. Afhankelijk van de activiteit zou sociale steun in de functie 'pedagogische hulp' kunnen passen, zoals Home-Start, of in de functie 'informatie en advies'. Een voorbeeld van dit laatste is bijvoorbeeld een ouderkamer waar ouders elkaar ontmoeten om ervaringen uit te wisselen over opvoeden en een plek waar ze opvoedingsinformatie krijgen.
Informele steun
In een visiestuk van de Raad van Europa wordt benadrukt dat ouderondersteuning gezien moet worden als een continuüm. Dat varieert van formele steun door professionals, semiformele steun door lokale groepen en diensten (paraprofessionals), tot informele steun door familie en vrienden (Daly, 2007). Bij sociale steun kan dus onderscheid worden gemaakt in:
Alle programma’s die met vrijwilligers/paraprofessionals werken, hebben één gemene deler, ze geven (semi)formele steun. De vrijwilligers die steun aan ouders bieden doen dit meestal vanuit een (semi)formeel kader, maar met een houding van gelijkwaardigheid die op vriendschap lijkt.
Sociale steun is volgens Bert Prinsen, NJi, de basis van opvoedingsondersteuning: ‘Als het gezin de hoeksteen van de samenleving is, dan is informele steun het cement’. Informele steun is sociale steun, die spontaan geboden wordt door anderen in de eigen omgeving van de ouder, of door vrijwilligers die daar speciaal voor worden ingezet. Een professional kan natuurlijk ook sociale steun bieden, maar dat is formele sociale steun.
Juist bij opvoeden is informele steun belangrijk. Even aan een ander kunnen vragen: ‘Hoe zou jij dat nou doen?’ De gelijkwaardigheid is belangrijk. En als dat niet bij het schoolhek of met de buurvrouw kan, dan moet er in de omgeving iets anders voor te vinden zijn: een ouderbijeenkomst op de peuterspeelzaal, een schoolcontactpersoon, een programma als MIM (Moeders Informeren Moeders), Home-Start of OpStap. Op beleidsniveau wordt deze waarde niet altijd gezien, er is meer aandacht (en geld) voor de professionele opvoedsteun. Een voorbeeld van sociale steun die wordt georganiseerd door professionals is het programma 'Eigen Krachtconferenties'. Dit programma wordt ingezet voor ouders die aanzienlijke stress ervaren in de opvoeding. Na deelname aan zo'n conferentie blijkt dat de steun uit de omgeving van het gezin bij de uitvoering van opvoedingstaken is toegenomen, zo blijkt uit onderzoek naar het programma 'Eigen Krachtconferenties'. (Wijnen & Van Beek 2008).
Kansen
Er zijn echter ook kansen: in de Wmo (Wet maatschappelijke ondersteuning) is grote aandacht voor participatie van betrokkenen zoals mantelzorg en vrijwilligerswerk. Dat is begrijpelijk, want het is een goede (en goedkope) manier om steun en zorg te bieden. Vrijwilligers zijn niet bedreigend, ze komen gemakkelijk binnen ook daar waar professionals moeilijk contact krijgen. Deze sociale steun wordt in Wmo-kader echter nauwelijks gekoppeld aan opvoedsteun.
Ook minister Rouvoet bepleit het belang van onderlinge ouderondersteuning. (‘Knevel en van den Brink’, 19 mei 2008). Op de door hem georganiseerde Gezinsconferentie (15 mei 2008) onderbouwden deskundigen de sociale steunfunctie. Micha de Winter, hoogleraar UU, pleitte in het deeldebat over Opvoeding&Omgeving voor het gebruik maken van een goed sociaal netwerk. Volgens hem een taak voor de Centra voor jeugd en gezin. Rouvoet nam dit over: hij onderstreepte het belang van sociale steun die ouders elkaar onderling kunnen geven. Zijn uitspraak werd nog versterkt door het aangevertje van Van den Brink, over ouders die elkaar moeten aanspreken op overlastgevend gedrag van kinderen. Rouvoet sprak vooral over de positieve steun die ouders elkaar in de buurt kunnen geven. Hij noemde dit van even groot belang als de hulp van professionals. De nieuwe Centra voor Jeugd en Gezin moeten ontmoetingsplekken worden en de social supportfunctie stimuleren.
Sociale steun
Wat wordt nu verstaan onder sociale steun? Sociale steun (social support) is geen eenduidig concept. Centraal in de meeste definities van sociale steun staat de uitwisseling van (hulp)middelen tussen personen. Tevens zit er een aanname van wederkerigheid in.
Sociale steun bestaat uit interacties (wisselwerkingen) tussen mensen die tegemoet komen aan sociale basisbehoeften (zoals affectie, goedkeuring, erbij horen en veiligheid) van de ontvanger. Sociale steun ontvang je dus binnen sociale relaties: de relaties met andere mensen in de omgeving. Sociale steun heeft daarin de vorm van interacties. Voorbeelden van deze interacties zijn een compliment, advies of hulp bij klussen in en om het huis. Onder sociale steun vallen deze sociale interacties maar ook de tevredenheid daarmee. Tevredenheid is de mate waarin de sociale interacties overeenkomen met de behoeften. Dat wil zeggen dat de hoeveelheid interacties precies goed en dus niet teveel en niet te weinig is.
Sociale steun kan niet los gezien worden van relaties. De aard van de relatie met iemand bepaalt of het contact als steunend ervaren wordt of niet. De steun die iemand ontvangt uit zijn of haar sociale omgeving zorgt voor een betere kijk op het probleem en helpt bij het oplossen daarvan. Sociale steun heeft direct en indirect invloed, en heeft invloed op welzijn en gezondheid.
Er zijn verschillende typen van sociale steun. Jo Hermanns onderscheidt in het effectonderzoek van Home-Start de emotionele, informationele, en praktische steun. Clemens Hosman, hoogleraar UM en RU, maakt onderscheid in persoonsgerichte en situatiegerichte steun. De persoonsgerichte bestaat uit:
Situatiegerichte sociale steun kan zijn:
Het is wel van belang om te onthouden dat sociale steun niet altijd positieve invloeden heeft, het sociale netwerk kan ook ineffectieve of stressvolle steun geven.
Sociaal netwerk
In de thesaurus van zorg en welzijn staat over het begrip sociale steun: sociale netwerken; steun die voortvloeit uit het sociale netwerk.
Sociaal netwerk: dat kan familie of vrienden betekenen; veel mensen of een paar die heel actief zijn; mensen op loopafstand of veraf maar bereikbaar als praatpaal. Het netwerk bestaat uit drie verschillende sectoren: verwanten, vrienden en bekenden, en maatschappelijke diensten
Een actief sociaal netwerk kan voor ouders als buffer werken tegen stresservaringen. Helpende handen beschermen elke ouder tegen overmatige stress, sterker nog: een geëngageerd netwerk helpt voorkomen dat problemen van een kind tot gezinsprobleem worden en dat dagelijkse dilemma’s uitgroeien tot problemen. Er zijn wel verschillen tussen bijvoorbeeld familienetwerken en vriendennetwerken. Familienetwerken kúnnen steun juist hinderen, wanneer een schaamtecultuur de individuele belangen van kind en ouders ondergeschikt maakt aan de eer van de grootfamilie. Maar behalve sommige migranten schamen ook oer-Hollandse familienetwerken zich voor disfunctionerende ouders in hun midden. Daarmee vergeleken zijn vriendschapsnetwerken minder moraliserend. Schaamte speelt geen rol, solidariteit des te meer, en een wij-gevoel dat tot uiting komt in hand- en spandiensten. Alleen al het besef dát men bij een groep hoort geeft zelfvertrouwen.
