Door verplichtingen in de kamer kon minister Rouvoet van Jeugd en Gezin niet aanwezig zijn tijdens het geplande vragenuurtje op de conferentie. Als alternatief zijn de vragen van deelnemers aan de conferentie 'Betere zorg, minder uitval' alsnog aan hem voorgelegd.
1. Wat doet u voor jongeren van 16 tot en met 23 jaar?
Onze jeugdprofessionals werken, onder andere via de centra voor jeugd en gezin, de Zorg- en adviesteams en de jeugdzorg, ook voor jongeren van 16 tot en met 23 jaar. Voor de jongeren op het MBO werken we aan het verbeteren van de zorg in het onderwijs. Daarvoor loopt onder andere een project in Rotterdam, waarin we kijken hoe de aansluiting van zorg op het MBO verbeterd kan worden voor jongeren die kampen met meerdere problemen tegelijkertijd (Winsemius/WRR noemt deze jongeren ‘de overbelasten’). In dit project faciliteer ik de gemeente Rotterdam bij het tot stand brengen van een goede samenwerking tussen de ROC's en de hulpverlenende instanties. Doel is om te komen tot een aanpak waarin heel concreet beschreven staat hoe het zorgaanbod wordt geregeld. Dit project dient als voorbeeld voor andere grote steden waar deze problematiek zich ook voordoet.
Eind mei verscheen de kabinetsreactie op het WRR-rapport ‘Vertrouwen in de school’. In haar reactie onderschrijft het kabinet een van de belangrijkste aanbevelingen uit het rapport, namelijk de ontwikkeling van plusvoorzieningen. Het gaat hierbij om een totaalpakket van onderwijs en ondersteuning, waarin elke betrokken partij zijn verantwoordelijkheid neemt. Daarmee komt voor overbelaste jongeren het halen van een diploma, het vinden van een passende baan en volwaardige deelname aan de maatschappij beter binnen handbereik.
2. Wij merken dat de inzet van bureau jeugdzorg en geïndiceerde jeugdzorg op onze school onder druk staat, vanwege de ontwikkeling van centra voor jeugd en gezin. Wat gaat u daaraan doen?
Ik kan landelijk nooit precies bepalen welke inzet bureau jeugdzorg moet plegen in de Zorg- en adviesteams. Het is echt aan de partijen op lokaal en regionaal niveau om met elkaar te bepalen wat er nodig is. Voorop staat dat bureau jeugdzorg in het ZAT optimaal kan bijdragen aan de multidisciplinaire probleemtaxatie en zo nodig direct kan indiceren. Daarbij is vaak ook een afweging aan de orde tussen inhoud en efficiency.
Hierover moeten afspraken gemaakt worden onder regie van de gemeente. Indien nodig betekent dit dat de gemeente hierover het gesprek aangaat met de provincie. Afspraken over deelname aan het ZAT betekenen niet automatisch dat elke partij altijd aanwezig moet zijn. Beschikbaarheid op afroep is een denkbare afspraak.
3. Wij hebben te maken met jongeren uit dertig gemeenten. Voor ons is het ondoenlijk om afspraken te maken met dertig centra voor jeugd en gezin. Wat gaat u daaraan doen?
Ik snap dat het in uw situatie, met zoveel verschillende betrokken gemeenten, moeilijk is om samen afspraken te maken over zorg in en om de school. Mijn uitgangspunt is dat in een dergelijke situatie op regionaal niveau afspraken gemaakt moeten worden. Ik zie ook dat op veel plekken de CJG-vorming door gemeenten regionaal wordt aangepakt.
Dit onderwerp heeft de komende tijd mijn aandacht. Zo werken we in Rotterdam in de praktijk uit hoe je de samenwerking tussen VO/MBO en CJG/gemeenten kunt vormgeven. Ook in de wetgeving rond de centra voor jeugd en gezin zullen we hier aandacht aan besteden.
4. Welke organisatorische en financiële middelen zouden gemeenten moeten inzetten om de zorg binnen het MBO te versterken?
