
Aanbieders van gesloten jeugdzorg (2007)
Verkennend rapport met dilemma's en aanbevelingen voor de ontwikkeling van de gesloten jeugdzorg.
Bent u professional in de jeugdsector? Wij stellen uw reactie op dit dossier op prijs.
Lianne Lekkerkerker is orthopedagoge en expert op het gebied van jeugddelinquentie.
Stel een vraag
|
|
Risicofactoren in het gezin en de opvoeding
In het gezin en in de opvoeding zijn factoren aan te wijzen die het risico op het plegen van delicten vergroten. Zo is bekend dat jongeren een groter risico lopen op gedragsproblemen, waaronder delinquent gedrag, als hun ouders zelf psychische problemen hebben. Ouders met problemen zijn minder beschikbaar en gevoelig voor hun kinderen en kunnen daardoor minder goed reageren op hun gedrag.
Andere risicofactoren die in het gezin kunnen spelen zijn: een inconsequente en ruwe opvoedingsstijl, het ontbreken van basale opvoedingsvaardigheden, veel wisselingen van opvoeders en het meemaken van ingrijpende gebeurtenissen. In veel gezinnen met jongeren die gedragsproblemen hebben dwingen de gezinsleden elkaar tot negatief gedrag. Kinderen leren dan dat zij door negatief gedrag, zoals zeuren, slaan en driftig zijn, hun zin krijgen. Zij vertonen dat gedrag daarom steeds meer, ook buiten het gezin. Dat maakt hen niet bepaald geliefd bij leeftijdgenoten, waardoor ook op school en in de buurt problemen ontstaan.
Wanneer in een gezin problemen spelen, maar ouders betrokkenheid tonen bij hun kind, onderling op een positieve manier met elkaar omgaan of hun eigen boosheid goed in de hand houden, zijn dat juist beschermende factoren.
Risicofactoren in de omgeving
Ook in de omgeving van jeugdigen kunnen risicofactoren voor delinquentie aanwezig zijn: armoede, een slechte buurt of een vriendenkring die negatief gedrag vertoont. Personen in zijn omgeving met wie een kind of jongere wél een goede band heeft, kunnen een beschermende invloed hebben.
Risicofactoren in het kind
Naast risicofactoren in het gezin en in de omgeving spelen waarschijnlijk ook neuropsychologische en biologische factoren bij het kind zelf een rol. Die factoren zorgen voor verschillen in temperament, motorische ontwikkeling, concentratievermogen, logisch redeneren en zelfcontrole.
Zo hebben jeugdigen met gedragsstoornissen vaak in rust een lage hartslag, een indicatie voor een laag angstniveau. Dat betekent dat ze niet snel bang zijn voor de gevolgen van hun gedrag. Daarnaast hebben ze dikwijls negatieve gedachten over zichzelf, bijvoorbeeld ‘ik ben waardeloos’ of ‘ze moeten altijd mij hebben’. Daardoor interpreteren ze sociale informatie vaak verkeerd. Ze beleven reacties van anderen bijvoorbeeld al snel als agressief en reageren daar ook zo op.
Beschermende factoren in het kind zijn bijvoorbeeld een vrolijk karakter en gevoel voor humor, waardoor de omgang met anderen soepeler verloopt.
Meer informatie
Meer informatie over de risicofactoren van delinquentie en over ontwikkeling ervan is te vinden in het volgende artikel uit 'Jeugd en Co Kennis', jaargang 2, nummer 4, 2008:
Effectieve interventies tegen jeugddelinquentie 