Terwijl sociaal isolement problemen oproept, worden bestaande problemen door netwerkcontacten ‘verdund’, bijna letterlijk. Iemand zit in een sociaal isolement als de sectoren (verwanten, vrienden en bekenden en maatschappelijke diensten) van het netwerk niet vertegenwoordigd zijn. Men heeft dus erg weinig contacten. Een tekort aan contacten gebeurt niet zomaar, maar dit kan verschillende redenen hebben. Bij sociaal isolement zijn drie zaken belangrijk: een negatief gevoel, een tekort aan sociale relaties en een sombere kijk op de toekomst (Kamsteeg & Scheringa,).
Kort gezegd is een sociaal netwerk een groepering van mensen met wie één persoon min of meer duurzame banden onderhoudt voor de vervulling van noodzakelijke levensbehoeften. Wanneer dit netwerk in voldoende mate in staat is deze noodzakelijke levensbehoeften te vervullen, dan is dit netwerk een belangrijke steun in situaties waarin problemen zich voordoen. De kans dat men deze problemen oplost wordt aanzienlijk groter.
Verschraling van de pedagische netwerken
Als neveneffect van een aantal algemeen maatschappelijke (infrastructurele of economische) ontwikkelingen zijn de pedagogische netwerken van gezinnen verdund. Zo schrijft de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling in het advies 'Versterken van de village' (2008).
Behoefte aan sociale steun
Ouders geven zelf aan dat ze meer behoefte hebben aan ‘informele’ steun bij de opvoeding, zo blijkt uit het onderzoek van Van Egten et al., ‘Gezinnen van de toekomst. Opvoeding en opvoedingsondersteuning’, E-Quality 2008). Daarnaast blijkt dat naarmate een steunend sociaal netwerk ontbreekt, de draagkracht van een gezin sneller overschreden wordt en er eerder ernstige opvoedingsmoeilijkheden ontstaan. Het onderzoek wijst erop dat de meeste ouders positief zijn over de opvoeding, maar wel veel tijdelijke vragen of zorgen hebben over hun kinderen. Ouders gaan vaak actief op zoek naar informatie en soms naar deskundige hulp, maar ze hebben vooral behoefte aan informele steun en bevestiging van hun aanpak van de opvoeding. Vormen van opvoedingsondersteuning die goed aansluiten bij de wensen van ouders zijn informatiewebsites en online fora om ervaringen met andere ouders uit te wisselen, praatgroepen in de buurt en laagdrempelige informatiepunten. De onderzoekers concluderen dat er meer maatwerk moet komen en lage drempels in de opvoedingsondersteuning.
Uit onderzoek naar de effecten van het programma Home-Start komt het gegeven dat Nederlandse moeders met een kind tussen 1,5 en 3,5 jaar behoefte aan ondersteuning hebben. Van de onderzoeksgroep zou 14% gebruik willen maken van een ondersteuningsprogramma waarin een vrijwilliger bij hen thuis ondersteuning komt bieden.
Sociale steun als buffer
Volgens Jo Hermanns, hoogleraar UvA, moet opvoedingsondersteuning gericht zijn op het zelfregulerend vermogen van ouders. Dit kan het beste door beschermende factoren te activeren of te creëren. Veel beschermende factoren onttrekken zich echter aan de invloed, zoals de persoonlijkheid van het kind. Wat wel te beïnvloeden is, is de sociale steun die aan het gezin geboden wordt.
Sociale steun is een bufferproces volgens de wetenschapper en therapeute Alice van der Pas, en geldt algemeen als een hulpbron bij het omgaan met tegenslag (‘het is een sociaal fonds waaruit mensen kunnen putten wanneer ze met stress te maken krijgen’). Van belang is dat sociale steun gemobiliseerd kan worden. Zij noemt ook onderzoek van Bussing e.a. bij ouders van kinderen met ADHD. Wat zij het meest nodig hadden was hulp bij het activeren van hun netwerk en/of zogenaamde respijthulp zoals een logeeradres.
In een Amerikaans onderzoek bleek (kort samengevat) dat ouders die een sociaal netwerk hadden ook een betere (responsieve) opvoedingsstijl konden gaan hanteren. Dit is een bemoedigende bevinding, omdat daarmee interventies ontwikkeld kunnen worden die steun geven aan moeders uit een risicogroep, zodat zij een meer responsieve opvoedstijl kunnen ontwikkelen.
Effecten van sociale steun
Allereerst verbetert sociale steun het welzijn effectief, dit effect is aanwezig ongeacht of die persoon veel of weinig conflicten heeft, en dit geldt zowel voor vrouwen als voor mannen (Universiteit van Tilburg, persbericht 2008).
Ten tweede vermindert steun stress die ontstaat door de combinatie tussen werk en gezin. Om effectief te zijn, maakt het voor de steun per sekse wel uit van welke bron deze afkomstig is. Zo werkt bij vrouwen steun van collega’s positief op de gezondheid, bij mannen vermindert die steun de stress rond het combineren van werk en gezin. Mannen zijn gebaat bij steun van hun leidinggevende, terwijl dit bij vrouwen juist averechts werkt (UvT persbericht, 2008).
Uit onderzoek van Kane, Wood en Barlow (2007) wordt geconcludeerd dat steun van andere ouders uit de cursusgroep het mogelijk maakte voor ouders om weer de controle te krijgen in de opvoeding. Een belangrijke factor is volgens deze onderzoekers dat ouders het gevoel hebben dat zij een rol spelen bij de ontwikkeling en opzet van oudercursussen. Niet-veroordelende steun van de professional maar ook steun van leeftijdgenoten en partner/echtgenoot zijn van belang.
Ander onderzoek laat zien dat het hebben van een sociaal steunend netwerk helpt de familie sterker te maken. Tevens is het krijgen van steun geassocieerd met positieve uitkomsten voor zowel ouders als kinderen. Er zijn meerdere redenen waarom het zoeken van steun voordelig is:
Andere effecten zijn dat sociale steun isolatie vermindert, en opvoedingsvaardigheden en kennis toe nemen. Het verbindt ouders met samenlevingsbronnen, zorgt voor ontspanning van de opvoedingsdruk, steunt relaties tussen ouders en hun kinderen en helpt met het beschermen van families tegen kindermishandeling en disfunctie in de familie (Schreiber, 2006).
Initiatieven voor voor een voorwaardescheppende strategie voor social support
In het advies 'Versterken van de village' (2008) vermeldt de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling enkele initiatieven waardoor de samenleving de opvoeding van kinderen meer als gezamenlijke verantwoordelijkheid zou kunnen gaan dragen. Doel hiervan is te voorkomen dat ouders overbelast raken en te voorkomen dat professionals overbelast raken. Daarnaast is het doel kinderen ook buiten het gezin een plek te bieden waar zij ‘opvoedkundige energie’ ervaren en de opvoedkwaliteit over de hele linie te stimuleren. De overheid kan hiertoe voorwaarden scheppen.