De gemeente heeft de regierol in het jeugdbeleid en is verantwoordelijk voor het maken van sluitende afspraken in de jeugdketen voor alle jongeren van 0 tot 23 jaar. Dit staat ook in het wetsvoorstel CJG en regierol gemeente in het jeugdbeleid. Deze rol gaat de gemeente dus ook oppakken voor de MBO-instellingen. Heel concreet zijn we nu in Rotterdam bezig om zorg en onderwijs meer aan elkaar te verbinden. De gemeente speelt daar een belangrijke rol in. De gemeente heeft daar natuurlijk ook middelen voor: denk hierbij aan de brede doeluitkering jeugd, de Wmo-middelen en het P-budget.
5. Wij hebben leerlingen in huis van 16 tot 23 jaar en vaak nog ouder. De jeugdzorg gaat tot 18 jaar. De jeugdgezondheidszorg tot 19 jaar. Kan het MBO ervan uitgaan dat het centrum voor jeugd en gezin gaat werken voor jongeren tot en met 23 jaar?
Ja, de centra voor jeugd en gezin gaan inderdaad werken voor kinderen en jongeren van 0 tot en met 23 jaar én hun ouders.
6. De aansluiting tussen jeugdzorg en volwassenenzorg vertoont grote hiaten. Wat gaat u daaraan doen?
Het signaal dat de jeugdzorg en volwassenzorg niet altijd goed op elkaar aansluiten, is aanleiding geweest voor een extern onderzoek naar de jeugdhulpverlening 18+. Dit onderzoek is nu bijna afgerond. We zullen met betrokken partijen nagaan hoe we de geïnventariseerde knelpunten kunnen oplossen. In ieder geval is er verbetering mogelijk in de samenwerking tussen de verschillende instanties waar jongeren mee te maken krijgen als zij 18 worden.
7. Hoe gaat u borgen dat sleutelpartijen als GGZ, BJZ, maatschappelijk werk, politie en de GGD gaan deelnemen aan de ZAT's en ook de achterliggende zorg toegankelijk maken en leveren?
Met de staatssecretarissen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ben ik bezig om een wet voor te bereiden: ‘Zorg in en om de School’. Hierin regelen we dat, onder regie van de gemeente, organisaties ook echt met elkaar samenwerken om snelle en goede hulp voor jongeren te regelen. ZAT’s zijn een heel belangrijk instrument voor die samenwerking.
Daarnaast hebben we het Landelijk Steunpunt ZAT’s bij het Nederlands Jeugdinstituut. Scholen en gemeenten die vragen hebben over het samenwerken in ZAT’s kunnen hier terecht voor advies
8. Wie moet de preventieve taak van de GGZ gaan betalen? Die is nu terechtgekomen in de Wmo. De gemeente maakt andere keuzes en zet het Wmo-budget vooral in voor thuiszorg. Wat gaat u hieraan doen? Gaat u in gesprek met Vereniging Nederlandse Gemeenten? Wordt gesproken met zorgverzekeraars om te investeren in preventie?
In de preventieve zorg kan onderscheid gemaakt worden in individuele preventie en collectieve preventie. Voor de financiering is dit van belang.
Individuele preventie is onderdeel van de geneeskundige GGZ en valt onder de Zorgverzekeringswet. Bij preventie is geen sprake van een diagnose (wel van symptomen en/of lijden aan gezondheidsklachten). Daarmee kan deze zorg niet in DBC-termen worden gedeclareerd. Er is daarom een apart bekostigingsproduct geformuleerd: individuele preventie. Aanbieders kunnen dit product gebruiken om preventie activiteiten te declareren bij een verzekeraar.
De middelen voor collectieve preventie zijn in 2007 aan het Wmo-budget toegevoegd. De gemeenten hebben beleidsvrijheid bij het besteden van het Wmo-budget. Daarbij hoort dat gemeenten eigen keuzes kunnen maken die toegespitst zijn op de specifieke lokale en individuele situatie. Dit betekent ook dat gemeenten naar eigen inzichten de middelen voor collectieve preventie kunnen inzetten.
9. In de Zorgverzekeringswet staat dat GGZ-zorg niet meer anoniem aangeboden kan worden. Veel van onze leerlingen kunnen nu niet geholpen worden door de GGZ, omdat hun probleem niet bij hun ouders bekend mag worden. Wat kunt u hieraan doen?
