Projecten
Zoek

Doelstelling en doelgroep

De voor rebound geformuleerde doelstelling (zie o.a. Handreiking. Reboundvoorzieningen in het voortgezet onderwijs, van Veen en  Wienke, 2005) is tweeledig:
Op schoolniveau moeten scholen ontlast worden van gedragsmoeilijke leerlingen, als het veilig schoolklimaat in het geding is en het arsenaal van leerlingenzorg is uitgeput. Ook moeten scholen ondersteuning krijgen bij het kunnen voortzetten van het onderwijs aan gedragsmoeilijke leerlingen.
Op het niveau van de leerling krijgt de leerling een nieuwe maar niet vrijblijvende kans aangeboden om binnen een afgebakende periode te bewijzen dat hij/zij binnen het reguliere onderwijs aan zijn/haar toekomst kan en wil werken.

Rebound doelgroep
In algemene zin worden in rebound jongeren geplaatst die een bedreiging vormen voor de veiligheid van medeleerlingen en docenten. Uit een analyse van zorgplannen van de samenwerkingsverbanden, uitgevoerd in het schooljaar 2005 – 2006, komt naar voren dat in de doelgroepomschrijving drie kernelementen zijn aan te wijzen (zie Reboundvoorzieningen Voortgezet Onderwijs. Onderzoeksbevindingen en analyse van programma's, van Veen, van der Steenhoven en Kuijvenhoven, 2007). 

Drie kernelementen: kenmerken van de doelgroep

  • Te plaatsen leerlingen vertonen gedragsproblemen/grensoverschrijdend of ontspoord gedrag. Concrete voorbeelden: verbale en/of fysieke agressie, opstandig gedrag, dreigen, verstorend gedrag in de les, autoriteitsproblemen, onvoldoende bereidheid zich aan regels en afspraken te houden.
  • Te plaatsen leerlingen vertonen problemen gerelateerd aan de eigen schoolloopbaan en het onderwijs. Concrete voorbeelden: geen motivatie voor schoolwerk, slechte leerresultaten, ontbrekende leervoorwaarden, dreigende stagnatie of uitval, problematisch verzuim, geschorste of verwijderde leerlingen, leerlingen die mogelijk niet op hun plaats zijn in het reguliere VO.
  • Schoolgerelateerde factoren (kenmerken school). Concrete voorbeelden: er zijn op school forse problemen met de leerling, waardoor een onveilige situatie ontstaat, de zorg die op school kan worden geboden schiet tekort (‘de problemen gaan de draagkracht van de school te boven’), de school heeft vermoedens, en heeft meer inzicht nodig in de problematiek van de jongere.
    Concreet zijn in reboundvoorzieningen overwegend jongeren uit het vmbo, leerjaar 2 en 3 (incl. LWOO) en het praktijkonderwijs te vinden. De vraag vanuit havo en vwo begint toe te nemen.

Ten slotte zijn er enkele reboundvoorzieningen in de grote steden die specifieke groepen plaatsen. Amsterdam plaatst bijvoorbeeld leerlingen afkomstig uit jeugddetentie. In Rotterdam zijn twee voorzieningen specifiek gericht op leerlingen met internaliserende problematiek en op jonge moeders/meisjes die met seksueel misbruik te maken hebben gehad.

Niet behorend tot de doelgroep
In 2005 is een aantal categorieën leerlingen door de overheid uitgesloten van plaatsing in een reboundvoorziening. Dit zijn:

  • Leerlingen met een indicatie voor REC cluster 4, inclusief rugzakleerlingen die in het reguliere voortgezet onderwijs meedoen.
  • Leerlingen die in een justitieel traject zitten.
  • Leerlingen die langdurig thuiszitten (zij komen in aanmerking voor het Herstart programma).

De samenwerkingsverbanden hebben een zekere ruimte om eigen keuzes te maken. Op grond daarvan kiezen zij er gewoonlijk voor de volgende categorieën leerlingen eveneens uit te sluiten:

  • Leerlingen met ernstige cognitieve/psychiatrische problematiek, anders dan in aanmerking komend voor Cluster 3 en Cluster 4.
  • Leerlingen met verslavingsproblematiek.

Daarnaast zijn er samenwerkingsverbanden die ervoor kiezen leerlingen uit het praktijkonderwijs niet te plaatsen (zie voor de redenen Gedragsbeïnvloeding en moeilijk lerende jongeren).

Havo/vwo-scholieren
De vraag vanuit havo/vwo naar de mogelijkheid leerlingen in rebound te plaatsen neemt toe en daarmee discussie over de vraag of zij wel of niet toegelaten moeten worden. Hieraan zijn twee aspecten te onderscheiden:

  • Organisatorisch. Het reboundbudget dat de overheid beschikbaar stelt, is gebaseerd op het aantal leerlingen in vmbo 3 en vmbo 4 binnen het samenwerkingsverband. Er is echter geen relatie gelegd tussen deze wijze van financieren en de rebounddoelgroep. Dit houdt in dat ook leerlingen uit havo/vwo te plaatsen zijn, wiens plaatsing wordt betaald uit het reboundbudget. Onder andere met dit oogmerk heeft de overheid het jaarlijkse reboundbudget verder verhoogd. Het is daarbij niet van belang of de leerling afkomstig is van een afdeling havo/vwo van een grote scholengemeenschap, die lid is van het samenwerkingsverband, of dat het een categorale havo/vwoschool betreft, die geen lid is van het samenwerkingsverband. In het laatste geval wordt wel eens een (kleine) bijdrage in de plaatsing gevraagd door het samenwerkingsverband.
  • Programmatisch-inhoudelijk. In veel rebounds leven programmatische vragen die voortkomen uit de diversiteit in de doelgroep: hoe kun je een programma aanbieden dat interessant en zinvol is voor een groep jongeren die in niveau uiteenloopt van praktijkonderwijs tot gymnasium? Daarnaast zijn niet alle rebounddocenten in staat een voldoende deskundige onderwijskundige begeleiding aan vwo-leerlingen uit de hogere leerjaren te bieden. Ook ouders staan wel eens gereserveerd tegenover de gedachte hun kind in een dergelijke gemengde groep te plaatsen. In de praktijk is veel op te vangen door reboundleerlingen een vergaand geïndividualiseerd programma te laten volgen. Maar dat neemt niet weg dat het hier om een moeilijk vraagstuk gaat, waarover meer discussie noodzakelijk is. Bijvoorbeeld over de vraag of het zinvol is tot categorale reboundvoorzieningen voor havo/vwo te komen?