Kansen creëren voor ontmoeting
Ontmoetingen tussen mensen vormen de basis van de village. Die basis kan op het eerste gezicht tamelijk oppervlakkig zijn. Alleen al het zien van andermans kinderen draagt bij aan een omgeving waarin het aangaan van gesprek over die kinderen eenvoudiger is De basis voor een breder gedeelde opvoedingsaandacht ligt in elkaar zien en ontmoeten. Ontmoetingen leggen de basis voor publieke familiariteit Publieke familiariteit is het door korte, herhaalde, maar niet per se diepgaande contacten, bekend raken met elkaar.
Verrijken van uitwisseling met kennis, ideeën en ervaring
De Raad schrijft dat ouders die met vragen zitten, vaak aangeven geen behoefte te hebben aan formele hulpverlening, of er de noodzaak niet van te zien. Liever willen zij op een informele manier in gesprek over opvoedingsvraagstukken. De Raad is van mening dat de overheid ouders die daar behoefte aan hebben kan helpen om de expertise in hun directe omgeving beter te benutten. Mogelijkheden zijn bijvoorbeeld:
Toegang tot veilige en probleemoplossende hulp
Als derde randvoorwaardenscheppende richting wil de Raad wijzen op de mogelijkheid directe dienstverlening aan gezinnen meer zo op te zetten dat die als hulp – en niet als ingreep – ervaren wordt. Een suggesties:
E. Roelofse, en I. Anthonijsz, met medewerking van F. Post, L. van Wijk, en H. Dries, ‘Welke positie krijgt informele opvoedingsondersteuning?’. Utrecht/Velp: NJi/Spectrum. 6 juni 2008.
Intensieve opvoedingsondersteuning bevat een veelheid aan programma’s en interventies voor gezinnen met ernstige opvoedingsproblemen. Veelal is een intensieve interventie noodzakelijk, die doorgaans in de thuissituatie wordt geboden. Op het continuüm van hulp en ondersteuning bevinden de programma’s zich op het gebied van geïndiceerde preventie en zorg en hulp op indicatie.
Ons land kent al jarenlang een traditie om hulp aan gezinnen in de thuissituatie te geven. Bekend in dit kader zijn is de methodiek ‘Videohometraining’ en de ZIG-methodiek, onder meer toegepast bij de Oosterpoort te Uden. Deze traditie heeft vanaf 1993 een krachtige impuls gekregen met het innovatieprogramma ‘Families First’. Dit van oorsprong Amerikaanse programma is gericht op gezinnen in een crisissituatie, waarin een kind bedreigd wordt met onmiddellijke uithuisplaatsing. Momenteel is Families First in plm. 75% van Nederland beschikbaar. Families First is te typeren als een ‘intensief’ programma: de gemiddelde contactfrequentie bedraagt 9 tot 10 uur per week.
In het kielzog van Families First is een aantal modules ontwikkeld voor uiteenlopende gezinnen met verschillende problematieken. Veelal worden deze modules ingezet om uithuisplaatsing op kortere of langere termijn van een of meerder kinderen te voorkomen. Doel van de modules is veelal competentievergroting van ouders zodat ze betere opvoeders kunnen zijn, de ontwikkeling van hun kind(eren) kunnen stimuleren en beter kunnen omgaan met de gedragproblemen van hun kind(eren). Uit een inventarisatie van Collegio blijkt dat er meer dan 50 varianten van intensieve thuishulpmethoden te onderscheiden zijn. Overigens vertonen een aantal varianten een grote overlap wat betreft doelgroep, visie en methodiek.
Bekende modules zijn IOG (Intensieve Orthopedagogische hulp aan Gezinnen), een module voor multi-problemgezinnen met een duur van 6 maanden en een contactfrequentie van één tot twee maal per week en IPG (Intensieve Psychiatrische Gezinsbehandeling), bestemd voor gezinnen met ernstige opvoedingsproblematiek in combinatie met psychiatrische problematiek bij kind(eren) en/of ouder(s). Deze modules zijn te typeren als ‘matig intensief’ (contactfrequentie 2 tot 7 uur per week). Een andere intensieve vorm van hulp aan huis wordt uitgevoerd vanuit Amstelstad, onder de naam ‘de Versterking’. Inmiddels zijn ook voor licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen intensief gezinsgerichte modules ontwikkeld: FF-LVG en IOG-LVG en IPG-LVG.
Voor delinquente jongeren is een intensief gezinsgericht programma in voorbereiding. Het betreft MST (Multi Systeem Therapie). De therapie wordt op het individu toegesneden. Op basis van uitgebreide diagnostiek wordt samen met het gezin een behandelingsplan opgesteld en worden interventies in en tussen systemen van gezin, leeftijdgenoten, school en omgeving geïntegreerd. MST is te typeren als een multimodaal programma.
Zie ook: Literatuurlijst intensieve opvoedingsondersteuning
'Welkom bij de grootste ouders-community van Nederland. Voor ouders (en toekomstige ouders) van baby's tot en met pubers. Maandelijks ontvangen we bijna 300.000 verschillende bezoekers, die samen zo'n 8 miljoen pagina's opvragen en 30.000 berichten op het Forum plaatsen'. Deze openingszin op de homepage van Ouders Online zegt genoeg over het gebruik van internet door ouders.
In de overvloed van sites verschijnen de laatste jaren steeds meer sites voor ouders. Zo presenteren ook Opvoedbureaus hun aanbod.
Ook verschijnen er onderzoeksresultaten over de vraag en behoefte van ouders in verband met het gebruik van internet. Zo blijkt uit het onderzoek van J. Smets, ’Hulp gezocht? Vragen en ervaringen van jongeren en opvoeders´ (PON 2002) dat internet voor ouders een belangrijke bron is.
Ouders Online voerde april 2003 een onderzoek uit onder ouders naar hun behoefte aan digitale jeugdgezondheidszorg. De vraagstelling luidde: 'Wat zouden het consultatiebureau (voor 0 tot 4 jaar) en de daarop volgende dienstverleners (voor 4 tot 19 jaar) volgens u moeten bieden op het internet?'. Ouders blijken internet handig te vinden om afspraken te maken per e-mail, en om aanvullende informatie te krijgen over de ogen- en orentest en het vaccinatiebeleid. Uit het onderzoek bleek dat de top-6 van primaire behoeften van ouders er als volgt uitziet:
1. online vragen stellen
2. online handboek
3. online spreekuur voor de jeugd zelf
4. online verwijsloket
5. e-mail nieuwsbrief
6. forum
In 2004 gaat Icare JGZ de site 'Jeugdgezondheidszorg-online' (JGZ-online) bouwen. Men wil alle ouders in het werkgebied (Drenthe, Veluwe en Flevoland) een postbus aanbieden. Via die postbus kan dan informatie over hun kind worden uitgewisseld met bij voorbeeld het consultatiebureau.
Ook de thuiszorgorganisatie Evean biedt met de gezondheidswijzer een online consultatiebureau. Ouders vinden hier informatie over verzorging en opvoeding; en leden kunnen een pedagoog vragen voor leggen.