GGZ-hulp via internet kan in principe worden bekostigd uit de Zorgverzekeringswet. Een knelpunt ontstaat als deze hulpverlening anoniem is. Bij welke zorgverzekeraar moet de zorgaanbieder dan immers zijn rekening neerleggen als de hulpvrager (en diens verzekeraar) anoniem zijn? Op dit moment wordt anonieme internethulp daarom nog tijdelijk bekostigd met de dienstverleningsgelden. Onlangs heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) advies uitgebracht over een mogelijke structurele oplossing. Voor 2010 blijven de dienstverleningsgelden beschikbaar.
10. Een doorverwijzing naar de GGZ moet nu via de huisarts. Veel van onze jongeren hebben geen huisarts of willen daar niet naar toe. Kan zo'n verwijzing niet gewoon via de schoolarts in het ZAT?
In de Zorgverzekeringswet staat dat de huisarts of de daarmee gelijkgestelde behandelaar en bureau jeugdzorg kan doorverwijzen. In principe zou dit ook de schoolarts of bijvoorbeeld consultatiebureauarts kunnen zijn. Dit is echter afhankelijk van wat zorgverzekeraars in hun polissen hebben afgesproken. Bureau jeugdzorg en de jeugdgezondheidszorg zitten overigens in het Zorg- en adviesteam, dus verwijzing zou ook via het ZAT kunnen plaatsvinden.
11. Wij missen de GGD op ons ROC, terwijl medische deskundigheid en voorlichting over bijvoorbeeld soa's van groot belang is. Het maakt ons niet uit of er nu een medewerker van de jeugdgezondheidszorg of de volwassenengezondheidszorg op ons ROC zit. Als er maar iemand is met kennis van en toegang tot de gezondheidszorg. De jeugdgezondheidszorg gaat tot 19 jaar, terwijl het laatste geregelde contactmoment in het tweede jaar van het voortgezet onderwijs ligt. Wat kunt u voor ons doen?
De jeugdgezondheidszorg richt zich op jeugdigen van 0-19 jaar. Hoewel een deel van de ROC-leerlingen binnen deze leeftijdsgroep valt, kan de betrokkenheid gering zijn. Na het 13e jaar hebben jeugdigen immers alleen nog contact met de jeugdgezondheidszorg wanneer er een aanleiding voor extra zorg is. Inzet van de jeugdgezondheidszorg op het ROC is afhankelijk van afspraken tussen gemeenten en de onderwijsinstelling.
De staatssecretaris van VWS heeft het mogelijk gemaakt dat er een landelijk dekkend netwerk van aanvullende seksualiteitsspreekuren is (aanvullend aan de huisarts). Hier kunnen jongeren tot 25 jaar gratis en anoniem terecht met vragen over seksualiteit en seksuele gezondheid. De spreekuren - sense spreekuren genaamd - vinden vaak op de GGD plaats, maar ook wel op scholen, zoals een ROC. Dat is afhankelijk van lokale afspraken. Jongeren kunnen via de website www.sense.info een afspraak maken met een sense spreekuur bij hen in de buurt. Ook kunnen ze via de site vragen per mail, chat of telefonisch stellen. Bovendien treffen ze op de website informatie aan over bijvoorbeeld relaties, anticonceptie, verliefdheid en soa's.
12. Kan het extra geld, namelijk 103.000.000 euro, dat het MBO ontvangt voor risicoleerlingen, geoormerkt worden? Ik ben bang dat het geld anders in de lumpsumvergoeding van de ROC’s verdwijnt en een andere bestemming krijgt.
De vraagsteller doelt hier op de zogenaamde IBO-gelden. Deze zijn bedoeld voor het opbouwen van een goede zorg en begeleidingstructuur in de MBO-instellingen. Er is bij het ontstaan van deze regeling ervoor gekozen deze bedragen niet te oormerken ten einde de instellingen de ruimte te geven enig eigen beleid te kunnen voeren. Dit past ook bij de filosofie van de commissie Dijsselbloem: het wat bepaalt OCW en het hoe is aan de instellingen. Dit betekent kortweg dat instellingen gehouden zijn hun wettelijke taken uit te voeren, daarin eigen keuzes kunnen maken over hoe ze dat doen en hierover moeten rapporteren in het jaarverslag. Daarin moet dus iets gezegd worden over de zorgstructuur van de instelling.