• HET NJi WERKT AAN DE KWALITEIT
  • VAN DE JEUGDSECTOR
Pleegzorg

Literatuur

Hier vindt u een selectie van relevante literatuur.

Factsheet met behalve de cijfers over 2015 ook de trends en het verhaal achter de cijfers. In 2015 maakten 22.512 kinderen en jongeren voor korte of langere tijd gebruik gemaakt van pleegzorg. Dat betreft het aantal unieke pleegkinderen.

De auteur legt op een begrijpelijke manier juridische zaken uit waar pleegouders mee te maken hebben aan de hand van praktijkvoorbeelden. Ze legt onder meer uit wat de rechten zijn van pleegouders en pleegkinderen en hoe pleegouders de belangen van hun pleegkind kunnen behartigen.

De auteurs beschrijven de nieuwe wetsvoorstellen aangaande pleegzorg en de actuele, juridische en pedagogische uitgangspunten met betrekking tot pleegzorgplaatsing; overplaatsing van pleegkinderen en de bezoekregeling tussen pleegkinderen en hun ouders.

Kinderrechters nemen beslissingen die verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor kinderen en hun ouders zoals het wel of niet uithuisplaatsen van een kind, of het toewijzen van een kind aan een van de ouders. Zij baseren hun oordeel mede op rapportages die zijn opgesteld door medewerkers van de Raad voor de Kinderbescherming, Bureau Jeugdzorg of andere instanties. De in het onderzoek bijeengebrachte informatie ondersteunt kinderrechters bij hun inschatting van de opvoedingsproblematiek en helpt hen bij de beoordeling van de deskundigenadviezen. Juffer laat zien hoe bepalend de kwaliteit van de interactie tussen de opvoeder en jonge kinderen is, al vanaf hun geboorte, voor de kwaliteit van de gehechtheid. Een veilige gehechtheidsrelatie geldt als een beschermende factor voor de verdere ontwikkeling van het kind. Met nadruk waarschuwt de auteur voor het nogal wijdverbreide misverstand dat niet veilig gehechte jonge kinderen geen baat meer zouden hebben aan correctieve interventies op latere leeftijd. Daarom geeft zij uitgebreid aandacht aan populaire valkuilen en concrete aanbevelingen. Centraal daarbij staat de notie: sensitief ouderschap. Het is voor de rechters van belang daarop hun focus te richten bij hun poging om de ouder-kind relatie te verbeteren.

Volledige publicatie

Indien ouders kunnen instemmen met een langdurige pleeggezinplaatsing van hun kind, geeft dat het kind de ruimte om zich te hechten aan pleegouders en vergroot de kans op het welslagen van zo'n plaatsing. Na een gedwongen uithuisplaatsing van hun kind komen ouders in een leegte. Deze ervaring én het verwerken van het feit dat hun kind voor lange tijd door pleegouders zal worden opgevoed, is ingrijpend in hun leven dat veel ouders niet weten hoe daar mee om te gaan. Voor hulpverleners zijn deze situaties ook moeilijk. De auteurs beogen vooreerst met dit Methodiekboek een inzicht te geven in de mechanismen, waarvan ouders zich bedienen en in de positie van het betrokken kind. Vervolgens werken zij een methode uit waarmee (pleeg)ouderbegeleiders de ouders kunnen begeleiden bij de verliesverwerking, en in het vinden of accepteren van hun nieuwe rol. Speciale aandacht besteden de auteurs aan het gebruik van de methodiek in geval van psychopathologie bij ouders.