Zie voor meer informatie over het onderzoek: www.ouders.nl/mdiv2003-jgz.htm.
Zie ook: Literatuur gebruik internet
Multimodale programma’s voor opvoedingsondersteuning richten zich op verschillende betrokkenen en omgevingsfactoren tegelijk, zoals de kinderen, hun ouders, de school en de leefomgeving. Ook zijn ze gericht op meerdere 'beïnvloeder's: niet alleen op de competentievergroting van het kind of de jongere maar ook op die van de ouders, leerkrachten en eventueel leeftijdgenoten. De programma’s worden ingezet na een analyse van de verschillende 'contexten' waarin de jeugdige leeft en de problemen die daarin een rol spelen.
Multimodale programma's zijn gebaseerd op een duidelijk omschreven conceptueel kader, waardoor ze in de verschillende contexten verbonden kunnen worden. Als de interventie bestaat uit verschillende modules, zijn die inhoudelijk op elkaar afgestemd en sluiten ze aan bij het theoretisch kader en de contextanalyse.
Diverse studies naar de effecten van de behandeling van delinquente jongeren noemen multimodale interventies als een van de voorwaarden voor succes. In een recent overzicht van effectieve preventie en aanpak van jeugdcriminaliteit komen programma’s naar voren die zich op verschillende gebieden tegelijk richten. Veelal gaat het om 'totaalprogramma’s', met elementen voor leerlingen, ouders en leerkrachten. Op basis van de bespreking van twintig modelprogramma’s wordt geconcludeerd dat de meest succesvolle programma’s zich richten op de risico- en beschermende factoren in zo veel mogelijk sociale domeinen van het kind of de jongere.
Ook vanuit het oogpunt van preventie dienen op basis van de theorievorming over beschermende en risicofactoren de interventies zich te richten op meerdere domeinen en meerdere beïnvloeders. Uit literatuurstudies naar veelbelovende preventieprogramma’s komt een aantal effectieve multimodale programma’s naar voren. Uit een overzicht van onderzoek naar preventieprogramma’s die de ontwikkeling van een antisociale persoonlijkheid moeten voorkomen, wordt geconcludeerd dat succesvolle programma’s meestal multimodaal zijn. Het gaat dan om programma’s die op verschillende niveaus en in verschillende settings uitgevoerd worden, en die naast een klasseninterventie ook een oudervaardigheidstraining of een training voor leerkrachten aanbieden.
In Nederland bestaan er verschillende multimodale programma's.
Het Vroegtijdig Interventieprogramma
Het Vroegtijdig Interventieprogramma (VIP) is bedoeld voor kinderen van 4 tot 7 jaar met ernstige gedragsproblemen. In het VIP-project wordt een gedragsmatige aanpak van kinderen in de groep gecombineerd met een oudertraining en een training van leerkrachten. VIP is gebaseerd op het 'Incredible Years'-programma voor jonge kinderen en hun ouders, bestaande uit een gecombineerde ouder- en kindtraining. Daarnaast is inspiratie gehaald uit ‘Swindon’, een Engels programma gebaseerd op Incredible Years. Ook het programma ‘STOP’ in België werkt vanuit dezelfde multimodale uitgangspunten.
Bij de ontwikkeling van VIP werkt het Landelijk Centrum Onderwijs Jeugdzorg (LCOJ) van NIZW Jeugd samen met Praktikon. Het programma wordt uitgevoerd door De Waarden te Nijmegen en Trajectum Novum te Zeist.
Multi-systeemtherapie
Multi-systheemtherapie is een behandelingsmethode voor jongeren die veel ernstige delicten hebben gepleegd. De therapie wordt individueel op de jongere toegesneden. Op basis van uitgebreide diagnostiek wordt samen met het gezin een behandelingsplan opgesteld en worden interventies in en tussen systemen van gezin, leeftijdgenoten, school en omgeving geïntegreerd. Op deze wijze probeert multi-systeemtherapie (MST) een totaalpakket aan zorg te bieden, zoals individuele therapie, gezins- en huwelijkstherapie, en interventies in de groep waarin de jongere zich beweegt. Ook wordt geprobeerd alles wat het bereiken van de behandelingsdoelen in de weg staat aan te pakken, bijvoorbeeld huisvesting, verslaving of psychopathologie van de ouders. MST vindt individueel en vooral thuis plaats. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat MST een effectieve interventie is.
NIZW Jeugd bereidt een landelijk innovatietraject voor van de invoering van MST in Nederland, waarbij het Ministerie van Justitie als opdrachtgever fungeert.
Inloopbijeenkomsten of ontmoetingsactiviteiten vormen de lichtste variant in het palet van groepsgerichte opvoedingsondersteuning. De waarde ligt vooral in het laagdrempelige (soms vrijblijvende) karakter waardoor de activiteit aantrekkelijk is voor ouders die anders niet zo gemakkelijk van een voorziening voor opvoedingsondersteuning gebruik maken.
Voor inloopactiviteiten zijn allerlei vormen en benamingen in omloop zoals koffie-ochtenden, spelmiddagen, ontmoetingsplaatsen voor ouders, goerspconcultatiebureau, kruipgroepen of babysoos. Een inloopactiviteit is kleinschalig en buurtgericht en soms ook gekoppeld aan een specifieke voorziening zoals een consultatiebureau, peuterspeelzaal, ouderkamer op school of een speelotheek. Het accent ligt vooral op de ontmoetingsfunctie en het contact tussen ouders onderling, meestal moeders. Vaak zijn er ook jonge kinderen bij aanwezig. Inloopbijeenkomsten of ontmoetingsactiviteiten worden veelal door ‘gastvrouwen’ ofwel vrijwilligers of paraprofessionals met een ID baan begeleid. De beroepskracht heeft bij deze activiteiten vooral een rol op de achtergrond. De keuze van de locatie is van belang. Een plaats waar ouders op een bepaald moment toch al moeten zijn is het meest laagdrempelig.
Naast ontmoeting en onderling contact zijn er bij inloopactiviteiten soms ook nevendoelen zoals:
Als voorbeeld van laagdrempelige groepsbijeenkomsten kunnen de Samenspelgroepen worden genoemd. De deelnemers komen eens in de week. Het betreffen groepsbijeenkomsten met een bepaalde duur en frequentie, die worden geleid door professionals.
Zie ook:
Oudercursussen kunnen worden omschreven als een serie van ten minste drie bijeenkomsten voor ouders met een vaste groep deelnemers. Het is een vorm van groepsgerichte opvoedingsondersteuning.
Doelgroep
Oudercursussen zijn doorgaans gericht op ouders die vragen hebben over de opvoeding en op ouders met lichte opvoedingsproblemen.
Doeleinden
Oudercursussen kunnen op verschillende gebieden gericht zijn, zoals:
Beschrijvingen
Van de volgende oudercursussen treft u een beschrijving aan. Waar het interventies betreft die zijn opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies, is de beschrijving uit betreffende databank afkomstig.
Onderzoek
Ouders blijken twee aspecten van oudercursussen gelijkelijk te waarderen:
Aanbod
In Nederland verzorgen veel instellingen oudercursussen. In veel regio's ontbreekt het aan een overzicht van het aanbod.
In Den Haag geven samenwerkende instellingen twee keer per jaar een 'Nieuwsbrief oudercursussen' uit. Samenwerkende instellingen in de regio Amstelland-de Meerlanden hebben hun aanbod geplaatst op www.loketopvoedcursussen.nl.
In 2005 bracht een samenwerkingsverband van instellingen een stand-van-zakenstudie uit over cursussen voor ouders van jonge kinderen. (B. Prinsen en B. Ridderhof-Bom, ‘Steun aan ouders rondom de geboorte en het opgroeien van hun eerste kind. De stand van zaken en aanbevelingen voor standaardisering, onderzoek en implementatie van (aanstaande) oudercursussen’ Utrecht/Rotterdam: NIZW/GGD Rotterdam).
In 2003/2004 is onderzoek gedaan naar de uitvoering van trainingen van cursusleiders van puberoudercursussen. Vragen daarbij waren of het de instellingen gelukt was voldoende cursusleiders te trainen en betekent dit vervolgens dat er ook een structureel aanbod voor ouders is. Zie: Implementatie van de training voor de begeleiders van puberoudercursussen, Wiel, T. van der, G. Blokland. Utrecht: NIZW, 2004 (pdf-bestand, 0,14 Mb, uitleg).
Meer informatie:
Factsheet Oudercursussen. Prinsen, B. e.a. Utrecht: NIZW, 2005.
Samen delen. Opvoedingsondersteuning in groepen, I. Bakker, G. Blokland en H. Wijnen. Utrecht: NIZW, 2001.
Steun aan ouders rondom de geboorte en het opgroeien van hun eerste kind. B. Prinsen, en B. Ridderhof-Bom (2005).
'Opvoedcursussen in Gooi en Vechtstreek: hoe verder? Advies NIZW Jeugd, 2005'. G. Blokland en I. Ligtermoet (2005). Utrecht: NIZW Jeugd. Te downloaden via www.ggdgooi.nl (directe link naar rapport, pdf-bestand, 118 Kb, uitleg)
Een oudertraining is een intensieve en gestructureerde vorm van (groepsgerichte) opvoedingsondersteuning. Hulpverleners gebruiken wel het woord 'mediatietherapie'. Het is een ondersteuningsaanbod dat veelvuldig wordt toegepast bij gedragsproblemen en -stoornissen bij kinderen, van de peuterleeftijd tot de adolescentie. Het woord oudertraining wordt meestal gebruikt voor groepswerk; maar ook voor individuele behandeling gebruikt men het woord oudertraining.
De training voor ouders loopt vaak naast een behandeltraject voor het kind zelf en wordt verzorgd door een instelling voor geindiceerde jeugdzorg. Ouders worden als ‘mediator’ getraind om thuis het gedrag van hun kind te veranderen. Het uitgangspunt voor het direct inschakelen van de ouders bij de behandeling van gedragsproblemen, is dat veel gedragsproblemen niet los gedacht kunnen worden van de omgeving waarin kinderen leven en opgroeien.
In een oudertraining leren ouders stapsgewijs verschillende opvoedingsvaardigheden door kennisoverdracht, oefeningen, rollenspel en huiswerkopdrachten. Het thuis in praktijk brengen van het geleerde vormt een belangrijk onderdeel van een oudertraining. Aan een oudertraining nemen over het algemeen zo’n acht tot veertien ouders deel, en bij voorkeur ook beide ouders.
Oudertrainingen zijn vaak gebaseerd op principes uit de (sociale) leertheorie en gedragstherapie. Binnen een oudertraining wordt een verschuiving teweeg gebracht in beloningspatronen, zodat gewenst gedrag van het kind beloond wordt met positieve aandacht en ongewenst gedrag consistent bestraft of genegeerd wordt. Het doel is om dit interactiepatroon uit te breiden naar nieuwe situaties.
Er bestaan verschillende oudertrainingsprogramma’s, vaak gericht op specifieke problemen of doelgroepen. De meeste programma’s richten zich op ouders van kinderen met gedragsproblemen in de leeftijd van vier tot twaalf jaar. Zo zijn er voor ouders van kinderen met gedragsproblemen, waaronder hyperactieve en impulsieve kinderen (ADHD) de programma's 'Opstandige kinderen' van Barkley (1998), 'Ouders speuren naar sporen' van Lootens (1998) en 'Remweg' van Koning e.a. (1997). Dit laatste programma is ook geschikt voor andere mediatoren zoals groepsleiding. Voor ouders van peuters en kleuters met gedragsproblemen bestaat het programma 'Hoe kleiner hoe fijner' van Ten Brink (1998). Voor ouders van kinderen met incontinentieproblemen is er een trainingsprogramma van Bosch (1984) 'Kinderen met vieze broeken'. Voor ouders van kinderen (tussen 1 en 5 jaar oud) met taalontwikkelingsstoornissen is de 'Hanen Oudercursus' ontwikkeld.
Een literatuurverwijzing: E. ten Brinke, 'Oudertrainingen'. In: I. Bakker e.a., 'Samen Delen'. Utrecht: NIZW.
Pedagogische advisering omvat kortdurende ondersteuning van ouders bij opvoedingsvragen en –problemen. De functie 'licht pedagogische hulp' is één van de vijf ‘gemeentelijke taken voorafgaand aan de jeugdzorg'. (De andere zijn informatie, signalering, doorverwijzing, en coördinatie). Over deze taken zijn kabinet, IPO en de VNG overeengekomen dat dit gemeentelijke taken zijn.
Kenmerkend voor pedagogische advisering is een vraaggerichte werkwijze en een concrete/praktische invalshoek. Naast een spreekuur op afspraak kunnen een informatievoorziening (opvoedwinkel), huisbezoeken, of lichte vormen van video hometraining aan het aanbod zijn gekoppeld.
Wie doen het?
Pedagogische advisering en begeleiding wordt aangeboden binnen bestaande voorzieningen, zoals de jeugdgezondheidszorg, het algemeen maatschappelijk werk (incidenteel) of binnen een traject kort ambulant aanbod van het Bureau Jeugdzorg. Het wordt zowel door pedagogen als door pedagogische geschoolde professionals aangeboden.
Op veel plekken werken instellingen samen om een toegankelijk aanbod van pedagogische advisering vorm te geven bijvoorbeeld in de vorm van een opvoedbureau of steunpunt opvoeding. Vanuit deze voorzieningen worden ook spreekuren op wijkniveau uitgevoerd. Een Steunpunt Opvoeding heeft in veel gevallen ook een ondersteuningsaanbod naar professionals die met ouders en of kinderen werken. Op sommige plaatsen wordt het opvoedbureau tot het voorportaal van het Bureau jeugdzorg gerekend en zijn er afspraken over doorgeleiding.
Methoden
Instellingen maken gebruik van een methodische aanpak die is geënt op de uitgangspunten van opvoedingsondersteuning en beschreven in verschillende publicaties en handboeken (G. Blokland, 'Over opvoeden gesproken', Utrecht: NIZW, 1998). Binnen de thuiszorg wordt voor pedagogische advisering dikwijls gebruik gemaakt van de Stap voor Stap methode.