De auteurs belichten de ontwikkeling binnen de pleegzorg vanuit verschillende invalshoeken. In het eerste deel komt de opvoedingssituatie van pleegkinderen, hun ontwikkeling en hun relatie tot ouders en pleegouders, aan de orde. Het tweede deel geeft het juridisch kader waarbinnen pleegzorg plaatsvindt. Het derde deel schenkt aandacht aan het verloop van pleeggezinplaatsingen, de gevolgen van overplaatsingen van kinderen en de organisatorische aspecten van de pleegzorg. In het vierde deel wordt aandacht besteed aan de diagnostiek van pleegkinderen en de mogelijkheden van interventie. Ten slotte worden twee praktijkmodellen op het gebied van de pleegzorg besproken. De auteurs zetten vraagtekens bij de dominante hulpverleningsvisie, die vindt dat 'eigenlijk elk kind bij zijn ouders hoort'.

Vrijwel de helft van de langdurige plaatsingen van pleegkinderen van 11 tot 17 jaar stopt voortijdig. Het risico op een voortijdige beëindiging blijkt in een vroeg stadium in te schatten. Dat zijn de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek. Onderzocht is welke kenmerken van pleegkind en pleeggezin het succes van plaatsing bepalen. Oudere pleegkinderen met ernstige externaliserende gedragsproblemen en een langere hulpverleningsgeschiedenis hebben een hoger risico op een mislukking van de plaatsing. Kenmerken van het pleeggezin zijn niet bepalend voor het succes van de plaatsing. De voortijdige beëindiging kan bij het pleegkind leiden tot een verminderde agressiebeheersing, een negatief zelfbeeld en toenemend wantrouwen in opvoeders. In het pleeggezin kan een mislukking leiden tot spanningen in de gezinsrelaties en gevoelens van falen bij de pleegouders. Oijen geeft verder aanbevelingen om in de praktijk, in een vroegtijdig stadium van de plaatsing, al mogelijke risico's op een breakdown in te schatten.

Volledige publicatie

Gedocumenteerd overzicht van onderzoek en klinische bevindingen in de pleegzorg. Aan de orde komen negen thema's: Wetgeving in Nederland, werving en uitval van pleegouders, hechting, loyaliteit en bezoek van de ouder, mishandelde kinderen in de pleegzorg, het pleeggezin, netwerkzorg en netwerkpleegzorg, afgebroken plaatsingen: oorzaken en gevolgen, overgang naar volwassenheid.

De auteurs beschrijven een aanpak om het toekomstperspectief van het kind op systematische wijze te onderzoeken. Hiertoe wordt de 'beoordelingsboog' geïntroduceerd. Met dit instrument kunnen pleegzorgwerkers aan de hand van negen factoren een advies formuleren over het perspectief van het kind. Het belang van het kind bij een veilig ontwikkelingsklimaat geeft bij deze advisering de doorslag. Tevens wordt aangegeven hoe met behulp van systeemtheoretische interventies tegenstellingen tussen de vele betrokken partijen bij pleegzorg overbrugd kunnen worden. Zo ontstaat er 'samenspel' en kan 'tegenspel' voorkomen worden. Pleegkinderen hebben er recht op om zo snel mogelijk te weten of zij terug gaan naar huis of in een pleeggezin blijven wonen. Het telkens uitstellen van een duidelijk besluit is schadelijk voor de ontwikkeling van een kind.

De auteur ondervroeg pleegkinderen over hun relatie met de ouders, de pleegouders, de frequentie van het contact met de ouders en hun welbevinden. Ook de ouders, pleegouders en betrokken hulpverleners zijn geïnterviewd over hun interpretatie van de pleegzorgsituatie. Het bleek dat vooral de kwaliteit van de relatie met de pleegouders het welbevinden van het pleegkind bepaalt. Als het om hechting en loyaliteit gaat is geen sprake van een concurrerende positie van pleegouders ten opzichte van ouders. De frequentie van het contact met de ouder heeft geen invloed op het welbevinden van het pleegkind. Wel lijdt het kind eronder als het niet goed gaat met de ouder.

Dit dossier is tot stand gekomen in samenwerking met:

Vragen?

Willeke Daamen is contactpersoon.

NJi gebruikt cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Lees meer over cookies.