Begeleiding/deskundigheidsbevordering
Zowel landelijk als regionaal zijn er mogelijkheden voor training en intervisie op pedagogische advisering. Regionale/provinciale instellingen voor opvoedingsondersteuning of thuiszorginstellingen verzorgen trainingen en deskundigheidsbevordering voor de professionals die pedagogische advisering uitvoeren. Daarnaast is er een post HBO aanbod vanuit Fontys hogeschool in Eindhoven en de mogelijkheid voor een in company training via het NJi.. Landelijk functioneert een platform pedagogische advisering waarin stafmedewerkers met steunfunctietaken participeren.
Kosten
Opvoedspreekuren en opvoedbureau worden meestal gefinancierd uit het budget van samenwerkende instellingen, al dan niet met lokale overheidssteun voor een coördinatiefunctie. De personele lasten vormen de grootste kostenpost: één dagdeel spreekuur kost gemiddeld 6 uur aan inzet van een HBO-professional met ervaring. De inrichting van het opvoedbureau en materialen voor publiciteit worden meestal door de gemeente gefinancierd.
Drie aanbevolen uitgaven:
Blokland, G. (1996). Over opvoeden gesproken. Methodiekboek pedagogisch adviseren. Utrecht: NIZW.
Bordewijk, A., & Willems, M. (2004). Hulp bij de opvoeding: deskundig, duurzaam en dichtbij. Velp: Spectrum, 2004.
Ehlers, S. & Kuipers M. (2009). Oudergericht Pedagogisch Adviseren (OPAd). Baarn: HB Uitgevers.
Oomen, R. (2002). Werkboek opvoedbureaus. Een praktische handleiding. Gouda: JSO, Expertisecentrum voor Jeugd, Samenleving en Opvoeding.
Zie ook:
Onder thuisbegeleiding ofwel praktische gezinsbegeleiding wordt meestal een intensieve vorm van begeleiding door de Thuiszorg verstaan aan gezinnen met ernstige opvoed- en opgroeiproblemen, waarbij ook een praktische participerende bijdrage wordt geleverd aan het huishouden, het gezinsmanagement en pedagogische taken. Thuisbegeleiding is geen nieuwe vorm van hulp; het bestaat al ongeveer 60 jaar. Eerder werd de naam Gespecialiseerde gezinsverzorging gebruikt.
De methodiek van de praktische thuisbegeleiding staat beschreven in > H. Kort, I. ten Thije, M. Dral, ‘Gespecialiseerde verzorging in de praktijk. Basismethodieken en benaderingswijze’. Utrecht: NIZW, 2002.
In 2007 hebben de provincies Gelderland en Zuid-Holland positieve ervaringen opgedaan met de inzet van gespecialiseerde verzorging in gezinnen met ernstige opvoed- en opgroeiproblemen. Uit de tussentijdse verslagen van de projecten ReSet (Rivas Zorggroep en Vierstroomzorgring in Zuid-Holland) en Praktische Gezinsbegeleiding (Gelderland) wordt het onderstaande ontleend.
Uit de evaluatie in Gelderland komt naar voren dat er behoefte is aan dit aanbod. Het aanbod is laagdrempelig; men beoordeelt de resultaten als positief. Het voldoet aan een behoefte: versterken van basale opvoedings- en gezinsvaardigheden; het is snel inzetbaar, het biedt praktische hulp, en vervult een voorbeeldfunctie. In Gelderland bestaat 80% van het werk uit ondersteuning bij opvoedingsproblematiek.
Doelgroep
De doelgroep bestaat uit gezinnen bestaande uit minimaal één ouder en één of meerdere kinderen met ernstige opgroei-en opvoedproblematiek. De gezinnen voor wie de Praktische gezinsbegeleiding is ingezet worden beschreven als multiproblem- gezinnen die nog motivatieproblemen hebben, weinig leerbaar zijn; gezinssystemen die met dit aanbod nog net op de rails blijven. Onlosmakelijk verbonden met de probleemsituatie in het gezin is de organisatie van een stabiele en rustige opvoedings- en gezinssituatie en het voeren van een huishouding. Er is sprake van:
Daarnaast kunnen er problemen zijn op andere vlakken zoals:
In Zuid-Holland onderscheidt Reset twee categorieën cliënten: een categorie gezinnen met problemen, en multiproblemgezinnen waar vaak meerdere hulpverleners aanwezig zijn.
Doel van de zorgverlening
Zorgaanbod
Activiteiten
Duur en frequentie
In Gelderland is gekozen voor een standaard traject met een duur van 30 weken, inzet van begeleiding en ondersteuning 4 uur per week; de ervaring in Gelderland leert dat de zorg 12 maanden kan duren. In Zuid-Holland biedt Reset een thuisbegeleider de mogelijkheid om maximaal 90 uur het gezin te ondersteunen. (90 uur door een MBO-opgeleide medewerker en 70 uur door een HBO-opgeleide).
Kenmerken van dit aanbod
In het verslag van Reset is te lezen: ‘Het allerbelangrijkste is echter dat thuisbegeleiders ‘present’ zijn, (zie A. Baart, ‘Een theorie van de presentie, 2006) dat zij contact maken, dat zij het vertrouwen weten te winnen van de cliënt en echte belangstelling hebben voor diens problemen, dat de cliënt zich werkelijk gezien en gehoord voelt. Als er vertrouwen is zijn gezinnen ontvankelijk voor hulp. Dan gaat het om het scheppen van regelmaat, rust en structuur, ingrediënten die nodig zijn voor een stabiele ontwikkeling van kinderen. Bovendien geeft structuur ook ouders overzicht. Ouders krijgen ruimte voor zichzelf en tijd om 'leuke' dingen te doen met kinderen en plezier aan hen te beleven. Thuisbegeleiders bewerkstelligen dit door positief gedrag te bekrachtigen en maken zonodig gebruik van bijvoorbeeld Video Home Training. Thuisbegeleiders geven praktische huishoudelijke ondersteuning en ondersteuning bij de opvoeding door het tonen van voorbeeldgedrag en door feedback te geven op het gedrag van ouders. Veel ouders hebben bevestiging nodig. Door het bekrachtigen van het goede gedrag wordt veel onzekerheid weggenomen.’
Beleid vanaf 2009
In antwoord op kamervragen van het Kamerlid Langkamp over gespecialiseerde gezinsverzorging antwoord minister Rouvoet 25 januari 2008 (kenmerk 207070806520) dat in 2009 de zorg voor personen met psychosociale problemen die ondersteuning behoeven zal worden overgedragen aan de gemeenten. Financiering van de inzet van gespecialiseerde gezinsverzorging in dit kader, namelijk preventief jeugdbeleid, valt onder verantwoordelijkheid van de gemeente. Of voor het daadwerkelijk inzetten van gespecialiseerde gezinsverzorging in het kader van preventief jeugdbeleid een indicatie is vereist wordt bepaald door het gemeentelijk beleid.
De minister is van mening dat het wenselijk is dat de expertise van gespecialiseerde gezinsverzorging mogelijk blijft als het gaat om begeleiding van ouders en kinderen. De mogelijkheden daarvoor zijn er, niet alleen in het kader van het gemeentelijke preventieve jeugdbeleid maar ook in het kader van de provinciale jeugdzorg.
Bronnen:
Praktische hulp vervult een belangrijke functie in de opvoedingsondersteuning. Deze steun wordt vooral ingezet als de draaglast de draagkracht van de ouders overstijgt. Soms moeten taken eerst worden verlicht om ouders in staat te stellen het heft weer in eigen handen te nemen. Bijvoorbeeld het regelen van een tegemoetkoming voor ouders die weinig financiële armslag hebben of het ontlasten van een ouder door het regelen van kinderopvang. In de praktijk verlenen veel ouders elkaar deze praktische vormen van dienstverlening.
Bij deze vorm van steun is het belangrijk om het regelen van praktische zaken niet van ouders over te nemen, omdat dit het gevoel van incompetentie kan versterken. Het primaire doel is ouders tijdelijk te ontlasten en ruimte te bieden aan hun zelfherstellend vermogen of uitbreiding van hun eigen competenties.
De behoefte van ouders aan praktische hulp of steun verdient meer aandacht in het beleid en het (informele en formele) aanbod aan opvoedingsondersteuning. Er zijn maar weinig interventies die zich hier expliciet op richten. Programma's waarbij dat wel zo is, zijn Praktische pedagogische gezinsbegeleiding (PPG) en Home Start.
Schriftelijk informatie is er voor ouders in overvloed. De meest uiteenlopende aspecten en onderwerpen over de opvoeding en ontwikkeling van kinderen, komen daarbij aan bod. Een groot deel van deze informatiestroom vindt plaats in het particuliere circuit via tijdschiften voor ouders, opvoedingsboeken en artikelen in de kranten. Daarnaast zijn veel instellingen actief in het aanbieden van schriftelijke informatie in de vorm van brochures, folders of nieuwsbrieven.
Uit onderzoek (Snyers, 2001, De Neve, Vermulst, in Vandemeulebroecke, 2002) komt naar voren dat ongeveer de helft van de ouders zegt behoefte te hebben aan schriftelijk voorlichtingsmateriaal.
Er lijkt nog weinig degelijk onderzoek gedaan te zijn naar het aanbod en het bereik van de diversiteit van schriftelijke informatie (op papier en via sites) voor de verschillende groeperingen ouders, de functie in relatie tot de andere functies (zoals advisering en hulp), en het effect.
Het 'Groeiboekje' voor ouders met een eerste baby en het 'Peuterboekje' voor migrantenouders zijn bekende voorbeelden van informatie die breed verspreid wordt door thuiszorginstellingen in het hele land. In Amsterdam is de GGD begonnen met de uitgave van de GroeiGids; een serie van 6 delen, waarin ouders informatie ontvangen over de zwangerschap en over de ontwikkeling, gezondheid en opvoeding van het kind in de verschillende levensfases. (www.groeigids.nl). Icare JGZ geeft ouders de uitgave 'Ik word groter' (met internetondersteuning: www.ikwordgroter.nl).
Landelijk beschikbaar zijn ook de 'Peuterbrieven' van Thuiszorg Den Bosch en de 'Veiligheidskaarten' van de stichting Consument en Veiligheid. Zij volgen de ontwikkeling van kinderen en stemmen de informatie af op een specifieke leeftijdsperiode.
In 2008 liet de deelstaat Nordrhein-Westfalen de stand van zaken omtrent 'Ouderbrieven' (in Duitsland) analyseren. ('Wissenschaftliche Analyse') .
De organisatie TOP-punt geeft een cd-rom uit met alle folders voor ouders over opvoeding die voorheen door St. Spel- en Opvoedingvoorlichting, door Stichting Jeugdinformatie Nederland en door het NIZW werden verspreid. Het gaat hier om de folders 'Over baby's', 'Peuters, lief maar lastig', 'Eten, Slapen, Zindelijk worden', 'Spelen', 'Leren praten', 'Drukke kinderen', 'Schoolkind', 'Pesten', 'In de puberteit'. De instellingen die deze cd-rom aanschaffen, mogen de folders zelf kopiëren en verspreiden. Zij kunnen de naam van hun instelling op de folder vermelden. De cd-rom is te bestellen via www.top-punt.nl.
Veel opvoedbureaus en consultatiebureaus van de Jeugdgezondheidszorg hebben bovengenoemde materialen in hun informatievoorziening opgenomen.
Naast informatie over opvoeding is er ook veel lokale informatie voor ouders over het aanbod in de wijk en de voorzieningen die er zijn. Voorbeelden van programma’s die deze schriftelijke informatievoorziening combineren met een actief doelgroepen-beleid zijn 'Stap in', de 'Peuter Felicitatiedienst' waarbij ouders via huisbezoeken schriftelijke en mondelinge informatie krijgen over voorzieningen in de wijk.
Zie ook: Literatuur schriftelijke informatie voor ouders
'Opvoed-tv' krijgt de laatste jaren veel aandacht: de Nanny-programma's, Opvoedpolitie, Schatjes. De kijkcijfers zijn hoog.
Vooralsnog ontbreekt het aan onderzoek naar effect en bereik van deze programma's.
Verder presenteren omroepen zo nu en dan themaprogramma's. Teleac/NOT verzorgt de serie 'Bij ons thuis' en de (jaarlijkse) Nationale Ouderavond. De KRO presenteert http://opvoedendoejezo.kro.nl.
Een wekelijks informatief programma zoals de WDR uitzendt, 'Servicezeit Familie' ontbreekt in Nederland.
The Great Parenting Experiment
In 2005 werd in Engeland door de grootste commerciële televisiezender ITV een 6 wekelijkse televisie serie uitgezonden onder de titel 'Driving Mum and Dad mad'. De serie toont het ontwikkelingsproces dat ouders doormaken gedurende het volgen van een Triple P oudercursus en hoe zij met vallen en opstaan meer greep krijgen op het gedrag van hun kinderen door het aanleren van nieuwe opvoedingsstrategieën.
Voor de serie werden 5 verschillende gezinnen (waaronder ook een eenouder gezin) gevolgd met 11 kinderen variërend in de leeftijd van 3 tot 10 jaar. Al deze gezinnen hadden tenminste één kind met ernstige gedragsproblemen en/of ontwikkelingsstoornis (ADHD, ODD, gehoorstoornis, chronische slaapstoornissen, gezondheidsproblemen, encopresis). De ouders in deze gezinnen scoorden hoog op opvoedingsproblemen en gebrekkige opvoedingscompetentie. Daarnaast speelden ook andere problemen zoals relatieproblemen, werkeloosheid, depressie, aan stress gerelateerde stressklachten, ernstige slaapdeprivatie, problemen met impuls controle etc.
Ouders volgden voor de televisie een reguliere Triple P oudercursus (niveau 4) met 4 groepsbijeenkomsten van 2 uur gecombineerd met thuisopdrachten. Daarna kregen ze 3 weken lang telefonische feedback van een half uur over het werken aan gedragsverandering en een slotbijeenkomst met alle ouders aan het eind. De TV cursus werd gegeven door professor M. Sanders, grondlegger van het Australische Triple P programma. In de cursus leerden ouders verschillende opvoedingsstrategieën om positief gedrag bij kinderen te stimuleren en ook om ongewenst gedrag van hun kinderen tijdig bij te sturen en te corrigeren op een manier die niet schadelijk is voor de ontwikkeling van kinderen.
De serie toonde zowel onderdelen van de oudercursus als ook de toepassing van die kennis in de thuissituatie.
Gemiddeld werd elke uitzending door 4.23 miljoen mensen bekeken en het programma was het op een na best bekeken televisie programma op prime time in de afgelopen 12 maanden. Voor de toerusting van ouders biedt de televisie ongekende mogelijkheden. Professor Sanders berekende dat als 40 % van deze televisiekijkers ook zelf kinderen heeft, het programma in Engeland dus 1.692 miljoen ouders heeft kunnen bereiken.
Op grond van algemene epidemiologische gegevens kan worden aangenomen dat ongeveer 18 % van deze groep (304.560 gezinnen) in meer of mindere mate problemen ondervindt met opvoeden in de vorm van emotionele en gedragsproblemen bij kinderen. Het experiment toont aan dat de televisie in korte tijd een groep ouders kan bedienen in een omvang die met het reguliere aanbod van opvoedingsondersteuning in geen jaren kan worden gehaald. Het zou bijvoorbeeld betekenen dat per jaar 10.000 oudercursussen worden gegeven met gemiddeld 12 ouders per groep waarbij er minstens 2500 getrainde cursusleiders nodig zijn om dat te realiseren. Het huidige aanbod In veel landen steekt daar schril bij af.
De televisiecursus werd begeleid door onderzoek dat werd gefinancierd door de overheid. Het onderzoek werd in samenwerking tussen de universiteit van Manchester (Engeland) en de universiteit van Queensland uit Australië uitgevoerd. Het experiment startte in februari 2005, twee weken voordat de TV series werd uitgezonden. Gezinnen die na een oproep belangstelling hadden getoond om mee te werken aan het onderzoek werden at random toegewezen aan verschillende groepen. Aan gezinnen in de 'standaardconditie' werd gevraagd om alleen naar de televisieserie te kijken en gezinnen in de TV-Plus conditie kregen daarnaast ook een Triple P zelfhulp werkboek toegestuurd dat specifieke richtlijnen bevatte voor de toepassing van de opvoedingsstrategieën. Ze kregen ook het verzoek om gedurende 3 maanden veranderingen bij te houden in de vorm van een dagboek. De gezinnen werden wekelijks via email berichten gestimuleerd om aandacht te besteden aan de specifieke aspecten van een bepaalde TV aflevering en zij hadden ook een mogelijkheid voor extra online ondersteuning door Triple P professionals. Gezinnen in beide groepen hadden de mogelijkheid om extra Triple P folders (tip-sheets) te bestellen, die besteld konden worden via de website van ITV en die waren gekoppeld aan de inhoud van het televisie programma.
In beide groepen is het aantal opvoedingsproblemen geregistreerd dat ouders ondervonden voor en afronding van de televisieserie. In totaal vulden 500 gezinnen de vragenlijsten in over het gedrag van hun kind, het gezinsfunctionerend en andere relevante kwesties. Dezelfde lijsten werden opnieuw afgenomen 12 weken na de start van de serie. Gezinnen werden opgebeld en gestimuleerd om de lijsten in te vullen. De resultaten vielen niet tegen. In beide groepen had een derde van de kinderen met (klinisch) significante gedragsproblemen bij aanvang van de TV serie goede vooruitgang geboekt door na afloop van het programma in de normale range te scoren. In beide groepen trad een verbetering optrad in opvoedingsaanpak van ouders en gedrag van kinderen, maar de groep in TV Plus conditie toonde meer verbetering in de afname van gedragsproblemen bij kinderen en betere opvoedingsvaardigheden bij de ouders. Na afloop was er minder onenigheid tussen ouders over de opvoeding en minder boosheid bij ouders over het gedrag van kinderen. Alle gezinnen werden nogmaals geïnterviewd een half jaar na afloop van de televisieserie. Daarbij bleek dat de verandering stand hielden en het gedrag van de kinderen steeds meer verbetering liet zien.
Deze studie is het eerste bewijs dat een televisieprogramma een significant effect kan hebben op gedragsproblemen van kinderen and opvoedingsgedrag van ouders zelf al bij ouders die alleen naar het programma kijken. De effecten kunnen echter worden versterkt door ouders aanvullende ondersteuning te bieden in de vorm van een zelfhulp cursus en extra e-mail-contact.
Gezien het succes van deze TV serie is ITV op 17 juli 2006 met een nieuwe serie gestart. Opnieuw wordt een aantal gezinnen met kinderen in de leeftijd van 3 tot en met 9 jaar gevolgd bij het doorlopen van de oudercursus en de toepassing daarvan in de praktijk. Daarbij zal extra aandacht worden besteed aan het instructieve en educatieve deel voor het grote kijkerspubliek en een brede verspreiding van de zelfhulpcursus.
Zie verder: www.thegreatparentingexperiment.net.
Zie ook:
Mori, I. (2006): The power of parenting TV programmes – help or hazard for today's families? London: National Family and Parenting Institute. Te downloaden van http://www.familyandparenting.org.
Eenmalige bijeenkomsten voor ouders over onderwerpen die te maken hebben met de opvoeding en ontwikkeling van kinderen komen in Nederland veelvuldig voor. Ze worden meestal georganiseerd vanuit de basisvoorzieningen die in nauw contact staan met ouders en kinderen zoals scholen, kinderdagverblijven of peuterspeelzalen, het consultatiebureau of het buurtcentrum. Dat gebeurt overal in Nederland tot zelfs in de kleinste dorpen. Bij sommige voorzieningen is het een verplicht nummer dat eenmaal per jaar plaats vindt maar er zijn ook instellingen met een heel actief ouderbeleid die regelmatig klassebijeenkomsten of ouderavonden organiseren. De functie van eenmalige themabijeenkomsten wordt versterkt wanneer ze worden ingepast binnen een (jaar)project, waarbij met alle betrokkenen (kinderen, professionals en ouders) aan één onderwerp wordt gewerkt
Samengevat is het doel van deze eenmalige bijeenkomsten:
Eenmalige themabijeenkomsten of ouderavonden zijn de meeste wijdverbreide vorm van opvoedingsvoorlichting in Nederland. Tegelijkertijd is het een aanbod dat tamelijk onzichtbaar is en maar weinig erkenning krijgt. Eenmalige bijeenkomsten bieden ouders de gelegenheid om kennis te maken met het fenomeen ‘praten over opvoeding’ en kunnen ook een brug slaan naar andere activiteiten op het gebied van opvoedingsondersteuning.
Soms worden themabijeenkomsten in een serie aangeboden. Voorbeelden daarvan zijn het programma Opvoeden in Beeld voor allochtone ouders of de ‘Tupperware'- of huiskamer bijeenkomsten. Deze laatsten worden in de thuiszorg door wijkverpleegkundigen JGZ uitgevoerd. De themabijeenkomst vindt plaats bij een ouder thuis waarbij de gastvrouw verantwoordelijk is voor het bijeenbrengen van een groep belang